# myplugs/koran.py
# coding: utf-8
#


from gozerbot.commands import cmnds
from gozerbot.generic import fromenc
import re

def handle_koran(bot, ievent):
    if not ievent.rest:
        ievent.missing('<txt>')
        return
    search = ievent.rest.lower()
    result = []
    txtlist = fromenc(korantxt).split('\n\n')
    for i in txtlist:
        if search in i.lower():
            zin = re.sub('\n', '', i)
            zin = re.sub('\s+', ' ', zin)
            result.append(zin)
    if result:
        ievent.reply('search result for %s: ' % ievent.rest, result, dot=True)
    else:
        ievent.reply('no result found')

cmnds.add('koran', handle_koran, ['USER', 'WEB'])

korantxt = """ Dit is een e-book geschikte download

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     De Heilige Koran

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     1. [1]Het Begin (Al-Faatihah). 

     2. [2]De Koe (Al-Baqarah). 

     3. [3]Het Huis van Imraan (Al-Imraan). 

     4. [4]De Vrouwen (An-Nisa). 

     5. [5]De Gedekte Tafel (Al-Maidah). 

     6. [6]Het Vee (Al-An'aam). 

     7. [7]De Verheven Plaatsen (Al-Aa'raaf). 

     8. [8]De Oorlogsbuit (Al-An'faal). 

     9. [9]Berouw (At-Taubah). 

     10. [10]Jonas (Joenos). 

     11. [11]Hoed. 

     12. [12]Jozef (Joesof). 

     13. [13]De Donder (Ar-Ra'd). 

     14. [14]Abraham (Ibrahiem). 

     15. [15]Het Rotsachtige Pad (Al-Hidjr). 

     16. [16]De Bij (An-Nahl). 

     17. [17]De Nachtelijke Tocht, De Kinderen van Israel (Al-Israa,
     Banie Israa'iel). 

     18. [18]De Spelonk (Al-Kahf). 

     19. [19]Maria (Marjam). 

     20. [20]Taa Haa. 

     21. [21]De Profeten (Al-Anmbi'jaa). 

     22. [22]De Pilgrimstocht (Al-Hadj). 

     23. [23]De Gelovigen (Al-Mominoen). 

     24. [24]Het Licht (An-Noer). 

     25. [25]Het Criterion (Al-Forqaan). 

     26. [26]De Dichters (Asj-Sjoaraa). 

     27. [27]De Mieren (An-Naml). 

     28. [28]De Vertelling (Al-Qasas). 

     29. [29]De Spin (Al-Ankaboet). 

     30. [30]De Romeinen (Ar-Roem). 

     31. [31]De Wijzen (Loqmaan). 

     32. [32]De Aanbidding (As-Sadjdah). 

     33. [33]De Confreranten (Al-Ahzaab). 

     34. [34]De Stad van Saba (Saba). 

     35. [35]De Schepper (Faatir). 

     36. [36]Jaa Sien. 

     37. [37]Zij die in de Rangen behoren (As-Saaffaat). 

     38. [38]Saad. 

     39. [39]De Groepen (Az-Zomar). 

     40. [40]De Gelovige (Al-Momin). 

     41. [41]Fussilat. 

     42. [42]De Consultatie (Asj-Sjoera). 

     43. [43]Gouden Juwelen (Az-Zochrof). 

     44. [44]De Rook (Ad-Dochaan). 

     45. [45]Het Knielen (Al-Djaasi'jah). 

     46. [46]Bochtige Zandpaden (Al-Ahqaaf). 

     47. [47]Mohammed. 

     48. [48]Overwinning (Al-Fat'h). 

     49. [49]De Vertrekken aan de Binnenkant (Al-Hodjoraat). 

     50. [50]Qaaf. 

     51. [51]De Winden die verspreiden (Az-Zaari'jaat). 

     52. [52]De Berg (At-Toer). 

     53. [53]De Ster (An-Nadjm). 

     54. [54]De Maan (Al-Qamar). 

     55. [55]De Meest Gracieuze (Ar-Rahmaan). 

     56. [56]De Onoverkomenlijke Gebeurtenis (Al-Waaqiah). 

     57. [57]Het Ijzer (Al-Hadied). 

     58. [58]De Vrouw die Pleit (Al-Modjaadalah). 

     59. [59]De Bijeenkomst (Al-Hasjr). 

     60. [60]De Vrouw die Ondervraagd zal worden (Al-Momtahanah). 

     61. [61]De Strijdplaats (As-Saff). 

     62. [62]De Vrijdag (Bijeenkomst) (Al-Djomo'ah). 

     63. [63]De Huichelaars (Al-Monaafiqoen). 

     64. [64]Beider Verlies en Winst (At-Taghaabon). 

     65. [65]De Scheiding (At-Talaaq). 

     66. [66]Denkende dat iets Verboden is (At-Tahriem). 

     67. [67]De Dominie (Al-Molk). 

     68. [68]De Pen (Al-Qalam). 

     69. [69]De Zekere Realiteit (Al-Haaqqah). 

     70. [70]De Manieren van Ascentie (Al-Ma'aaridj). 

     71. [71]Noach (Noeh). 

     72. [72]De Djinn (Al-Djinn). 

     73. [73]Gevouwen in Kleding (Al-Mozzammil). 

     74. [74]Iemand die Gebundeld is (Al-Moddassir). 

     75. [75]De Resurrectie (Al-Qi'jaamah). 

     76. [76]De Tijd, De Mensen (Ad-Dahr, Al-Insaan). 

     77. [77]Zij Die Gezonden Waren (Al-Morsalaat). 

     78. [78]Het Nieuws (An-Naba). 

     79. [79]An-Naziaat. 

     80. [80]Hij Fronsde (Abasa). 

     81. [81]Het Opvouwen (At-Takwier). 

     82. [82]Het Klievende (Al-Infitaar). 

     83. [83]Daden in fraude (Al-Motaffifeen). 

     84. [84]De Splijting (Al-Insjiqaaq). 

     85. [85]De Tekens van de Zodiak (Al-Boroej). 

     86. [86]De Nachtelijke Bezoeker (At-Taariq). 

     87. [87]De Allehoogste (Al-Ala). 

     88. [88]Het Overweldigende Evenement (Al-Ghaasjijah). 

     89. [89]De Dageraad (Al-Fadjr). 

     90. [90]De Stad (Al-Balad). 

     91. [91]De Zon (Asj-Sjams). 

     92. [92]De Nacht (Al-Lail). 

     93. [93]De Glorieuze Ochtend (Ad-Dhohaa). 

     94. [94]De Expansie (Asj-Sjarh). 

     95. [95]De Vijg (At-Tien). 

     96. [96]Het Geronnen Bloed (Al-Alaq). 

     97. [97]De Waardevolle Nacht (Al-Qadr). 

     98. [98]Het Uitsluitende Bewijs (Al-Bajjinah). 

     99. [99]Het Geschud (Az-Zalzalah). 

     100. [100]Zij Die Rennen (Al-Aadi'jaat). 

     101. [101]De Dag van Oproering (Al-Qaariah). 

     102. [102]Opstapelen (At-Takaasor). 

     103. [103]De Tijd door de Tijden (Al-Asr). 

     104. [104]De Schandaal Verspreider (Al-Homazah). 

     105. [105]De Olifant (Al-Fiel). 

     106. [106]Qoraisj. 

     107. [107]De Noden van Buren (Al-Maa'oen). 

     108. [108]Overvloed (Al-Kausar). 

     109. [109]De Ongelovigen (Al-Kaafiroen). 

     110. [110]De Overwinning (An-Nasr). 

     111. [111]De Palmvezel, De Vlam (Al-Masad, Al-Lahab). 

     112. [112]Zuiverheid van Geloof (Al-Ichlaas). 

     113. [113]De Dauw (Al-Falaq). 

     114. [114]De Mensheid (An-Naas). 


     1. Het Begin (Al-Faatihah)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Het Openings Hoofdstuk van de Heilige Koran. Geopenbaard voor de
     Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 7 strofen.

     1. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     2. Alle lof zij Allah, de Heer der Werelden.

     3. De Barmhartige, de Genadevolle.

     4. Meester van de Dag des Oordeels.

     5. U alleen aanbidden wij en U alleen smeken wij om hulp.

     6. Leid ons op het rechte pad,

     7. Het pad dergenen, aan wie Gij gunsten hebt geschonken - niet dat
     van hen, op wie toorn is nedergedaald, noch dat der dwalenden.

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     2. De Koe (Al-Baqarah)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard na de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 286 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. Alif Laam Miem.

     2. Dit is een volmaakt Boek, daaraan is geen twijfel, een
     richtsnoer voor de godvrezenden.

     3. Die in het onzienlijke geloven en het gebed houden en die
     weldoen met hetgeen Wij hun hebben geschonken.

     4. En die geloven in hetgeen u is geopenbaard en in hetgeen vóór u
     is geopenbaard, en een standvastig vertrouwen hebben in dat wat
     komen zal.

     5. Zij zijn het, die de leiding van hun Heer volgen en dezen zullen
     slagen.

     6. Zeker, zij die (de Waarheid) verwerpen, het is hun om het even,
     of gij hen waarschuwt, of dat gij hen niet waarschuwt - zij zullen
     niet geloven.

     7. Allah heeft hun hart en oren verzegeld en over hun ogen is een
     sluier; hun wacht een zware straf.

     8. En er zijn mensen, die zeggen: "Wij geloven in Allah en in de
     laatste Dag, hoewel zij geen gelovigen zijn."

     9. Zij trachten Allah en de gelovigen te bedriegen, zij misleiden
     echter niemand dan zichzelf en zij beseffen het niet.

     10. Er is een ziekte in hun hart en Allah heeft die ziekte
     verergerd; er wacht hun een pijnlijke straf, omdat zij plachten te
     liegen.

     11. Wanneer hun wordt gezegd: "Richt geen onheil op aarde aan" dan
     zeggen zij: "Wij zijn slechts vredestichters".

     12. Pas op! Voorzeker zij zijn het die onheil stichten, doch zij
     beseffen het niet.

     13. En wanneer hun wordt gezegd: "Gelooft, zoals andere mensen
     geloven", zeggen zij: "Zullen wij geloven, zoals de dwazen hebben
     geloofd?" Ziet toe! Zij zijn het die dwaas zijn, doch zij weten het
     niet.

     14. En wanneer zij de gelovigen ontmoeten, zeggen zij: "Wij
     geloven", doch wanneer zij naar hun leiders gaan, zeggen zij: "Wij
     zijn waarlijk met u, wij spotten slechts (met hen)."

     15. Allah zal hun spotternij bestraffen en Hij zal hen blindelings
     in hun overtreding verder laten afdwalen.

     16. Zij zijn het die dwaling hebben aanvaard in ruil voor de rechte
     weg, maar hun handelwijze heeft hun geen gewin gebracht, noch
     konden zij worden geleid.

     17. Hun toestand is als de toestand van iemand die een vuur ontstak
     en toen het zijn omgeving verlichtte, nam Allah hun licht weg en
     liet hen in diepe duisternis, zodat zij niet meer zien.

     18. Doof, stom en blind, derhalve keren zij niet terug;

     19. Of, (dat zij) bij zware regen uit de hemel waarmede dichte
     duisternis, donder en bliksem komt, uit doodsangst hun vingers in
     de oren steken vanwege de donderslagen. Allah omringt de
     ongelovigen.

     20. Bijna beneemt het bliksemlicht hun het gezichtsvermogen;
     telkens als het hen beschijnt, wandelen zij daarin, maar wordt het
     weder donker, dan staan zij stil. En, zo Allah het wilde, zou Hij
     hun het gehoor en het gezicht kunnen ontnemen, waarlijk, Allah
     heeft macht over alle dingen.

     21. O gij mensen, aanbidt uw Heer, die u en degenen, die vóór u
     waren, schiep - opdat gij behouden zult worden.

     22. Die u de aarde tot een legerstede maakte en de hemel tot een
     gewelf en Die water van de wolken deed nederkomen en daardoor
     vruchten voortbracht, als voedsel voor u. Plaatst derhalve geen
     gelijken nevens Allah, tegen beter weten in.

     23. En, indien gij in twijfel zijt omtrent hetgeen Wij aan Onze
     dienaar hebben geopenbaard, probeert dan een dergelijk hoofdstuk
     voort te brengen en roept uw helpers buiten Allah, als gij
     waarachtig zijt.

     24. Doch, indien gij het niet kunt doen - en gij zult het nimmer
     kunnen doen - wacht u dan voor het Vuur, dat voor de ongelovigen is
     bereid, welks brandstof mensen en stenen zign.

     25. En verkondig aan degenen, die geloven en goede werken doen de
     blijde tijding, dat er tuinen (het paradijs) voor hen zijn,
     waardoorheen rivieren vloeien. Telkens, wanneer hun van de vruchten
     hieruit wordt geschonken, zullen zij zeggen: "Ziehier, hetgeen ons
     reeds voorheen werd gegeven"; en hun werd het soortgelijke gegeven.
     En zij zullen er reine metgezellen hebben en zij zullen er
     vertoeven.

     26. Waarlijk, Allah acht het niet beneden zich, een mug of iets nog
     kleiners als gelijkenis te stellen. Zij die geloven weten, dat dit
     de Waarheid van hun Heer is, terwijl degenen, die niet geloven,
     zeggen:"Wat bedoelt Allah met zulk een voorbeeld?" Velen laat Hij
     daardoor dwalen en velen leidt Hij daardoor terecht - en niemand
     laat Hij daarmede dwalen, dan de ongehoorzamen,

     27. Die het verbond met Allah breken na de bekrachtiging er van en
     datgene, wat Allah gebood te verenigen, scheiden en die onheil op
     aarde stichten, dezen zijn de verliezers.

     28. Hoe kunt gij Allah verwerpen, terwijl gij levenloos waart en
     Hij u leven schonk? Hij zal u doen sterven en daarna zal Hij u doen
     herleven en dan zult gij tot Hem worden teruggebracht.

     29. Hij is het, Die alles, wat op aarde is, voor u schiep: daarna
     wendde Hij Zich tot de hemel en vervolmaakte deze tot zeven
     hemelen, want Hij heeft kennis van alle dingen.

     30. En toen uw Heer tot de engelen zeide: "Ik wil een stedehouder
     op aarde plaatsen," zeiden zij: "Wilt Gij er iemand plaatsen die er
     onheil zal stichten en bloed zal vergieten, terwijl wij U
     verheerlijken met de lof die U toekomt en Uw Heiligheid prijzen,"
     antwoordde Hij: "Ik weet wat gij niet weet."

     31. En Hij leerde Adam al de namen. Dan plaatste Hij (de voorwerpen
     dezer) namen voor de engelen en zeide: "Noemt Mij hun namen, indien
     gij in uw recht staat."

     32. Zij zeiden: "Heilig zijt Gij. Wij bezitten geen kennis, buiten
     hetgeen Gij ons hebt geleerd; waarlijk, Gij zijt de Alwetende, de
     Alwijze.

     33. Hij zeide: "O, Adam, zeg hun de namen van deze dingen", en toen
     hij de namen had genoemd, zeide Hij: "Zeide Ik u niet: Waarlijk Ik
     ken de geheimen der hemelen en der aarde en Ik weet, wat gij
     onthult en wat gij verbergt?"

     34. En toen Wij tot de engelen zeiden: "Onderwerpt u aan Adam",
     onderwierpen zich allen, behalve Iblies. Hij weigerde, hij was
     hoogmoedig. Hij behoorde tot de ongelovigen.

     35. En Wij zeiden: "O Adam, verblijf gij met uw gade in de tuin en
     eet overvloedig, waar gij ook wilt, doch nader deze boom niet,
     anders zult gij tot de zondaren behoren."

     36. Doch door middel van de boom verleidde Satan hen beiden en
     dreef hen uit de staat waarin zij zich bevonden. En Wij zeiden:
     "Gaat heen - gij zijt elkander vijandig. Er zal op aarde een
     tijdelijke woonplaats en levensonderhoud voor u zijn."

     37. Toen leerde Adam enkele woorden van zijn Heer. Zo schonk Hij
     hem vergiffenis; gewis Hij is Berouwaanvaardend, Genadevol.

     38. Wij zeiden: "Gaat allen weg van hier. En, indien er leiding van
     Mij tot u komt, zullen zij, die Mijn leiding volgen, vrees noch
     droefheid kennen.

     39. Doch zij, die niet geloven en Onze tekenen verloochenen, zullen
     de bewoners van het Vuur zijn; zij zullen daarin verblijven.

     40. "O kinderen Israëls! Gedenkt Mijn gunsten, welke Ik u bewees en
     weest getrouw aan Mijn verbond. Ik zal Mijn verbond met u houden en
     Mij alleen zult gij vrezen.

     41. En gelooft in hetgeen Ik heb geopenbaard, vervullende datgene,
     wat gij reeds bezit en weest niet de eersten, die het verwerpen;
     verruilt evenmin mijn tekenen voor geringe prijs en zoekt
     bescherming in Mij alleen.

     42. En verwart de waarheid niet met de onwaarheid, noch verbergt de
     waarheid tegen beter weten in.

     43. En houdt het gebed en betaalt de Zakaat en bidt met hen, die
     bidden.

     44. Beveelt gij de mensen het goede te doen en vergeet daarbij u
     zelf, hoewel gij het Boek leest? Wilt gij dan niet begrijpen?

     45. Zoekt hulp door geduld en gebed; dit is inderdaad moeilijk,
     behalve voor de ootmoedigen,

     46. Die er zeker van zijn, dat zij hun Heer zullen ontmoeten en dat
     zij tot Hem zullen wederkeren.

     47. O kinderen Israëls! Gedenkt Mijn gunsten, die Ik u bewees, dat
     Ik u boven de volkeren verhief.

     48. En vreest de Dag, dat de ene ziel de andere niet zal kunnen
     helpen, waarop voor haar noch voorspraak zal worden aanvaard, noch
     een losprijs zal worden aangenomen, noch zij zullen worden
     geholpen.

     49. En toen Wij u redden van Pharao's volk, dat u met bittere
     marteling kwelde, Uw zonen dodend en uw vrouwen sparend; hierin was
     voor u een zware beproeving van uw Heer.

     50. En toen Wij de zee voor u spleten en u redden en Pharao's volk
     lieten verdrinken, terwijl gij toezaagt.

     51. En toen Wij met Mozes een tijd afspraken van veertig nachten;
     toen naamt gij in zijn afwezigheid het kalf, (om het te aanbidden)
     en gij werdt overtreders.

     52. Daarna vergaven Wij u, opdat gij dankbaar zoudt zijn.

     53. En toen gaven Wij Mozes het Boek en het oordeel des
     onderscheids, opdat gij recht geleid zoudt worden.

     54. En toen Mozes tot zijn volk zeide: "O mijn volk, gij hebt uzelf
     onrecht aangedaan door het kalf te aanvaarden: derhalve keert terug
     tot Uw Schepper en doodt uw eigen ik, dat is het beste voor u in
     het oog van uw Schepper". Daarna wendde Hij zich genadig tot u.
     Voorzeker, Hij is Berouwaanvaardend, Genadevol.

     55. En toen gij zeidet: "O Mozes, wij zullen u geenszins geloven,
     totdat wij Allah van aangezicht tot aangezicht zien", toen trof u
     een donderslag, terwijl gij toezaagt.

     56. Toen deden Wij u verrijzen na uw dood, opdat gij dankbaar zoudt
     zijn.

     57. En Wij deden de wolken een schaduw over u zign en zonden u
     manna en kwartels, (zeggende): "Eet van de goede dingen, waarmede
     Wij u hebben voorzien." Zij schaadden Ons niet, maar zij plachten
     hun eigen ziel te schaden.

     58. En toen Wij zeiden: "Gaat in deze stad en eet er overvloedig,
     waar gij ook wilt; treedt de poort onderdanig binnen en vraagt om
     vergiffenis. Wij zullen u uw fouten vergeven en Wij zullen meer
     geven aan degenen, die goed doen."

     59. Maar de onrechtvaardigen vervingen het woord door een ander,
     dat niet tegen hen gesproken was. Daarom zonden Wij over de
     onrechtvaardigen een grote straf vanuit de hemel, omdat zij
     plachten te overtreden.

     60. En toen Mozes om water voor zijn volk bad zeiden Wij: "Sla op
     de rots met uw staf" en er ontsprongen twaalf bronnen aan, waardoor
     elke stam zijn drinkplaats kende. Eet en drinkt van wat Allah heeft
     voortgebracht en wandelt niet op aarde, onheil stichtende.

     61. En toen gij zeidet: "O Mozes, wij verdragen niet langer één
     soort voedsel, bid daarom voor ons tot uw Heer, dat Hij van hetgeen
     op aarde groeit - groenten en komkommers en tarwe en linzen en uien
     - voor ons voortbrenge," zeide Hij: "Zoudt gij hetgeen
     minderwaardig is in ruil willen nemen voor hetgeen beter is? Gaat
     naar een stad, daar zult gij vinden, waarom gij vraagt." En zij
     kwamen in vernedering en arrmoede en brachten Allah's toorn over
     zich; dit kwam, omdat zij de tekenen van Allah verwierpen en de
     profeten onrechtvaardig doodden, want zij waren ongehoorzaam en
     telkens weer in overtreding.

     62. Voorzeker, de gelovigen, de Joden, de Christenen en de Sabianen
     - wie onder hen ook in Allah en de laatste Dag geloven en goede
     daden verrichten, zullen hun beloning bij hun Heer ontvangen en er
     zal geen vrees over hen komen, noch zullen zij treuren.

     63. En toen Wij een verbond met u aangingen en de berg hoog boven u
     verhieven, zeiden Wij: "Houdt vast, wat Wij u hebben gegeven en
     bedenkt wat het bevat, zodat gij behoed zult worden."

     64. Maar gij wenddet u af en, had Allah u Zijn genade en
     barmhartigheid niet betoond, dan zoudt gij zeker zijn ondergegaan.

     65. Gij hebt degenen onder u gekend, die inzake de Sabbath
     overtraden. Alzo zeiden Wij tot hen: "Weest verachte apen."

     66. Zo maakten Wij hen tot een voorbeeld voor hen die in die tijd
     leefden en voor degenen, die na hen kwamen en tot een les voor de
     godvrezenden.

     67. En toen Mozes tot zijn volk zeide: "Waarlijk, Allah gebiedt u,
     een koe te slachten", zeiden zij: "Drijft gij de spot met ons?" Hij
     zeide: "Ik zoek toevlucht bij Allah, om niet tot de onwetenden te
     behoren."

     68. Zij zeiden: "Bid voor ons tot uw Heer, opdat Hij het ons
     duidelijk make, wat voor een koe dit moet zijn." Hij antwoordde:
     "Hij zegt, dat het een koe moet zijn, noch oud, noch jong,
     volwassen, tussen beide in - doet nu, wat u geboden is."

     69. Zij zeiden: "Bid voor ons tot uw Heer, dat Hij het ons
     duidelijk make, welke kleur zij heeft" Hij antwoordde: "Hij zegt,
     dat het een gele koe is met een diepe kleur, aangenaam voor hen,
     die haar zien."

     70. Zij zeiden: "Bid voor ons tot uw Heer, dat Hij ons mededele,
     hoe zij is, want al zulke koeien zien er voor ons gelijk uit; en
     als Allah het wil, zullen wij juist worden geleid."

     71. Hij antwoordde: "Hij zegt, dat het een koe is, die nog nooit
     afgericht is geweest, om de aarde te beploegen, of de akkers te
     bevloeien, een koe, gaaf en vlekkeloos." Zij zeiden: "Nu hebt gij
     het precies gezegd." Toen slachtten zij haar, doch liever hadden
     zij het niet gedaan.

     72. En toen gij trachttet een mens te doden en onder elkander er
     over twisttet, was Allah de onthuller van wat gij verborgen hieldt.

     73. Toen zeiden Wij: "Treft hem (de moordenaar) voor een gedeelte
     van het vergrijp tegen hem (de gedode)". Aldus geeft Allah leven
     aan de doden en toont u Zijn tekenen, opdat gij zult begrijpen.

     74. Daarna verhardde zich uw hart. Zij zijn als stenen, of nog
     harder, want er zijn stenen, waaruit stromen ontspringen en er zijn
     er zeker, die splijten en er vloeit water uit. En sommige zijn er
     die uit vrees voor Allah neervallen. En Allah is niet achteloos,
     ten opzichte van wat gij doet.

     75. Verwacht gij, dat zij u zullen geloven, terwijl een aantal
     hunner het woord van Allah heeft vernomen en het verdraait, nadat
     zij het hebben begrepen, tegen beter weten in.

     76. Wanneer zij de gelovigen ontmoeten zeggen zij: "Wij geloven" en
     wanneer zij onder elkander zijn zeggen zij: "Verhaalt gij hun, wat
     Allah u heeft geopenbaard, zodat zij daardoor met u kunnen
     redetwisten voor uw Heer." Wilt gij dan niet begrijpen?

     77. Begrijpen zij dan niet, dat Allah weet, wat zij verbergen en
     wat zij openbaar maken?

     78. En sommigen hunner zijn ongeletterd; zij weten niets van het
     Boek, maar hebben hun valse denkbeelden: zij vermoeden slechts.

     79. Wee daarom degenen, die een boek met hun eigen handen schrijven
     en dan zeggen: "Dit is van Allah", opdat zij er een onwaardige
     prijs voor kunnen nemen. Wee hun dan, voor hetgeen hun handen
     schrijven en wee hun voor hetgeen zij verdienen.

     80. En zij zeggen: "Het Vuur zal ons slechts voor een klein aantal
     dagen deren". Vraag hun: "Hebt gij dan een woord van Allah
     verkregen? Dan zal Allah Zijn belofte nooit breken. Of zegt gij
     iets over Allah, dat gij niet weet?

     81. Voorzeker, die kwaad doet en door zijn zonden is omringd - zij
     zijn de bewoners van het Vuur; daarin zullen zij verblijven.

     82. Maar zij, die geloven en goede werken doen, - zij zijn de
     bewoners van de Hemel, daarin zullen zij verblijven.

     83. En toen Wij een verbond sloten met de kinderen Israëls, zeiden
     Wij, dat gij niemand zult aanbidden, dan Allah alleen en dat gij
     goed zult zijn voor uw ouders, uw verwanten, de wezen en de armen;
     spreekt goed tegen de mensen en houdt het gebed en geeft de Zakaat.
     Doch gij wenddet u af, - behalve weinigen onder u, en gij zijt
     afkerig.

     84. En toen Wij een verbond met u sloten: "Gij zult uw bloed niet
     vergieten noch uw volk uit hun huizen verdrijven", toen hebt Gij
     dit bekrachtigd en gij waart er getuige van.

     85. Toch zijt gij het volk, dat uw eigen broeders doodt en een
     gedeelte van uw volk uit hun huizen verdrijft, elkaar tegen hen
     helpende in zonde en overtreding. En, indien zij als gevangenen tot
     u terugkomen, koopt gij hen vrij, terwijl juist hun verdrijving
     voor u verboden was. Gelooft gij dan slechts in een gedeelte van
     het Boek en verwerpt gij een ander gedeelte? Er is geen beloning
     voor degenen uwer, die zulks doen, behalve schande in dit leven; en
     op de Dag van Opstanding zullen zij de strengste kastijding moeten
     ondergaan, want Allah is niet onachtzaam betreffende hetgeen gij
     doet.

     86. Dezen zijn het, die het Hiernamaals voor het tegenwoordig leven
     hebben verkocht. Derhalve zal hun straf niet worden verzacht, noch
     zullen zij worden geholpen.

     87. Voorwaar, Wij gaven Mozes het Boek en deden boodschappers de
     een na de ander zijn voetsporen volgen. En Wij gaven aan Jezus,
     zoon van Maria, duidelijke tekenen en versterkten hem met de geest
     der heiligheid. Telkens als een boodschapper tot u kwam, met
     hetgeen uw ziel niet behaagde, hebt gij u laatdunkend gedragen,
     sommigen hunner hebt gij verloochend en anderen gedood.

     88. En zij zeiden: "Ons hart is verhuld." Neen, Allah heeft hen
     vanwege hun ongeloof vervloekt. Weinig is derhalve hetgeen zij
     geloven.

     89. En toen een Boek van Allah tot hen kwam, vervullend datgene,
     dat bij hen was, hoewel zij voordien om overwinning over de
     ongelovigen plachten te bidden, toen dat tot hen kwam, herkenden
     zij dat niet en verwierpen het. Gods vloek rust derhalve op de
     ongelovigen.

     90. Kwaad is datgene, waarvoor zij hun ziel hebben verkocht; daar
     zij verwerpen, hetgeen Allah heeft geopenbaard, er afkerig van
     zijnde, dat Allah Zijn genade doet dalen over diegenen Zijner
     dienaren, die Hij wil. Daardoor brachten zij toorn op toorn over
     zich en er is een vernederende kastijding voor de ongelovigen.

     91. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Gelooft in hetgeen Allah
     heeft geopenbaard," zeggen zij: "Wij geloven slechts in hetgeen ons
     is geopenbaard," maar zij verwerpen hetgeen daarna is geopenbaard,
     hoewel het de Waarheid is, vervullende wat zij reeds bezaten. Zeg
     hun "Waarom hebt gij dan de vroegere profeten van Allah gedood, als
     gij inderdaad gelovigen waart?"

     92. En Mozes kwam voorzeker tot u met duidelijke tekenen, maar gij
     hebt in zijn afwezigheid het (gouden) kalf genomen (om het te
     aanbidden) en gij waart onrechtvaardig.

     93. En toen Wij een verbond met U sloten en de berg (Sinaï) hoog
     boven u verhieven, zeggende: "Houdt stevig vast, hetgeen Wij u
     gegeven hebben en luistert," zeiden zij: "Wij horen, maar wij
     gehoorzamen niet"; hun hart was vervuld van het kalf, wegens hun
     ongeloof. Zeg: "Slecht is hetgeen uw geloof u oplegt, zo gij al
     enig geloof bezit".

     94. Zeg: "Indien het tehuis van het Hiernamaals, bij Allah alleen
     voor u is, met uitsluiting van andere mensen, wenst dan eer de
     dood, als gij te goeder trouw zijt".

     95. Maar zij zullen deze nooit wensen, wegens het werk hunner
     handen. En Allah kent de boosdoeners goed.

     96. Voorzeker, gij zult hen (Joden) het meest van alle mensen
     verlangend naar het leven vinden, zelfs meer dan de
     afgodendienaren. Ieder van hen wenst, dat hem een leven van duizend
     jaren geschonken moge worden, doch al ware hem zulk een lang leven
     vergund, dan zou het hem tegen de straf toch niet beschermen. Allah
     ziet hetgeen zij doen.

     97. Zeg: "Al wie een vijand van Gabriël is" - want waarlijk, hij
     openbaarde het op Allah's bevel aan uw hart, vervullende datgene,
     wat voordien kwam, een leidraad zijnde en een blijde mare voor de
     gelovlgen. -

     98. "Al wie een vijand is van Allah en Zijn engelen en Zijn
     boodschappers en Gabriël en Michaël, waarlijk, Allah is een vijand
     van zulke ongelovigen."

     99. En Wij hebben u voorzeker duidelijke tekenen gegeven en
     niemand, dan de overtreders, verwerpt ze.

     100. Hoe kwam dat? Telkens wanneer zij een verbond aangingen,
     schond een gedeelte hunner het. Neen, de meesten hunner geloven
     niet.

     101. En nu er een boodschapper van Allah tot hen is gekomen,
     vervullend wat zij reeds bezaten, heeft een gedeelte der mensen van
     het Boek, Allah's Boek achter zich geworpen, alsof zij het niet
     kenden.

     102. En zij volgen dezelfde weg, die de duivels volgden tegen de
     regering van Salomo - en Salomo was niet ongelovig, maar ongelovig
     waren de duivels en zij leerden de mensen leugen en bedrog. En (zij
     handelen naar) hetgeen aan de twee engelen, Haroet en Maroet te
     Babylon was geopenbaard. Maar deze beiden leerden niemand, voordat
     zij hadden gezegd: "Wij zijn slechts een beproeving; weest daarom
     niet ongelovig". Zo leren zij (de mensen) van hen datgene waarmede
     zij een geschil maken tussen een man en zijn vrouw, maar zij
     schaden er niemand mede, tenzij door Allah's bevel; maar dezen
     leren wat hen schaadt en geen goed doet, hoewel zij weten, dat hij,
     die in deze zaken handelt geen voordeel heeft in het Hiernamaals;
     slecht is hetgene waarvoor zij hun ziel hebben verkocht; hadden zij
     het slechts ingezien!

     103. Indien zij hadden geloofd en rechtvaardig gehandeld, zou een
     schonere beloning van Allah gewis hun deel zijn geweest, hadden zij
     het slechts geweten.

     104. O, gij die gelooft, zegt niet: "Raainaa", maar zegt:
     "Onzornaa" en luistert. Er is voor de ongelovigen een pijnlijke
     straf.

     105. Zij die niet geloven onder de mensen van het Boek, en de
     afgodendienaren, gunnen niet, dat iets goeds tot u nedergezonden
     wordt van uw Heer; maar Allah kiest voor Zijn barmhartigheid, wie
     Hij wil en Allah is de Heer van grote genade.

     106. Welk teken Wij ook opheffen of doen vergeten, daarvoor brengen
     Wij betere of daaraan gelijke. Weet gij niet, dat Allah macht heeft
     over alle dingen?

     107. Weet gij niet, dat het koninkrijk der hemelen en der aarde aan
     Allah behoort? En buiten Allah is er geen beschermer of helper Xoor
     u.

     108. Zoudt gij de boodschapper die tot u z werd gezonden, willen
     ondervragen, zoals - Mozes voorheen werd ondervraagd? Maar wie
     ongeloof in ruil neemt voor geloof, is voorzeker van het rechte pad
     afgedwaald.

     109. Velen van de mensen van het Boek, wensen, nadat gij gelovig
     geworden zijt, u uit afgunst weder tot ongelovigen te maken, nadat
     de Waarheid hun is duidelijk geworden. Maar vergeeft en weest
     toegefelijk totdat Allah Zijn gebod uitbrengt. Voorzeker, Allah
     heeft macht over alle dingen.

     110. En onderhoudt het gebed en betaalt de Za'kaat; het goede dat
     gij vooruit zendt voor uzelf, gij zult het bij Allah vinden.
     Voorzeker, Allah ziet al hetgeen gij doet.

     111. En zij zeggen: "Niemand, behalve de Joden en de Christenen,
     zal ooit de Eemel binnengaan." Dat zijn hun ijdele wensen. Zeg:
     "Toont uw bewijs, aJs gij waarachtig zijt".

     112. Neen, wie zich volledig aan Allah onderwerpt en goede daden
     verricht, zal zijn beloning bij zijn Heer hebben. Vrees noch
     droefheid zal over hem komen.

     113. De Joden zeggen: "De Christenen hebben geen ware grondslag en
     de Christenen zeggen: "De Joden hebben geen ware grondslag",
     terwijl zij beiden hetzelfde Boek lezen. Hetzelfde zeggen degenen,
     die geen kennis hebben. Maar Allah zal op de Dag der Opstanding
     uitspraak doen in hun geschil.

     114. En wie is onrechtvaardiger dan hij, die verbiedt, dat de naam
     van Allah wordt verheerlijkt in Allah's bedehuizen en deze tracht
     te vernietigen? Zij behoorden (de bedehuizen) slechts in vreze
     binnen te gaan. Er is schande over hen in deze wereld en er zal een
     grote straf voor hen zijn in het Hiernamaals.

     115. En aan Allah behoort het Oosten en het Westen; waarheen gij u
     ook wendt, daar zal het Aangezicht van Allah zijn. Zeker, Allah is
     Alomvattend, Alwetend.

     116. En zij zeggen: "Allah heeft Zich een zoon verwekt. Heilig is
     Hij. Neen, alles, wat in de hemelen en op aarde is, behoort Hem toe
     en alles gehoorzaamt Hem.

     117. Wondere Schepper van de hemelen en aarde. Wanneer Hij iets
     besluit, zegt Hij slechts: "Wees" en het wordt".

     118. En de onwetenden zeggen: "Waarom spreekt Allah niet tot ons,
     of, komt er geen teken tot ons?" Zo spraken ook degenen, die vóór
     hen waren. Hun harten zijn aan elkander gelijk. Wij hebben de
     tekenen voorzeker duidelijk gemaakt, voor een volk, dat standvastig
     gelooft.

     119. Voorzeker Wij hebben u als drager van blijde tijdingen en
     waarschuwer gezonden met de Waarheid. En gij zult niet
     verantwoordelijk worden gesteld voor de bewoners der hel.

     120. En de Joden en de Christenen zullen u nooit welgezind zijn,
     tenzij gij hun godsdienst belijdt. Zeg: "Voorzeker, Allah's leiding
     is de Merkelijke leiding". En, indien gij hun wensen volgt, nadat
     de kennis tot u is gekomen, zult gij aan Allah Vriend noch Helper
     hebben.

     121. Zij, wie Wij het Boek hebben gegeven, volgen het na, zoals het
     behoort te worden nagevolgd; dezen zijn het, die er in geloven. En
     die er niet in geloven, zullen de verliezers zijn.

     122. O, gij kinderen Israëls, gedenkt Mijn gunsten die Ik u bewees,
     dat Ik u boven die volkeren verhief.

     123. En vreest de Dag, waarop geen ziel een andere ziel van nut kan
     zijn, waarop geen losprijs van haar zal worden aanvaard, geen
     voorspraak haar zal baten, noch zullen zij worden geholpen.

     124. En toen Abrahams Heer hem met zekere opdrachten beproefde en
     Abraham deze vervulde, zeide Hij: "Ik zal u tot leider der mensen
     maken". Abraham vroeg: "En ook aran onder mijn nakomelingen?" Hij
     zeide: "Mijn verbond betreft de overtreders niet".

     125. En toen Wij het Huis tot een plaats van verzameling voor de
     mensheid en een toevluchtsoord maakten, zeggende: "Neemt de plaats
     van Abraham als een plaats voor gebed". En Wij geboden Abraham en
     Ismaël, zeggende: "Reinigt Mijn Huis voor degenen, die de ommegang
     verrichten en voor degenen, die er toegewijd in verblijven en voor
     degenen, die zich neder buigen en zich ter aarde werpen.

     126. En toen Abraham bad: "Mijn Heer, maak deze plaats toch tot een
     oord van vrede en geef vruchten aan haar bewoners, die aan Allah en
     de laatste dag geloven", zeide Hij: "Ik zal voor een korte tijd ook
     aan hem, die niet gelooft weldaden schenken, daarna zal Ik hem in
     het Vuur drijven: het is een slechte verblijfplaats".

     127. En toen Abraham en Ismaël de muren van het Huis optrokken,
     biddende: "Heer, aanvaard dit van ons, want Gij zijt de Alhorende,
     de Alwetende,

     128. Heer, maak ons beiden aan U onderdanig en maak van ons
     nageslacht een volk, dat U onderdanig zij. En toon ons onze wijzen
     van aanbidding en wend U met barmhartigheid tot ons, zeker, Gij
     zijt Berouwaanvaardend en Genadevol.

     129. Heer, doe onder hen een boodschapper opstaan, die hun Uw
     tekenen zal verkondigen en hun het Boek en de Wijsheid zal
     verklaren en hen zal louteren. Voorzeker, Gij zijt de Almachtige,
     de Alwijze.

     130. En wie zal zich van het geloof van Abraham afwenden, behalve
     hij, die dwaas tegen zichzelf handelt? Voorzeker, Wij hebben hem in
     deze wereld uitverkoren en in de volgende zal hij gewis onder de
     rechtvaardigen zijn.

     131. Toen zijn Heer tot hem zeide: "Onderwerp U", zeide hij: "Ik
     heb mij aan de Heer der Werelden onderworpen".

     132. En hetzelfde legde Abraham aan zijn zonen op en Jacob deed
     desgelijks, zeggende: "O mijn zonen, Allah heeft waarlijk dit
     geloof voor u verkozen, sterft daarom niet, tenzij gij Moslims
     zijt."

     133. Of waart gij aanwezig, toen de dood tot Jacob kwam en hij tot
     zijn zonen zeide: "Wat zult gij na mij aanbidden?" Zij antwoordden:
     "Wij zullen uw God aanbidden, de God uwer vaderen, Abraham, Ismaël
     en Izaäk, de enige God, aan Hem zijn wij onderworpen".

     134. Dit is een volk, dat is heengegaan: voor hen is, hetgeen zij
     verdienden en voor u is, hetgeen gij verdient en gij zult niet
     worden ondervraagd over hetgeen zij plachten te doen.

     135. En zij zeggen: "Weest Joden of Christenen, dan zult gij worden
     geleid". Zeg (hun): "Neen, maar (volg) de godsdienst van Abraham,
     de oprechte: hij behoorde niet tot de afgodendienaren".

     136. Zegt: "Wij geloven in Allah en in hetgeen ons is geopenbaard
     en in hetgeen tot Abraham, Ismaël, Izaäk, Jacob en de stammen werd
     nedergezonden en in hetgeen aan Mozes en Jezus werd gegeven en in
     hetgeen aan alle andere profeten werd gegeven door hun Heer. Wij
     maken geen onderscheid tussen hen en aan Hem onderwerpen wij ons.

     137. En indien zij geloven, zoals gij hebt geloofd, dan zijn zij
     juist geleid, maar indien zij zich afwenden, dan zijn zij in
     verzet; Allah zal u zeker voldoende zijn tegen hen, want Hij is de
     Alhorende, de Alwetende.

     138. Maakt Allah's kleur tot de uwe en wie is beter in kleur, dan
     Allah? Hem alleen aanbidden wij.

     139. Zeg: "Twist gij met ons omtrent Allah, terwijl Hij uw Heer en
     onze Heer is? En voor ons zijn onze werken en voor u uw werken. En
     Hem alleen zijn wij oprecht toegewijd.

     140. Zegt gij, dat Abraham en Ismaël en Izaäk en Jacob en de
     stammen Joden of Christenen waren? Zeg: "Weet gij het beter of
     Allah?" En wie is onrechtvaardiger, dan hij, die een getuigenis
     verbergt, die hij van Allah heeft? En Allah is niet onbekend met
     hetgeen gij doet.

     141. Dit is een volk, dat is heengegaan: voor hen is, hetgeen zij
     verdienden en voor u is, hetgeen gij verdient; en gij zult niet
     worden ondervraagd over hetgeen zij deden.

     142. De dwazen onder het volk zullen zeggen: "Wat heeft hen van hun
     Qiblah, die zij volgden, afgekeerd?" Zeg: "Aan Allah behoort het
     Oosten en het Westen. Hij leidt, wie Hij wil naar het rechte pad".

     143. En zo hebben Wij u tot een verheven volk gemaakt, opdat gij
     getuige zult zijn tegenover de mensen en de Gezant zij een getuige
     tegenover u. Wij bepaalden de Qiblah, die gij volgdet slechts,
     opdat Wij hem, die de gezant van Allah volgt, onderscheiden van
     degene die hem de rug toekeert. En dit is inderdaad zeer moeilijk,
     behalve voor hen, die Allah heeft geleid. En Allah zal u uw geloof
     niet doen verliezen; voorzeker, Allah is Liefderijk en Genadevol
     jegens de mensen.

     144. Waarlijk, Wij zien uw aangezicht zich naar de hemel wenden,
     daarom zullen Wij u tot beheerder maken van de Qiblah, die u
     behaagt. Wend daarom uw aanaangezicht naar de Heilige Moskee en
     waar gij ook moogt zijn, wendt uw aangezicht daarheen. En
     voorzeker, zij wie het Boek is gegeven, weten, dat dit de Waarheid
     is van hun Heer; Allah is niet achteloos ten aanzien van wat zij
     doen.

     145. Zelfs al bracht gij elk teken aan degenen aan wie het Boek is
     gegeven, zouden zij nooit uw Qiblah volgen, noch kunt gij hun
     Qiblah volgen, noch zijn er onder hen, die de Qiblah van anderen
     volgen. En indien gij aan hun wens zoudt voldoen, nadat kennis tot
     u is gekomen, zoudt gij zeker tot de onrechtvaardigen behoren.

     146. Degenen aan wie Wij het Boek hebben gegeven erkennen dit,
     zoals zij hun zonen erkennen, maar voorzeker, sommigen hunner
     verbergen de Waarheid tegen beter weten in.

     147. De Waarheid is van uw Heer, schaar u daarom niet onder hen die
     twijfelen.

     148. Iedereen heeft een richting, waarheen hij zich wendt,
     wedijvert daarom met elkander in goede werken. Waar gij ook zijt,
     Allah zal u allen tezamen brengen. Voorzeker, Allah heeft macht
     over alle dingen.

     149. Vanwaar gij ook komt, wend uw aangezicht naar de Heilige
     Moskee, want dat is inderdaad de Waarheid van uw Heer. En Allah is
     niet achteloos ten aanzien van hetgeen gij doet.

     150. Vanwaar gij ook komt, wend uw aangezicht naar de Heilige
     Moskee; waar gij ook zijt, wendt uw aangezicht daarheen, opdat de
     mensen, met uitzondering van de onrechtvaardigen geen bezwaar tegen
     u mogen aanvoeren - vreest hen dus niet, maar vreest Mij - en opdat
     Ik Mijn gunst aan u moge voltooien en opdat gij juist geleid moogt
     worden.

     151. Omdat Wij uit uw midden een boodschapper hebben gezonden, die
     u Onze tekenen verkondigt, u zuivert, u het Boek en de Wijsheid
     onderwijst en u leert, hetgeen gij niet wist.

     152. Gedenkt Mij daarom en Ik zal u gedenken en weest Mij dankbaar
     en weest Mij niet ondankbaar.

     153. O, gij die gelooft, zoekt hulp met geduld en gebed; voorzeker,
     Allah is met de geduldigen.

     154. En zegt niet van degenen, die voor Allah's zaak zijn gedood,
     dat zij dood zijn - neen, zij leven, maar gij bemerkt het niet.

     155. En Wij zullen u een weinig beproeven door vrees, honger,
     verlies van bezittingen, levens en vruchten; maar verkondig blijde
     tijdingen aan de geduldigen,

     156. Zij die, wanneer een rampspoed hen achterhaalt, zeggen:
     "Voorzeker, wij zijn van Allah en tot Hem zullen wij wederkeren".

     157. Dezen zijn het, op wie de zegeningen en de barmhartigheid van
     hun Heer rusten en dezen zijn het, die de rechte weg volgen.

     158. Voorzeker, Safaa en Marwah zijn onder de tekenen van Allah. Er
     rust derhalve op hem, die de Hadj (pelgrimstocht) doet, of (of
     soms) de Omrah verricht, geen blaam, indien hij om beiden (heen)
     loopt. En wie vrijwillig goed doet, voorzeker, Allah is Waarderend,
     Alwetend.

     159. Voorzeker, degenen, die hetgeen Wij aan tekenen en leiding
     hebben nedergezonden, verbergen, nadat Wij zein het Boek aan de
     mensen duidelijk hebben gemaakt, zijn het, die Allah vervloekt en
     zij die het recht hebben te vervloeken, vervloeken hen ook.

     160. Maar zij, die berouw hebben en zich beteren en (de Waarheid)
     verkondigen, dezen zijn het, tot wie Ik Mij met vergiffenis wend -
     Ik ben Berouwaanvaardend, Genadevol.

     161. Voorzeker, die verwerpen en als ongelovigen sterven, over hen
     zal de vloek komen van Allah en van de engelen en van alle mensen.

     162. Daarin zullen zij blijven. Hun straf zal niet worden verlicht,
     noch zal hun uitstel worden verleend.

     163. En uw God is één God, er is geen God buiten Hem, de
     Barmhartige, de Genadevolle.

     164. Voorwaar, in de schepping der hemelen en der aarde en in de
     wisseling van nacht en dag en in de schepen die de zee bevaren, met
     datgene wat de mensen tot voordeel strekt; en in het water dat
     Allah van de hemel nederzendt, waarmede Hij de aarde doet herleven
     na haar dood en daarop alle soorten dieren verspreidt, en in de
     verandering der winden, en in de wolken die tussen de hemel en de
     aarde in dienst zijn gesteld, zijn inderdaad tekenen voor een volk,
     dat begrijpt.

     165. Onder de mensen zijn er, die voorwerpen van aanbidding buiten
     Allah nemen en ze liefhebben, zoals zij Allah behoren lief te
     hebben. Maar zij die geloven zijn sterker in hun liefde voor Allah.
     En als zij die overtreden (nu) de tijd kunnen zien wanneer zij de
     straf zullen zien, (dan zouden zij beseffen) dat alle macht aan
     Allah toebehoort en dat Allah streng is in het straffen.

     166. Wanneer de leiders hun volgelingen zullen verzaken en de straf
     zullen bemerken en al hun banden zullen worden verbroken,

     167. Zullen de volgelingen zeggen: "Indien wij slechts terug konden
     keren, zouden wij hen verzaken, zoals zij ons hebben verzaakt". Zo
     zal Allah aan hen hun werken tonen tot wroeging en zij zullen het
     Vuur niet kunnen ontkomen.

     168. O gij mensen, eet van hetgeen geoorloofd en goed is op aarde
     en treedt niet in de voetstappen van Satan; voorzeker, hij is voor
     u een openlijke vijand.

     169. Hij gebiedt u alleen, wat kwaad en wat onrein is en dat gij
     over Allah zegt, wat gij niet weet.

     170. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Volgt hetgeen Allah heeft
     geopenbaard", zeggen zij: "Neen, wij zullen datgene volgen, wat wij
     onze vaderen zagen volgen". Zelfs al hadden hun vaderen in het
     geheel geen verstand en volgden zij ook de rechte weg niet?

     171. De ongelovigen gelijken op hem, die schreeuwt naar hetgeen
     niets hoort, het blijft een roep en een schreeuw. Zij zijn doof,
     stom en blind, zij begrijpen dus niet.

     172. O gij die gelooft, eet van de goede dingen, waarmede Wij u
     hebben voorzien en dankt Allah, indien gij Hem alleen aanbidt.

     173. Hij heeft u slechts het gestorvene, het bloed, het
     varkensvlees en datgene, waarover een andere naam, dan die van
     Allah is uitgeroepen, verboden. Maar hij, die gedwongen is en dit
     niet wenst en geen overtreder is, op hem rust geen zonde. Want
     Allah is Vergevensgezind, Genadevol.

     174. Voorzeker, zij, die datgene verbergen, wat Allah heeft
     geopenbaard, namelijk het Boek en het voor een geringe prijs
     verruilen, vullen hun buik met niets, dan Vuur. Allah zal op de Dag
     der Opstanding niet tot hen spreken, noch zal Hij hen rein achten.
     Er wacht hun een pijnlijke straf.

     175. Zij zijn het, die dwaling in ruil voor leiding hebben aanvaard
     en straf voor vergiffenis. Hoe groot is hun overmoed tegenover het
     Vuur!

     176. Dit komt, omdat Allah het Boek met de Waarheid heeft
     nedergezonden en voorzeker, zij, die tegen het Boek ingaan, zijn in
     verregaand verzet.

     177. Het is geen deugd, dat gij uw gezicht naar het Oosten of naar
     het Westen wendt, maar waarlijke deugd is in hem, die in Allah, de
     Laatste Dag, de engelen, het Boek en de profeten gelooft en die van
     zijn vermogen geeft uit liefde voor Hem aan de verwanten, de wezen,
     de armen, de reiziger, de bedelaars en voor het vrijkopen van
     slaven en die het gebed onderhoudt en de Zakaat betaalt; verder in
     degenen, die hun belofte nakomen, wanneer zij een belofte doen en
     de geduldigen in armoede, in kwellingen en in oorlogstijd; dezen
     zijn het, die bewezen hebben, waarachtig te zijn en dezen zijn
     vromen.

     178. O gij die gelooft, vergelding inzake doodslag is u
     voorgeschreven: de vrije man tegen de vrije man, de slaaf tegen de
     slaaf en de vrouw tegen de vrouw. Maar, indien iemand
     kwijtschelding is verleend door zijn broeder, dan moet de eis
     billijk zijn, en betaling moet hem worden gedaan met goedheid. Dit
     is verzachting en barmhartigheid van uw Heer. Wie daarna
     overtreedt, hem wacht een pijnlijke straf.

     179. En in vergelding is leven voor u, o mensen van begrip, zodat
     gij behouden zult worden.

     180. Het is u voorgeschreven, dat wanneer de dood tot één uwer
     komt, en hij een vermogen nalaat, hij een testament opmake voor
     ouders en naaste familieleden, billijkerwijze. Dit is een
     verplichting voor de godvruchtigen.

     181. En hij, die het vervalst nadat hij het heeft gehoord, de
     schuld er van zal gewis op hem rusten, die dat verandert. Waarlijk,
     Allah is Alhorend, Alwetend.

     182. Maar hij die vreest, dat degene, die het testament maakte,
     partijdig werd, of een fout heeft begaan, en die een schikking
     treft (tussen de belanghebbenden), die zal daarmede geen zonde
     begaan. Voorzeker, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.

     183. O, gij gelovigen, het vasten is u voorgeschreven, zoals het
     degenen die vóór u waren was voorgeschreven, opdat gij vroom zult
     zijn.

     184. Voor een zeker aantal dagen (zult gij vasten) maar wie onder u
     ziek is, of op reis, vaste een aantal andere dagen - er is een
     losprijs voor degenen, die niet kunnen vasten - het voeden van een
     arme. Maar hij, die vrijwillig goed doet, het zal beter voor hem
     zijn. Het vasten is goed voor u, indien gij het beseft.

     185. De maand Ramadaan is die, waarin de Koran als een richtsnoer
     voor de mensen werd nedergezonden en als duidelijke bewijzen van
     leiding en onderscheid. Wie onder u daarom deze maand beleeft, laat
     hem daarin vasten. Maar wie onder u ziek of op reis is, een aantal
     andere dagen. Allah wenst gemak voor u en geen ongemak, en opdat
     gij het aantal zult voltooien en opdat gij Allah's grootheid zult
     prijzen, omdat Hij u terecht heeft geleid en opdat gij dankbaar
     zult zijn.

     186. En wanneer Mijn dienaren u over Mij vragen, zeg dan: "Ik ben
     nabij. Ik verhoor het gebed van de smekeling, wanneer hij Mij
     aanroept." Daarom moeten zij naar Mij luisteren en in Mij geloven,
     opdat zij geleid zullen worden.

     187. Het is u veroorloofd, om op de nacht van het vasten tot uw
     vrouwen in te gaan. Zij zijn een gewaad voor u en gij zijt haar een
     gewaad. Allah weet, dat gij onrechtvaardig hebt gehandeld tegenover
     uzelf en heeft Zich met barmhartigheid tot u gewend en u
     verlichting geschonken. Daarom moogt gij nu tot haar ingaan en
     betrachten, hetgeen Allah u heeft verordend; en eet en drinkt,
     totdat bij de dageraad de witte draad zich onderscheidt van de
     zwarte draad. Voltooit dan het vasten tot het vallen van de avond.
     En verbreng uw tijd niet met uw vrouwen wanneer u in de Moskeeën
     ??? houdt. Dit zijn de beperkingen van Allah - dus nadert deze
     niet. Zo zet Allah zijn geboden uiteen voor de mensen, opdat zij
     vroom zullen zijn.

     188. En verteert uw rijkdommen niet onder elkander door valse
     middelen en brengt ze niet naar de rechters, opdat gij een deel der
     rijkdommen der mensen in zonde kunt verteren, tegen beter weten in.

     189. Zij vragen u betreffende de nieuwe manen. Zeg: "Zij zijn
     tijdsaanwijzingen voor de mensen en voor de bedevaart." Het is geen
     deugd, dat gij de huizen binnengaat aan de achterzijde: maar
     deugdzaamheid is in hem, die Allah vreest. Dus gaat de huizen door
     de deuren binnen en vreest, Allah, opdat gij zult slagen.

     190. En strijdt voor de zaak van Allah tegen degenen, die tegen u
     strijden, maar overschrijdt de grens niet. Voorzeker, Allah heeft
     de overtreders niet lief.

     191. En doodt hen, waar gij hen ook ontmoet en drijft hen uit,
     vanwaar zij u hebben uitgedreven; want vervolging is erger dan
     doden. En bevecht hen niet nabij de heilige Moskee, voordat zij u
     daarin bevechten. Maar indien zij u bevechten, bevecht hen dan - zo
     is de vergelding voor de ongelovigen.

     192. Maar als zij ophouden, dan is Allah zeker Vergevensgezind,
     Genadevol.

     193. En bestrijdt hen, totdat er geen vervolging meer is en de
     godsdienst alleen voor Allah wordt. Maar indien zij (met strijden)
     ophouden, dan is er geen vijandelijkheid meer toegestaan, behalve
     tegen de onrechtvaardigen.

     194. De heilige maand voor de heilige maand! Er is (een wet van)
     vergelding voor alle heilige dingen. Wie daarom agressief tegen u
     handelt, vergeldt hem naarmate hij tegen u heeft gedaan. En vreest
     Allah en weet, dat Allah met de godvruchtzgen is.

     195. En besteedt uw bezit voor de zaak van Allah en stort u niet
     met uw eigen handen in het verderf doch doet goed: voorzeker, Allah
     heeft hen lief, die goed doen.

     196. En voleindigt de Hadj (pilgrimstocht) en Omrah, ter wille van
     Allah, maar als gij verhinderd zijt, brengt dan het offer, dat
     gemakkelijk verkrijgbaar is en scheert uw hoofd niet, voordat het
     offer zijn bestemming heeft bereikt. En wie onder u ziek is of een
     kwaal in het hoofd heeft, moet een losprijs geven, óf door te
     vasten, óf door aalmoezen te geven, óf door een offer te brengen.
     En wanneer gij veilig zijt, moet hij die gebruik maakt van Omrah,
     tegelijk met de Hadj een offer brengen, dat gemakkelijk
     verkrijgbaar is. Maar degenen, die geen (offer) kunnen vinden,
     moeten drie dagen gedurende de bedevaart vasten en zeven dagen,
     wanneer (men) terugkeert; dit is tien dagen in het geheel. Dit is
     voor hem, wiens familie niet dicht bij de Heilige Moskee woont. En
     vreest Allah en weet, dat Allah streng is in het straffen.

     197. De maanden der bedevaart zijn bekend, dus, wie besluit ter
     bedevaart te gaan in deze maanden, bedenke, dat er geen onreine
     taal, noch enige overtreding, noch enige twist gedurende de
     bedevaart mag zijn. En wat gij ook aan goeds doet, Allah weet het.
     En rust u uit met het nodige, maar de beste uitrusting is
     godsvrucht. En vreest Mij alleen, o mensen van begrip.

     198. Het is voor u geen zonde, wanneer gij de overvloed van uw Heer
     zoekt. Maar, wanneer gij van (de berg ) Arafaat weggaat, gedenkt
     dan Allah te het Sacrale Monument en gedenkt Hem, omdat Hij u heeft
     geleid, terwijl gij voordien tot de dwalenden behoordet.

     199. Gaat dan voort, vanwaar het volk voortgaat en zoekt
     vergiffenis van Allah; Voorwaar, Allah is Vergevensgezind,
     Genadevol.

     200. En wanneer gij uw wijdingen hebt verricht, gedenkt dan Allah,
     zoals gij uw vaderen gedenkt en zelfs meer dan dat. En er zijn
     mensen, die zeggen: "Onze Heer, schenk ons (veel) in deze wereld",
     maar voor hen is er geen aandeel in het Hiernamaals.

     201. Sommigen hunner zeggen: "Onze Heer, schenk ons het goede in
     deze wereld, alsook in de komende wereld en bescherm ons voor de
     marteling van het Vuur."

     202. Voor dezen zal er een aandeel zijn wegens hetgeen zij hebben
     verdiend. En Allah is vlug in het verrekenen.

     203. En gedenkt Allah gedurende het vastgestelde aantal dagen, maar
     wie na twee dagen zich haast (om te vertrekken) het zal voor hem
     geen zonde zijn en wie achterblijft, ook voor hem zal het geen
     zonde zijn. Dit geldt voor hem, die God vreest. Vreest Allah en
     weet, dat gij voor Hem zult worden verzameld.

     204. En onder de mensen is iemand, wiens spreken over dit leven u
     zou behagen en hij stelt Allah tot getuige voor wat in zijn hart is
     en toch is hij de meest twistzieke.

     205. Wanneer hij gezag heeft, gaat hij in het land rond, om er
     wanorde te stichten en de oogst en het nageslacht (van de mens) te
     vernietigen, maar Allah houdt niet van wanorde.

     206. En wanneer er tegen hem wordt gezegd: "Vrees Allah", dan
     spoort de trots hem aan tot verdere zonde. Daarom is de hel goed
     genoeg voor hem en voorzeker, deze is een kwade rustplaats.

     207. En onder de mensen is iemand, die zich weggeeft, Allah's
     welbehagen zoekende; Allah is goedertieren jegens Zijn dienaren.

     208. O gij die gelooft, komt in volledige overgave en volgt de
     voetstappen van Satan niet; hij is voorzeker uw verklaarde vijand.

     209. Maar indien gij uitglijdt nadat de duidelijke tekenen tot u
     zijn gekomen, weet dan, dat Allah Almachtig, Alwijs is.

     210. Zij wachten op niets anders, dan dat Allah en de engelen in de
     schaduw der wolken tot hen komen en dat de zaak beslist wordt. En
     tot Allah worden alle dingen teruggebracht.

     211. Vraag de kinderen Israëls, hoeveel duidelijke tekenen Wij hun
     hebben gegeven. Maar hij die de gunst van Allah verandert, nadat
     zij tot hem is gekomen, (wete) dat Allah streng is in het straffen.

     212. Het leven dezer wereld is voor de ongelovigen schoonschijnend
     gemaakt en zij bespotten de gelovigen. Maar de godvrezenden zullen
     boven hen verheven zijn op de dag der opstanding: Allah schenkt
     Zijn gaven overvloedig aan wie Hij wil.

     213. De mensheid was één gemeenschap. Daarna verwekte Allah
     profeten als brengers van goede tijdingen en als waarschuwers en
     zond met hen het Boek neder, dat de waarheid bevatte, om onder de
     mensen te richten over datgene waarin zij verschilden. En niemand
     verschilde er over, dan degenen aan wie het (Boek) was gegeven,
     nadat duidelijke tekenen tot hen waren gekomen, - uit afgunst
     jegens elkander. Dan heeft Allah door Zijn gebod de gelovigen
     geleid betreffende de waarheid, waarover zij hot oneens waren; en
     Allah leidt naar het rechte pad, wie Hij wil.

     214. Denkt gij dat gij de Hemel zult binnengaan, terwijl cle
     toestand dergenen, die vóór u gingen, nog niet over u is gekomen?
     Armoede en tegenslagen kwamen over hen en zij werden hevig
     geschokt, totdat de boodschapper en de gelovigen met hem zeiden:
     "Wanneer komt Allah's hulp?" Ja, voorzeker, de hulp van Allah is
     nabij.

     215. Zij vragen u, wat zij moeten besteden. Zeg hun: "Welke rijkdom
     gij ook weggeeft, het moet zijn voor ouders, naaste verwanten,
     wezen, behoeftigen en reizigers. En welke weldaad gij ook doet -
     Allah weet het goed.

     216. Vechten is u geboden ofschoon gij er afkerig van zijt; maar
     het kan zijn, dat gij tegenzin hebt in iets terwijl het goed voor u
     is en het kan zijn, dat u iets behaagt terwijl het slecht voor u
     is. Allah weet het en gij weet het niet.

     217. Zij vragen u omtrent het vechten in de heilige maand. Zeg:
     "Het vechten hierin is een grote overtreding, maar de mensen van de
     weg van Allah af te houden en Hem ondankbaar te zijn en (de toegang
     tot) de Heilige Moskee (te verhinderen) en haar mensen er van te
     verdrijven, is bij Allah een grotere zonde; en vervolging is erger
     dan doden." En zij zullen niet ophouden, u te bevechten, totdat zij
     u van uw geloof hebben afgebracht, als zij kunnen. Maar wie onder u
     zich van zijn geloof afkeert en sterft als een ongelovige - diens
     werken zullen tevergeefs zijn in deze wereld en in de toekomende.
     Dezulken zijn de bewoners van het Vuur en zij zullen daarin
     verblijven.

     218. Zij, die geloven en zij die voor de zaak van Allah hun land
     verlaten en er voor ijveren, zijn het, die Allah's barmhartigheid
     verwachten en Allah is Vergevensgezind, Genadevol.

     219. Zij vragen u omtrent wijn en kansspel. Zeg hun: "In beide is
     groot nadeel en ook enig voordeel voor de mensen, maar het nadeel
     is groter dan het voordeel." En zij vragen u, wat zij moeten
     weggeven. Zeg hun: "Hetgeen gij kunt missen." Zo maakt Allah u Zijn
     geboden duidelijk, opdat gij over deze en de volgende wereld zult
     nadenken.

     220. En zij vragen u omtrent de wezen. Zeg hun: "De bevordering van
     hun welzijn is een goede daad. En als gij met hen omgaat zijn zij
     uw broeders. En Allah weet de kwaadstichters van de vredestichters
     te onderscheiden. En indien Allah het had gewild, zou Hij het u
     moeilijk hebben gemaakt. Voorzeker, Allah is Almachtig, Alwijs.

     221. En huwt geen afgodendienaressen voordat zij geloven; waarlijk
     een gelovige slavin is beter, dan een afgodendienares, ofschoon zij
     u moge behagen. En huwt haar (gelovige vrouwen) niet aan
     afgodendienaren uit, voordat zij geloven; waarlijk een gelovige
     slaaf is beter, dan een afgodendienaar, ofschoon hij u moge
     behagen. Zij noden tot het Vuur, maar Allah noodt u tot de Hemel en
     tot vergiffenis door Zijn gebod. En Hij maakt Zijn tekenen aan de
     mensen duidelijk, opdat zij lering zullen trekken.

     222. En zij vragen u omtrent de menstruatie. Zeg (hun): "Het is
     iets schadelijks, blijft dus gedurende de menstruatie van de
     vrouwen weg en gaat niet tot haar in, voordat zij hersteld zijn.
     Maar wanneer zij zich hebben gereinigd, gaat tot haar in, zoals
     Allah het u heeft bevolen. Allah bemint hen, die zich tot Hem
     wenden en zich rein houden.

     223. Uw vrouwen zijn een akker voor u - komt daarom tot uw akker,
     zoals het u behaagt en doet goed voor uzelf en vreest Allah en
     weet, dat gij Hem zult ontmoeten en geef goede tijdingen aan de
     gelovigen.

     224. En verschuilt u niet achter Allah met uw eden om u te
     onthouden van het goeddoen en het rechtvaardig handelen en het
     stichten van vrede tussen de mensen. Allah is Alhorend, Alwetend.

     225. Allah zal u niet ter verantwoording roepen voor uw ijdele
     eden, maar Hij zal u ter verantwoording roepen voor hetgeen uw hart
     heeft verdiend. Allah is Vergevensgezind, Verdraagzaam.

     226. Voor hen, die onthouding zweren jegens hun vrouwen is de
     wachtperiode vier maanden; als zij echter ervan terugkomen,
     voorzeker, dan is Allah Vergevensgezind, Genadevol.

     227. En indien zij besluiten tot echtscheiding voorzeker Allah is
     Alhorend, Alwetend.

     228. De gescheiden vrouwen moeten drie menstruatieperioden wachten;
     en het is haar niet geoorloofd, hetgeen Allah in haar baarmoeder
     heeft geschapen, te verbergen, indien zij in Allah en de laatste
     dag geloven; en haar echtgenoten hebben het recht, haar (intussen)
     terug te nemen, indien zij verzoening wensen. En vóór haar geldt
     hetzelfde als tegen haar, hetgeen billijk is, de mannen hebben
     voorrang boven haar, Allah is Machtig, Alwijs.

     229. Is de echtscheiding twee keer geschied, behoud haar dan op
     behoorlijke wijze of zend haar met vriendelijkheid weg. En het is u
     niet geoorloofd, iets te nemen van hetgeen gij haar hebt gegeven,
     tenzij beiden vrezen, Allah's bepalingen niet in acht te kunnen
     nemen. Indien gij (familieleden) vreest, dat zij Allah's bepalingen
     niet in acht kunnen nemen, dan zal er voor geen van hen beiden
     zonde zijn in hetgeen zij teruggeeft om daardoor vrij te worden.
     Dit zijn de door Allah voorgeschreven beperkingen, overschrijdt ze
     daarom niet; wie de door Allah voorgeschreven grenzen
     overschrijden, zijn overtreders.

     230. Indien hij van haar (ten derden male) scheidt, is zij voor hem
     niet meer geoorloofd, voordat ze een andere echtgenoot heeft gehuwd
     en indien deze van haar scheidt, zal het voor hen geen zonde zijn,
     tot elkander terug te keren, indien zij er van overtuigd zijn, dat
     zij de door Allah voorgeschreven beperkingen in acht zullen nemen.
     Dit zijn Allah's bepalingen, welke Hij aan de mensen, die kennis
     hebben duidelijk maakt.

     231. En wanneer gij van uw vrouwen scheidt en zij het einde van de
     haar voorgeschreven periode bereiken, behoudt haar dan op een
     behoorlijke manier, of zendt haar op een betamelijke manier weg,
     maar behoudt haar niet tot haar nadeel, waardoor gij de perken te
     buiten gaat. Wie zulks doet, doet gewis zijn eigen ziel onrecht. En
     drijft niet de spot met Allah's geboden en gedenkt Allah's gunst
     aan u en (gedenkt) het Boek en de wijsheid, die Hij u heeft
     nedergezonden, waarmede Hij u vermaant. En vreest Allah en weet,
     dat Allah de Kenner is van alle dingen.

     232. En wanneer gij van vrouwen scheidt en zij het einde van haar
     wachtperiode hebben bereikt, verhindert haar niet, haar
     (aanstaande) man te huwen, als zij met elkander op de gebruikelijke
     wijze tot overeenstemming zijn gekomen. Dit is een vermaning voor
     hem, die onder u in Allah en de laatste dag gelooft. Het is beter
     en reiner voor u; Allah weet en gij niet.

     233. Moeders (gescheiden vrouwen) zullen haar kinderen twee volle
     jaren zogen, dit is voor hen, die de zoogtijd wensen te voltooien.
     En op de vader rust de zorg voor voedsel en kleding voor haar
     volgens gebruik. Geen ziel wordt belast boven haar vermogen. De
     moeder zal geen leed worden aangedaan wegens haar kind, noch zal de
     vader leed worden aangedaan wegens zijn kind en hetzelfde geldt
     voor de erfgenaam. Als beiden besluiten, het kind te spenen door
     wederzijdse overeenkomst en overleg, rust er geen schuld op hen. En
     als gij verkiest, een min voor uw kinderen te nemen, zal er geen
     blaam op u rusten, mits gij hetgeen gij overeenkomt naar
     billijkheid betaalt. En vreest Allan en weet, dat Allah ziet, wat
     gij doet.

     234. En diegenen uwer, die sterven en vrouwen achterlaten, (hun
     vrouwen) moeten vier maanden en tien dagen wachten. Wanneer zij het
     einde der wachtperiode hebben bereikt, zal er op u geen zonde
     rusten voor hetgeen zij voor zichzelf op behoorlijke wijze doen;
     Allah weet, wat gij doet.

     235. En er zal geen schuld op u rusten, indien gii niet
     rechtstreeks spreekt over een huwelijksaanzoek aan die vrouwen, of
     indien gij dit in uw gedachten verborgen houdt. Allah weet, dat gij
     het haar zult zeggen. Maar belooft haar niets in het geheim tenzij
     gij op de goede wijze spreekt. En besluit niet tot de
     huwelijksband, voordat de voorgeschreven wachttijd ten einde is. En
     weet, dat Allah weet, wat in uw gedachten is en vreest derhalve
     voor Hem en weet, dat Allah Vergevensgezind, Verdraagzaam is.

     236. Het zal voor u geen zonde zijn, indien gij van uw vrouw
     scheidt, voordat gij haar hebt benaderd of voor haar een
     bruidsschat hebt vastgesteld. Maar maakt een voorziening voor haar,
     de rijke naar zijn middelen en de arme naar zijn middelen, een
     gebruikelijke voorziening - dit is een verplichting voor de
     deugdzamen.

     237. En indien gij van haar scheidt, voor gij haar hebt benaderd
     maar haar een bruidsschat hebt toegekend, (geeft) dan de helft van
     hetgeen gij hebt vastgesteld, tenzij zij het u kwijtschelden, of
     degene, die de huwelijksband in handen heeft het u zou
     kwijtschelden. En, indien gij kwijtscheldt is dit dichter bij de
     godsvrucht. En vergeet niet, elkander goed te doen. Voorzeker,
     Allah ziet, wat gij doet.

     238. Waakt over uw gebeden en het tussengebed en stelt u ootmoedig
     voor Allah.

     239. Als gij in gevaar verkeert, bidt dan lopende of rijdende, maar
     wanneer gij veilig zijt, gedenkt dan Allah, zoals Hij u heeft
     geleerd, wat gij niet wist.

     240. En degenen uwer, die wanneer zij sterven vrouwen achterlaten,
     moeten voor hun vrouwen een testament maken voor hun
     levensonderhoud gedurende één jaar, zonder dat zij worden uitgezet.
     Doch indien zij weggaan zal er geen schuld op u rusten, wegens
     datgene, wat zij omtrent zichzelf op behoorlijke wijze doen. En
     Allah is Almachtig, Alwijs.

     241. En er moet voor de gescheiden vrouwen een billijke voorziening
     zijn, dit is een verplichting voor de godvruchtigen.

     242. Zo zet Allah Zijn geboden uiteen, opdat gij zult begrijpen.

     243. Weet gij niet van degenen, die uit angst voor de dood hun
     huizen verlieten - het waren er duizenden. Allah zeide tot hen:
     "Sterft" en dan schonk Hij hun leven. Voorzeker, Allah is genadig
     jegens de mensen, maar de meeste mensen zijn ondankbaar.

     244. Strijdt voor de zaak van Allah en weet, dat Allah Alhorend,
     Alwetend is.

     245. Wie aan Allah het goede deel afstaat, Hij zal het voor hem
     vele malen vermenigvuldigen en Allah vermindert en vermeerdert en
     tot Hem zult gij worden teruggebracht.

     246. Weet gij niet van de leiders der kinderen Israëls na Mozes,
     toen zij tot één hunner profeten zeiden: "Stel ons een koning aan,
     opdat wij ter wille van Allah kunnen strijden." Hij zeide: "Is het
     niet waarschijnlijk, dat gij niet zult willen vechten, wanneer het
     u wordt voorgeschreven?" Zij zeiden: "Welke reden hebben wij om ons
     van het vechten voor Allah's zaak te willen onthouden, wanneer wij
     van onze huizen en onze kinderen zijn verdreven?" Maar, toen het
     vechten hun werd bevolen, wendden zij zich af, met uitzondering van
     een klein aantal hunner; Allah kent de overtreders goed.

     247. En hun profeet zeide tot hen: "Waarlijk, Allah heeft Taloet
     (Saul) als koning over u aangesteld." Zij zeiden: "Hoe kan hij over
     ons regeren, terwijl wij meer recht op heerschappij hebben dan hij
     en hem geen overvloed van rijkdommen is gegeven?" Hij zeide:
     "Voorzeker, Allah heeft hem boven u gekozen en heeft hem
     overvloedig toegerust met kennis en kracht." En Allah geeft Zijn
     heerschappij aan wie Hij wil en Allah is Milddadig, Alwetend.

     248. En hun profeet zeide tot hen: "Het teken van zijn heerschappij
     is, dat u een hart zal worden gegeven, waarin de kalmte van uw Heer
     zal zijn, het beste van de nalatenschap der volgelingen van Mozes
     en der volgelingen van Aäron, (een hart) door de engelen gebracht.
     Voorzeker, hierin is voor u een teken, als gij gelovigen zijt."

     249. En toen Taloet met de strijdkrachten uitrukte, zeide hij:
     "Voorzeker, Allah zal u door een stroom beproeven: dus hij die er
     van drinkt, is niet met mij, behalve wanneer hij maar een handvol
     neemt, en hij die er niets van neemt, is zeker met mij." Maar
     behoudens enigen hunner dronken zij er van. En toen zij de rivier
     overstaken, hij en de gelovigen met hem - zeiden zij: "Wij hebben
     vandaag geen macht over Djaloet (Goliath) en zijn strijdkrachten."
     Maar zij, die er zeker van waren, dat zij Allah zouden ontmoeten,
     zeiden: "Hoevele kleine groepen hebben niet onder Allah's bevel
     over een grote groep gezegevierd." En Allah is met de geduldigen.

     250. En toen zij uitgingen om Djaloet en zijn strijdkrachten te
     ontmoeten, zeiden zij: "Onze Heer, stort geduld over ons uit en
     maak onze voetstappen vast en help ons tegen het ongelovige volk!"

     251. Zo versloegen zij hen door het gebod van Allah en David doodde
     Djaloet en Allah gaf hem heerschappij en wijsheid en onderwees hem,
     hetgeen Hij wilde. Had Allah sommige mensen niet door anderen laten
     terugdrijven, dan zou de aarde verdorven zijn. Maar Allah is
     genadig jegens de werelden.

     252. Dit zijn de tekenen van Allah. Wij dragen ze u voor naar
     waarheid. Voorzeker, gij zijt één der boodschappers.

     253. Van deze boodschappers hebbell wij sommigen boven anderen
     verheven; tot sommigen hunner sprak Allah en sommigen hunner
     verhief Hij in rang. En Wij gaven Jezus, zoon van Maria duidelijke
     tekenen en versterkten hem met de geest der heiligheid. En indien
     Allah wilde, zouden zij, die na hem kwamen, elkander niet hebben
     bestreden, nadat de duidelijke tekenen tot hen waren gekomen, maar
     zij twistten, daar sommigen hunner geloofden en anderen verwierpen.
     En indien Allah wilde, zouden zij elkander niet hebben bestreden,
     maar Allah doet, wat Hij wil.

     254. O, gij die gelooft, geeft van hetgeen Wij u hebben geschonken,
     voordat de dag komt, waarop noch handel, noch vriendschap, noch
     voorspraak zal zijn; en de ongelovigen zijn de onrechtvaardigen.

     255. Allah! Er is geen God dan Hij, de Levende, de Zelfbestaande.
     Sluimer, noch slaap overmant Hem. Al wat in de hemelen en wat op
     aarde is, behoort Hem. Wie kan bij Hem bemiddelen zonder Zijn
     verlof? Hij kent hetgeen voor hen is en wat achter hen is en zij
     kunnen niets van Zijn kennis omvatten, dan wat Hij wil. Zijn troon
     strekt zich uit over hemelen en aarde en het waken over beide
     vermoeit Hem niet; Hij is de Verhevene, de Grote.

     256. Er is geen dwang in de godsdienst. Voorzeker, het juiste pad
     is van dwaling onderscheiden; derhalve, hij die de duivel
     verloochent en in Allah gelooft, heeft een sterk houvast gegrepen,
     dat onbreekbaar is. Allah is Alhorend, Alwetend.

     257. Allah is de Vriend dergenen, die geloven; Hij brengt hen uit
     de duisternis tot het licht. Maar de vrienden der ongelovigen zijn
     de duivelen, zij brengen hen uit het licht in de duisternis; dezen
     zijn de bewoners van het vuur, daarin zullen zij wonen.

     258. Hebt gij niet vernomen van hem, die met Abraham over zijn Heer
     redetwistte, omdat Allah hem het koninkrijk had gegeven? Toen
     Abraham zeide: "Mijn Heer is Hij, die het leven geeft en doet
     sterven", zeide hij: "Ik geef leven en doe sterven." Abraham zeide:
     "Nu, Allah doet de zon van het Oosten opgaan, doet gij haar van het
     Westen opgaan." Daarop verstomde de ongelovige in verbazing. En
     Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.

     259. Of, gelijk degene, die langs een stad komende, welke was
     ingestort, uitriep: "Hoe zal Allah haar doen herleven na haar
     vernietiging?" Toen deed Allah hem sterven voor honderd jaren;
     daarna wekte Hij hem op en zeide: "Hoelang zijt gij hier reeds?"
     Hij antwoordde: "Ik ben een dag, of een gedeelte van een dag
     gebleven." Hij zeide: "Neen, gij zijt honderd jaren gebleven. Kijk
     nu naar uw voedsel en uw drank; zij zijn niet bedorven. En kijk
     naar uw ezel; (dit is) opdat Wij u tot een teken voor de mensen
     maken. En kijk naar de beenderen, hoe Wij ze in elkaar zetten en ze
     daarna met vlees bekleden." En toen hem dit duidelijk werd zeide
     hij: "Ik weet, dat Allah macht heeft over alle dingen."

     260. En toen Abraham zeide: "Mijn Heer, toon mij, hoe Gij de doden
     tot leven opwekt." Hij zeide: "Gelooft gij dan niet?" Hij zeide:
     "Ja, maar opdat mijn hart rustig zij." Hij antwoordde: "Neem vier
     vogels en maak ze aan u gehecht. Zet dan ieder hunner op een
     heuvel; roep hen dan; ze zullen haastig tot u komen. En weet, dat
     Allah Almachtig, Alwijs is.

     261. De gelijkenis van degenen, die hun rijkdommen voor de zaak van
     Allah besteden, is als de gelijkenis van een graankorrel, die zeven
     aren voortbrengt, in elke aar honderd korrels. Allah vermeerdert
     voor wie Hij wil; Allah is Alomvattend, Alwetend.

     262. Zij, die hun rijkdommen ter wille van Allah besteden, en het
     besteden niet doen volgen door (anderen) te verwijten of te
     krenken, voor hen is er beloning bij hun Heer en zij zullen geen
     vrees hebben, noch zullen zij treuren.

     263. Een vriendelijk woord en vergiffenis schenken is beter, dan
     liefdadigheid, gevolgd door krenking. En Allah is Zichzelf genoeg,
     Verdraagzaam.

     264. O, gij die gelooft, maakt uw aalmoezen niet waardeloos door
     verwijt of krenking, zoals hij, die zijn rijkdommen weggeeft, om op
     te vallen bij de mensen en hij gelooft niet in Allah en de laatste
     dag. Hij is als een gladde rots, die met aarde is bedekt, waarop
     een stortregen valt, welke haar kaal achterlaat. Zij hebben geen
     macht over wat zij verdienen. En Allah leidt het ongelovige volk
     niet.

     265. En de gelijkenis van degenen, die hun rijkdommen weggeven,
     Allah's welbehagen zoekende en hun ziel versterkende, is als een
     tuin op hooggelegen grond, die bij regen tweevoudig vruchten
     voortbrengt. En als er geen regen op valt, dan is dauw voldoende.
     Allah ziet, wat gij doet.

     266. Zou iemand uwer wensen dat er voor hem een tuin was met
     palmbomen en wijnstokken waardoor beken vloeien en waarin voor hem
     allerlei vruchten groeien, terwijl hij oud is en een zwak
     nakomelingschap heeft, en dat hem (de tuin) een vurige wervelwind
     treft en hem verschroeit? Zo zet Allah u Zijn woorden uiteen, op
     dat gij tot nadenken zult komen.

     267. O, gij die gelooft, geeft van de goede dingen weg, die gij
     hebt verdiend en van hetgeen Wij voor u uit de aarde voortbrengen
     en zoekt niet hetgeen slecht is, om er van weg te geven, wanneer
     gij het zelf niet zoudt nemen, tenzij oogluikend; en weet, dat
     Allah Zichzelf-genoeg, Geprezen is.

     268. Satan dreigt u met armoede en gelast u hetgeen slecht is,
     terwijl Allah uit Zichzelf u vergiffenis en overvloed belooft; en
     Allah is Overvloedig-gevend, Alwetend.

     269. Hij schenkt wijsheid aan wie Hij wil en wie wijsheid is
     geschonken is inderdaad overvloedig begiftigd en niemand trekt er
     lering uit, behalve zij, die begrip hebben.

     270. En alles wat gij geeft en elke gelofte, die gij aflegt,
     voorzeker Allah weet het; er is geen hulp voor de onrechtvaardigen.

     271. Als gij openlijk aalmoezen geeft is het goed, maar als gij dit
     in stilte doet en aan de armen geeft is het beter voor u en Hij zal
     de fouten van u wegnemen. En Allah weet, wat gij doet.

     272. Hen te leiden is niet uw plicht, maar Allah leidt wie Hij wil.
     En welke rijkdommen gij ook weggeeft, het komt u ten goede en gij
     geeft alleen om Allah's welbehagen te zoeken. En welke rijkdommen
     gij ook besteedt, het zal u ten volle worden terugbetaald en u zal
     geen onrecht worden aangedaan.

     273. (Aalmoezen zijn) voor de armen, die gebonden zijn (door hun
     dienst) aan Allah, en in het land niet kunnen rondtrekken. De
     onwetende beschouwt hen als rijken wegens hun hescheidenheid. Gij
     zult hen aan hun tekenen herkennen, daar zij niet op een
     opdringerige wijze bij de mensen vragen. En welke rijkdommen gij
     ook besteedt, voorzeker, Allah weet het goed.

     274. Zij, die hun rijkdommen nacht en dag, heimelijk of openlijk
     weggeven, ontvangen hun beloning van hun Heer; zij zullen niet
     vrezen, noch zullen zij treuren.

     275. Degenen, die woekerwinst maken, verrijzen zoals iemand, die
     door Satan met krankzinnigheid is geslagen. Dat komt, omdat zij
     zeggen: "Handel is gelijk aan rente", terwijl Allah de heeft wettig
     en de rente onwettig heeft verklaard. Die daarom een vermaning van
     zijn Heer krijgt en er mee ophoudt, hem zal toebehoren, hetgeen hij
     vroeger heeft ontvangen en zijn zaak is bij Allah. En zij, die
     terugvallen, zij zijn de mensen van het Vuur, daarin zullen zij
     vertoeven.

     276. Allah schaft de rente af en doet de weldadigheid toenemen. En
     Allah heeft niet lief alle ondankbaren en zondaren.

     277. Voorzeker, zij die geloven en goede daden doen en het gebed
     houden en de Zakaat betalen, hun beloning is bij hun Heer en voor
     hen is geen vrees, noch zullen zij treuren.

     278. O, gij die gelooft, vreest Allah en doet afstand van de rest
     van de rente, als gij gelovigen zijt.

     279. Maar indien gij dit niet doet, bereidt u dan ten oorlog met
     Allah en Zijn boodschapper; indien gij berouw hebt is voor u het
     oorspronkelijke kapitaal: zo zult gij geen onrecht doen, noch zal u
     onrecht worden aangedaan.

     280. En indien iemand in verlegenheid is, laat er dan uitstel zijn
     tot het hem past. En wanneer gij kwijtscheldt is het beter voor u;
     wist gij het slechts.

     281. En vreest de dag, waarop gij tot Allah zult worden
     teruggebracht; dan zal aan elke ziel ten volle worden betaald
     hetgeen zij heeft verdiend; en onrecht zal hen niet worden
     aangedaan.

     282. O, gij die gelooft, wanneer gij van elkander leent voor een
     vastgestelde periode, schrijft het dan op. Laat een schrijver het
     naar waarheid in uw bijzijn optekenen en geen schrijver moet
     weigeren, te schrijven, zoals Allah hem heeft onderwezen; laat hem
     daarom schrijven en laat de schuldenaar dicteren en hij moet Allah,
     zijn Heer vrezen en niets daaraan afdoen. Maar, indien de
     schuldenaar weinig verstand heeft, of zwak is, of zelf niet kan
     dicteren, laat dan zijn zaakwaarnemer eerlijk dicteren. En roept
     van onder uw mannen twee getuigen en als er geen twee mannen zijn,
     dan één man en twee vrouwen van degenen, die u als getuigen
     aanstaan, zodat, wanneer één der twee vrouwen zich zou vergissen,
     de ene de andere indachtig moge maken. En de getuigen mogen niet
     weigeren, wanneer zij worden gedaagd. En wordt het schrijven niet
     moe, of het weinig of veel zij, betreffende de vervaltijd. Dit is
     in Allah's ogen eerder rechtvaardig, het maakt het getuigenis
     zekerder en weerhoudt u van twijfel. Maar wanneer het contante
     handel is, die gij onderling drijft, zal het geen blaam voor u
     zijn, als gij het niet neerschrijft. En hebt getuigen, wanneer gij
     aan elkander verkoopt en de schrijver en de getuigen mag geen leed
     worden aangedaan. En indien gij zulks doet, zal het zeker
     overtreding van u zijn. Vreest Allah. Allah schenkt u kennis en
     Allah weet alle dingen goed.

     283. En indien gij op reis zijt en geen schrijver vindt, laat er
     dan een onderpand voor worden gegeven. En indien één uwer de ander
     iets toevertrouwt, laat dan degene aan wie het toevertrouwd is, het
     toevertrouwde teruggeven en laat hem Allah zijn Heer vrezen.
     Verbergt geen getuigenis; en wie dat wel doet diens hart is zeker
     zondig en Allah weet goed, wat gij doet.

     284. Aan Allah behoort wat in de hemelen en wat op de aarde is; en
     indien gij openbaart hetgeen in uw innerlijk is of het verborgen
     houdt, Allah zal u er rekenschap voor vragen; dan zal Hij vergeven
     wie Hij wil en straffen, wie Hij wil. Allah heeft macht over alle
     dingen.

     285. Deze boodschapper gelooft in hetgeen hem van zijn Heer is
     geopenbaard en ook de gelovigen, allen geloven in Allah, Zijn
     engelen, Zijn boeken en Zijn boodschappers, zeggende: "Wij maken
     geen verschil tussen Zijn boodschappers"; en zij zeggen: "Wij
     hebben gehoord en gehoorzaamd, Heer, wij vragen U vergiffenis en
     tot U is (onze) terugkeer."

     286. Allah belast geen ziel boven haar vermogen. Voor haar is wat
     zij verdient en tegen haar is ook wat zij verdient. "Onze Heer,
     straf ons niet als wij vergeten of een fout hebben begaan, Heer, en
     belast ons niet, zoals Gij degenen, die vóór ons waren hebt belast;
     onze Heer belast ons niet met datgene, waarvoor wij de kracht niet
     hebben (het te dragen), wis onze fouten uit en schenk ons
     vergiffenis en wees ons barmhartig; Gij zijt onze Meester, help ons
     daarom tegen het ongelovige volk."


     -------------------------------------------------------------------
     -----

     3. Het Huis van Imraan (Al-Imraan)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard nà de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 200 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. Alif Laam Miem.

     2. Allah! Er is geen God, dan Hij, de Levende, de Zelfbestaande.

     3. Hij heeft u het Boek met de waarheid nedergezonden, vervullende,
     hetgeen er aan voorafgaat en Hij zond voordien de Torah en het
     Evangelie als leiding voor het volk en Hij heeft het Verschil
     geopenbaard.

     4. Voorzeker, zij, die de tekenen van Allah verwerpen, zullen een
     strenge straf ontvangen; Allah is machtig, de Heer der Vergelding.

     5. Voorzeker, er is niets op aarde of in de hemelen voor Allah
     verborgern.

     6. Hij is het, Die u in de baarmoeder vormt zoals Hij wil; er is
     geen God dan Hij, de Almachtige, de Alwijze.

     7. Hij is het, Die u het Boek heeft nedergezonden; er zijn verzen
     in, die onoverdrachtelijk zijn, zij vormen de grondslag van het
     Boek, en er zijn andere (verzen), die zinnebeeldig zijn. Maar
     degenen in wier hart dwaling is, volgen die, welke zinnebeeldig
     (bedoeld) zijn en zoeken tweedracht en de verkeerde uitleg. En
     niemand kent de juiste uitleg dan Allah en degenen, die vast
     gegrondvest zijn in kennis, die zeggen: "Wij geloven er in; het
     geheel is van onze Heer"; en niemand trekt er lering uit, dan zij,
     die begrip hebben.

     8. "Onze Heer, laat ons hart niet afdwalen nadat Gij ons hebt
     geleid en schenk ons Uw barmhartigheid; waarlijk, Gij zijt de
     Milddadige.

     9. Onze Heer, Gij zijt het, Die de mensen zal verzamelen op de Dag,
     waaraan geen twijfel is; voorzeker, Allah breekt de belofte niet."

     10. Voorzeker zullen de bezittingen en kinderen der ongelovigen hun
     tegen Allah in het geheel niet baten: dezen zullen brandstof voor
     het Vuur zijn,

     11. Op de wijze van Pharao's volk en degenen, die vóór hen waren.
     Zij verloochenden Onze tekenen, dus strafte Allah hen voor hun
     zonden; Allah is streng in het straffen.

     12. Zeg tot de ongelovigen: "Gij zult worden terneergeslagen en in
     de hel worden verzameld, dit is een kwade rustplaats.

     13. Voorzeker was er voor u een teken in de twee legers die
     elkander ontmoetten, het ene leger vechtend voor de zaak van Allah
     en het andere ongelovig, dezen zagen de anderen voor hun eigen ogen
     dubbel zo talrijk als zijzelf. En Allah versterkt met Zijn hulp,
     wie Hij wil. Daarin is zeker een les voor hen, die ogen hebben.

     14. Voor de mensen is de liefde tot begeerten schoonschijnend
     gemaakt, vrouwen, kinderen, stapels goud en zilver, raspaarden, vee
     en akkers. Dat is de voorziening van het leven dezer wereld, maar
     Allah is het, bij Wie het juiste einddoel ligt.

     15. Zeg: "Zal ik u over iets beters inlichten dan over dit alles?"
     Voor degenen, die God vrezen, zijn er tuinen bij hun Heer, waar
     doorheen rivieren stromen; daar zullen zij vertoeven en voor hen
     zijn reine metgezellen, alsmede Allah's welbehagen. En Allah ziet
     Zijn dienaren.

     16. Hen die zeggen: "Onze Heer, voorzeker hebben wij geloofd,
     vergeef ons daarom onze zonden en red ons van de straf van het
     Vuur."

     17. En de geduldigen, de waarachtigen, de gehoorzamen en zij die
     wel doen en zij die vergiffenis vragen in de morgenstond.

     18. Allah getuigt, dat er geen God is dan Hij en de engelen en
     degenen, die kennis bezitten, getuigen dit eveneens, handhavende de
     rechtvaardigheid: er is geen God dan Hij, de Almachtige, de
     Alwijze.

     19. Gewis, de ware godsdienst voor Allah is de Islam. En degenen,
     aan wie het Boek was gegeven, verschilden eerst onderling uit
     afgunst, nadat kennis tot hen was gekomen. En wie de tekenen van
     Allah verwerpt, (wete) dat Allah vlug is in het verrekenen.

     20. En zeg wanneer zij met u redetwisten: "Ik, en degenen die mij
     volgen hebben zich aan Allah onderworpen." En zeg tot degenen aan
     wie het Boek is gegeven en tot de onwetenden: "Hebt gij u
     onderworpen?" Als zij zich onderwerpen, dan zijn zij op de rechte
     weg, maar indien zij zich afwenden, dan is uw plicht slechts de
     duidelijke verkondiging ervan; en Allah ziet zijn dienaren.

     21. Voorzeker, degenen, die de tekenen van Allah verwerpen en de
     profeten ten onrechte doden en ook trachten de mensen te doden
     welke tot rechtvaardigheid aanmanen, verkondig hun een pijnlijke
     straf.

     22. Dezen zijn het wier daden in deze wereld en voor het
     Hiernamaals verloren zijn gegaan; er zal geen hulp zijn voor hen.

     23. Kent gij niet degenen, aan wie een gedeelte van het Boek werd
     gegeven? Zij worden tot het Boek van Allah geroepen, opdat het
     onder hen rechter zij; dan wendt zich een gedeelte hunner af
     terwijl zij afkerig zijn.

     24. Dat komt, doordat zij zeggen: "Het Vuur zal ons slechts voor
     een luttel aantal dagen deren." En wat zij plachten te verzinnen,
     heeft hen in hun godsdienst bedrogen.

     25. Hoe zal het dan zijn, wanneer Wij hen verzamelen op de Dag,
     waarover geen twijfel bestaat en waarop elke ziel voor hetgeen zij
     verdient ten volle zal worden betaald en hun geen onrecht zal
     worden aangedaan.

     26. Zeg: "O, Allah, Heer van het Koninkrijk, Gij geeft heerschappij
     aan wie Gij wilt en neemt terug van wie Gij wilt. Gij verheft, wie
     Gij wilt en vernedert, wie Gij wilt. Slechts in Uw hand is het
     goede. En Gij hebt macht over alle dingen.

     27. Gij doet de nacht in de dag overgaan en de dag in de nacht. En
     Gij brengt het levende uit het dode voort en Gij brengt het dode
     uit het levende voort. En Gij geeft onbeperkt aan wie Gij wilt."

     28. Laat de gelovigen geen ongelovigen als vrienden verkiezen boven
     de gelovigen - en wie dat doet heeft geen deel aan Allah, tenzij
     gij u zorgvuldig voor hen hoedt. En Allah waarschuwt u voor Hemzelf
     en tot Allah zullen allen wederkeren.

     29. Zeg: "Of gij dat wat in uw hart is verbergt of onthult, Allah
     weet het en Hij weet wat in de hemelen en op aarde is. Allah heeft
     de macht over alle dingen.

     30. (Gedenkt) de Dag, waarop iedere ziel zich geplaatst zal vinden
     tegenover het goede dat zij heeft verricht en het kwade dat zij
     heeft gedaan, dan zal zij wensen dat er een grote afstand ware
     tussen haar en het kwade. En Allah waarschuwt u voor Hemzelf. En
     Allah is liefderijk jegens Zijn dienaren.

     31. Zeg: "Indien gij Allah liefhebt, volgt mij, Allah zal u
     liefhebben en uw zonden vergeven. Allah is Vergevensgezind,
     Genadig."

     32. Zeg: "Gehoorzaamt Allah en de boodschapper", maar als zij zich
     afwenden, dan heeft Allah de ongelovigen niet lief.

     33. Allah verkoos Adam en Noach en de nakomelingen van Abraham en
     de nakomelingen van Imraan boven de volkeren.

     34. Afstammelingen, de een van de ander. En Allah is Alhorend,
     Alwetend.

     35. Toen de vrouw van Imraan zeide: "Ik draag aan U op wat in mijn
     baarmoeder is, dat het vrij zal zijn (om U te dienen), aanvaard het
     van mij, Gij zijt gewis Alhorend, Alwetend."

     36. Maar, toen zij er van verlost was, zeide zij: "Mijn Heer, ik
     ben verlost van een meisje." - Allah wist het beste wat zij
     voortbracht. "En de man is niet gelijk aan de vrouw. En ik heb haar
     Maria genoemd en ik stel haar en haar nageslacht onder Uw
     bescherming tegen Satan, de verworpene."

     37. Daarom nam haar Heer haar (Maria) met welbehagen aan en deed
     haar goed opgroeien en vertrouwde haar aan Zacharia toe. Telkens,
     wanneer Zacharia bij haar in de kamer ging, vond hij voedsel bij
     haar. Hij zeide: "O, Maria, waar hebt gij dit vandaan?" Zij
     antwoordde: "Het komt van Allah." Voorzeker, Allah geeft volop aan
     wie Hij wil.

     38. Toen bad Zacharia tot zijn Heer: "Mijn Heer geef mij een rein
     nageslacht; voorzeker, Gij verhoort het gebed."

     39. En de engelen riepen tot hem, terwijl hij in de kamer stond te
     bidden: "Allah geeft u de blijde tijding over Johannes, die Allah's
     woord zal vervullen - en hij zal edel, kuis en een profeet onder de
     rechtvaardigen zijn.

     40. Hij zeide: "Heer, hoe zal er een zoon voor mij zijn, waar
     ouderdom al over mij gekomen en mijn vrouw onvruchtbaar is?" Hij
     antwoordde: "Zo doet Allah, wat Hij wil."

     41. Hij zeide: "Heer, geef mij een teken." Hij antwoordde: "Uw
     teken zal zijn, dat gij drie dagen slechts door gebaar tot de
     mensen zult spreken. Gedenk uw Heer vaak en verheerlijk Hem 's
     avonds en 's morgens."

     42. Toen zeiden de engelen: "O, Maria, Allah heeft u uitverkoren en
     u gereinigd en u boven de vrouwen aller vollkeren uitverkoren."

     43. "O, Maria, wees uw Heer gehoorzaam en werp u neder en aanbid
     met degenen, die aanbidden."

     44. Dit is een van de tijdingen van het ongeziene, die wij u
     openbaren. En gij waart niet bij hen toen zij lootten (om te zien),
     wie hunner de voogd van Maria zou zijn, noch waart gij bij hen,
     toen zij met elkander redetwistten.

     45. Toen de engelen zeiden: "O, Maria, waarlijk, Allah geeft u
     blijde tijding door Zijn woord: Zijn naam zal zijn: de Messias,
     Jezus, zoon van Maria, geëerd in deze wereld en in de volgende en
     hij zal tot hen behoren die in Gods nabijheid zijn.

     46. En hij zal tot het volk spreken in de wieg en op middelbare
     leeftijd en hij zal één der rechtvaardigen zijn."

     47. Zij zeide: "Heer, hoe zal ik een zoon hebben, daar geen man mij
     heeft benaderd?" Hij zeide: "Zo schept Allah, wat Hij wil. Wanneer
     Hij iets beslist, zegt Hij daartoe slechts: "Wees" en het wordt.

     48. "En Hij zal hem het Boek (de goddelijke Wet) en de Wijsheid en
     de Torah en het Evangelie onderwijzen."

     49. En hij zal een boodschapper voor de kinderen Israëls zijn. "Ik
     kom tot u met een teken van uw Heer; ik zal u uit klei de vorm van
     een vogel maken, dan adem ik daarin en hij zal een vogel worden,
     door Allah's gebod. En ik genees de blinden en de melaatsen en doe
     de doden herleven en ik deel u mede, wat gij zult eten en wat gij
     in uw huizen zult opslaan. Voorzeker, daarin is voor u een teken,
     indien gij gelovigen zijt."

     50. Ik kom tot u met een teken van uw Heer bevestigende wat vóór
     mij was, namelijk, de Torah en om u iets, van wat u was verboden
     toe te staan; vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij.

     51. Voorzeker, Allah is mijn Heer en uw Heer; aanbidt Hem daarom,
     dit is het rechte pad."

     52. Toen Jezus hun (der Israëlieten) ongeloof bemerkte, zeide hij:
     "Wie zullen mijn helpers zijn terwille van Allah?" De discipelen
     antwoordden: "Wij zijn de helpers van Allah. Wij geloven in Allah.
     En getuigt gij dat wij Moslims zijn."

     53. "Onze Heer, wij geloven in hetgeen Gij hebt geopenbaard en
     volgen deze boodschapper. Schrijf ons onder hen die getuigen."

     54. En zij maakten plannen (tegen Jezus). Allah maakte ook plannen
     (tegen hen), maar Allah voorziet het beste.

     55. Toen Allah zeide: "O, Jezus, ik zal u doen sterven en u tot
     Mij; opheffen en u zuiveren van de ongelovigen en zal uw
     volgelingen tot de laatste dag over hen doen zegevieren die u niet
     geloven; dan zal uw terugkeer tot Mij zijn en Ik zal onder u
     rechtspreken over datgeen waarin gij verschildet.

     56. Doch de ongelovigen zal Ik in deze wereld en in de volgende
     streng straffen en zij zullen geen helpers hebben."

     57. De gelovigen die goede werken verrichten zal Ik volle beloning
     toekennen. Maar Allah heeft de onrechtvaardigen niet lief.

     58. Dat is hetgeen Wij u van de tekenen en de wijze vermaning
     meedelen.

     59. Voorzeker, het geval van Jezus is bij Allah hetzelfde als dat
     van Adam. Hij (Allah) schiep hem uit stof en zeide: "Wees" en hij
     werd.

     60. De waarheid is van uw Heer, behoort daarom niet tot degenen,
     die twijfelen.

     61. Zou men nu met u over hem (Jezus) redetwisten, nadat de kennis
     tot u gekomen is, zeg dan: "Kom, laat ons onze kinderen en uw
     kinderen en onze vrouwen en uw vrouwen en ons volk en uw volk
     roepen; laat ons daarna vurig bidden en de vloek van Allah roepen
     over degenen, die liegen."

     62. Dit is voorzeker de ware uitleg, en er is geen God dan Allah en
     waarlijk, Hij is de Almachtige, de Alwijze.

     63. Doch indien zij zich afwenden, Allah kent de onheilstichters
     toch goed.

     64. Zeg: "O, mensen van het Boek, komt tot één woord, waarin wij
     met elkander overeenstemmen: dat wij niemand dan Allah aanbidden en
     dat wij niets met Hem vereenzelvigen en dat sommigen onzer geen
     anderen tot goden nemen, buiten Allah." Maar, als zij zich
     afwenden, zegt dan: "Getuigt, dat wij Moslims zijn."

     65. O, mensen van het Boek, waarom redetwist gij over Abraham,
     wanneer de Torah en het Evangelie eerst na hem werden geopenbaard?
     Wilt gij dan niet begrijpen?

     66. Ziet, gij twist over hetgeen, waarvan gij kennis hebt. Waarom
     twist gij dan (eveneens) over hetgeen, waarvan gij geen kennis
     hebt? Allah weet en gij weet niet.

     67. Abraham was noch een Jood, noch een Christen, maar hij was een
     oprecht Moslim. En hij behoorde niet tot de afgodendienaren.

     68. Voorzeker, zij die Abraham het dichtst nabijkomen, zijn
     degenen, die hem volgen; en deze profeet en de gelovigen; en Allah
     is de Vriend der gelovigen.

     69. Een deel der mensen van het Boek zou u gaarne willen doen
     dwalen, maar zij doen niemand dwalen dan zichzelf; en zij beseffen
     het niet.

     70. O, mensen van het Boek, waarom verwerpt gij de tekenen van
     Allah terwijl gij er getuige van zijt?

     71. O, mensen van het Boek, waarom verwart gij de waarheid met de
     leugen en verbergt de waarheid tegen beter weten in?

     72. En een gedeelte der mensen van het Boek zegt: "Gelooft in
     hetgeen de gelovigen (Moslirns) is geopenbaard, in de vroege
     ochtendstond en verwerpt het aan het einde van de dag; misschien
     keren zij wel terug."

     73. "En gelooft niet, behalve in hem, die uw godsdienst belijdt. -
     Zeg: "Voorzeker, de ware leiding is Allah's leiding - dat iemand
     zal worden gegeven, als aan u werd gegeven, anders zullen zij met u
     redetwisten bij uw Heer." Zeg: "Genade is in Allah's hand. Hij
     schenkt deze aan wie Hij wil". En Allah is Milddadig, Alwetend.

     74. Hij geeft Zijn genade aan wie Hij wil. Allah is de Heer van
     grote genade.

     75. Onder de mensen van het Boek is hij, die, als gij hem een schat
     toevertrouwt, u deze zal teruggeven, en er zijn er onder, die, als
     gij hun een dinar toevertrouwt, deze niet aan u zullen teruggeven,
     tenzij gij er voortdurend om vraagt. Dat komt, omdat zij (de Joden)
     zeggen: "Wij zijn niet aansprakelijk voor de zaak van de
     ongeletterden." Daarmede uiten zij tegen beter weten in een leugen
     tegen Allah.

     76. Neen, maar wie zijn belofte vervult en vreest - voorwaar, Allah
     heeft de godvrezenden lief.

     77. Die een geringe prijs (het wereldse) in ruil nemen voor hun
     verbond met Allah en voor hun eed, voor dezen is er geen voordeel
     in het Hiernamaals en Allah zal niet tot hen spreken, noch hen
     aanzien op de Dag des Oordeels, noch zal Hij hen als rein
     beschouwen en er zal een smartelijke straf voor hen zijn.

     78. En voorzeker, onder hen zijn er, die hun tong verdraaien,
     terwijl zij het Boek voordragen, opdat gij het van het Boek moogt
     achten, hoewel het niet van het Boek is. En zij zeggen: "Dit is van
     Allah," ofschoon het niet van Allah is en zij uiten een leugen
     tegen Allah, tegen beter weten in.

     79. Het betaamt een mens niet, als Allah hem het Boek en de macht
     en het profeetschap geeft, dat hij dan tot de mensen zou zeggen:
     "Weest mijn dienaren buiten Allah''; maar (veeleer): "Weest
     aanbidders van de Heer, daar gij het Boek onderwijst en zelf
     bestudeert."

     80. Noch zal hij u gebieden de engelen en de profeten als goden te
     aanvaarden. Zou hij u ongeloof bevelen, nadat gij Moslims werd?

     81. En toen Allah met de profeten een verbond sloot, zeide Hij:
     "Voorwaar, Ik heb u het Boek en de Wijsheid geschonken en daarna
     zal een boodschapper tot u komen, vervullend hetgeen bij u is, in
     hem zult gij geloven en hem zult gij helpen." En Hij zeide: "Hebt
     gij bekrachtigd en daarmede Mijn verbond aanvaard?" Zij
     antwoordden: "Wij bekrachtigen het." Hij zeide: "Getuigt dan en Ik
     ben met u onder de getuigen."

     82. Maar die zich hierna terugtrekken, (zij) zijn voorzeker de
     overtreders.

     83. Zoeken zij een godsdienst anders, dan die van Allah, terwijl al
     hetgeen in de hemelen en op aarde is zich willens of onwillens aan
     Hem moet onderwerpen? En tot Hem zullen zij worden teruggebracht.

     84. Zeg: "Wij geloven in Allah en in hetgeen ons werd geopenbaard
     en hetgeen werd geopenbaard aan Abraham, Ismaël, Izaäk, Jacob, en
     de stammen en hetgeen aan Mozes en Jezus en de profeten door hun
     Heer werd gegeven. Wij maken geen onderscheid tussen wie dan ook
     van hen. Aan Hem alleen onderwerpen wij ons.

     85. En wie een andere godsdienst zoekt dan de Islam, het zal van
     hem niet worden aanvaard en hij zal in het Hiernamaals onder de
     verliezers zijn.

     86. Hoe zal Allah een volk leiden, dat heeft verworpen, na te
     hebben geloofd, en de getuigenis te hebben afgelegd dat de
     boodschapper waarachtig was en nadat de duidelijke bewijzen tot hen
     waren gekomen? Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.

     87. De vergelding van dezulken is slechts, dat de vloek van Allah,
     de engelen en de mensen, op hen rust.

     88. Zij zullen daaronder blijven. Hun straf zal niet worden
     verlicht, noch zal hun uitstel worden verleend.

     89. Behalve degenen die daarna berouw hebben en zich verbeteren.
     Allah is voorzeker Vergevensgezind, Genadevol.

     90. Voorzeker, degenen die terugvallen na te hebben geloofd en dan
     in ongeloof toenemen: hun berouw zal niet worden aanvaard, dezen
     zijn de dwalenden.

     91. Degenen die ongelovig zijn en als ongelovigen sterven, van geen
     hunner zal een aarde vol goud worden aanvaard als hij zich daarmede
     zou willen vrijkopen. Dezen zijn het wie een smartelijke straf
     wacht en er zullen voor hen geen helpers zijn.

     92. Gij zult stellig geen goedheid bereiken, tenzij gij mededeelt
     van hetgeen u lief is en wat gij ook besteedt. Allah weet dit
     eveneens.

     93. Alle voedsel was de kinderen Israëls geoorloofd, uitgezonderd
     hetgeen Israël zichzelf verbood voordat de Torah was nedergezonden.
     Zeg: "Komt met de Torah en leest haar als gij waarachtig zijt."

     94. Degenen die hierna een leugen verzinnen tegen Allah, zijn de
     onrechtvaardigen.

     95. Zeg: "Allah heeft de waarheid gesproken; volgt daarom de
     godsdienst van Abraham, de oprechte, hij behoorde niet tot de
     afgodendienaren.

     96. Voorzeker, het eerste huis dat voor de mensheid bestemd werd,
     is dat te Bekka (Mekka) vol van zegeningen en als richtsnoer voor
     alle werelden.

     97. Daarin zijn duidelijke tekenen: het is de plaats van Abraham en
     wie het binnengaat is in vrede. En de bedevaart naar het Huis is
     door Allah aan de mensen opgelegd die er een weg naartoe kunnen
     vinden. En wie niet gelooft, Allah is voorzeker Onafhankelijk van
     alle werelden.

     98. Zeg: "O, mensen van het Boek, waarom verwerpt gij de tekenen
     van Allah, terwijl Allah ziet hetgeen gij doet?"

     99. Zeg: "O, mensen van het Boek waarom houdt gij de mensen af van
     het (rechte) pad van Allah en wenst gij het krom te maken, terwijl
     gij er getuige van zijt? Allah is niet onachtzaam over hetgeen gij
     doet.

     100. O gij die gelooft, als gij sommigen hunner wie het Boek is
     gegeven gehoorzaamt, zullen zij u weer tot ongelovigen maken, nadat
     gij hebt geloofd.

     101. Hoe kunt gij verwerpen, terwijl u de tekenen van Allah worden
     voorgedragen en Zijn boodschapper onder u aan wezig is? En hij, die
     zich aan Allah vasthoudt, is inderdaad naar het rechte pad geleid.

     102. O gij die gelooft, vreest Allah zoals het behoort en sterft
     niet, tenzij gij Moslim zijt.

     103. En houdt u allen tezamen vast aan het koord van Allah en weest
     niet verdeeld en gedenkt de gunst van Allah, die Hij u bewees toen
     gij vijanden waart en Hij uw harten verenigde, zo werdt gij door
     Zijn gunst broeders en gij waart aan de rand van een vuurput en Hij
     redde u er van. Zo legt Allah u Zijn geboden uit opdat gij zult
     worden geleid.

     104. En laat er een groep onder u zijn die tot goedheid aanspoort
     en tot rechtvaardigheid maant en het kwade verbiedt; dezen zijn het
     die zullen slagen.

     105. En weest niet als degenen, die verdeeld waren en van mening
     verschilden nadat de duidelijke bewijzen tot hen waren, gekomen.
     Voor hen zal er een zware straf zijn.

     106. Op den dag, waarop sommige gezichten verlicht en andere
     gezichten verduisterd zullen zign. Wat hen betreft, wier gezicht
     verduisterd zal zijn: "Hebt gij verworpen, nadat gij hadt geloofd?
     Ondergaat dan de straf, omdat gij placht te verwerpen".

     107. Maar degenen wier gezicht verlicht zal zijn, dezen zullen
     Allah's barmhartigheid smaken; daarin zullen zij verblijven.

     108. Dit zijn de tekenen van Allah welke wij u naar waarheid
     voordragen; Allah wenst de werelden geen kwaad toe.

     109. En aan Allah behoort al hetgeen in de hemelen en al hetgeen op
     aarde is en tot Allah worden alle dingen teruggebracht.

     110. Gij (Moslims) zijt het beste volk dat voor de mensheid (ter
     lering) is verwekt; gij gebiedt wat goed is, verbiedt wat kwaad is
     en gelooft in Allah. En, indien de mensen van het Boek hadden
     geloofd, zou het zeker beter voor hen zijn geweest. Sommigen hunner
     zijn gelovigen, maar de meesten hunner zijn overtreders.

     111. Zij kunnen u niet schaden, alleen enige moeilijkheid bezorgen
     en als zij tegen u vechten zullen zij u spoedig hun rug tonen. Dan
     zullen zij niet worden geholpen.

     112. Waar zij zich ook bevinden, worden zij door vernedering
     getroffen, tenzij zij een verbond met Allah of een verbond met
     andere volkeren hebben. Zij keerden terug met Allah's toorn en
     werden door armoede getroffen. Dat kwam, doordat zij de tekenen van
     Allah verwierpen en de profeten onrechtvaardig doodden. Dat kwam,
     doordat zij ongehoorzaam waren en (zijn gebod) overtraden.

     113. Zij zijn niet allen gelijk. Onder de mensen van het Boek is
     een oprechte groep, die het Woord van Allah in de uren van de nacht
     opzegt en zich met het gelaat ter aarde werpt.

     114. Zij geloven in Allah en de laatste Dag en gebieden het goede
     en verbieden het kwade en wedijveren met elkander in goede werken.
     Dezen behoren tot de rechtvaardigen.

     115. En het goede dat zij doen, zal niet worden ontkend en Allah
     kent de Godvrezenden.

     116. Voorzeker, degenen die verwerpen hun bezittingen noch kinderen
     zullen hun iets kunnen baten tegen Allah en dezen worden de
     bewoners van het Vuur. Zij zullen daarin verblijven.

     117. De gelijkenis van hetgeen zij voor het tegenwoordige leven
     besteden is als de wind, gepaard aan een hevige koude, die de oogst
     treft van een volk, dat zichzelf onrecht heeft aangedaan en deze
     vernietigt. En Allah had hun geen onrecht aangedaan, maar zij doen
     zichzelf onrecht aan.

     118. O gij die gelooft, neemt buiten uw volk geen ander tot intieme
     vrienden; zij zullen niet in gebreke blijven u te benadelen. Zij
     houden van leedvermaak. Nijd laten zij blijken en wat hun innerlijk
     verbergt is nog erger. Wij hebben u onze geboden duidelijk gemaakt,
     indien gij ze wilt begrijpen.

     119. Ziet, gij hebt hen lief, maar zij hebben u niet lief. En gij
     gelooft in het gehele Boek; wanneer zij u ontmoeten zeggen zij:
     "Wij geloven." maar wanneer zij alleen zijn, bijten zij op hun
     vingertoppen van razernij over u. Zeg: "Sterft in uw razernij."
     Waarlijk, Allah weet goed wat in de harter is.

     120. Als u iets goeds overkomt verdriet het hen en als u iets
     kwaads overkomt verheugen zij zich er over. Maar, indien gij
     geduldig blijft en God vreest, zullen hun plannen u in het geheel
     niet schaden; voorzeker, Allah weet hetgeen zij doen.

     121. Toen gij in de vroege morgen van uw huisgezin wegtrokt om de
     gelovigen hun plaatsen voor het gevecht aan te wijzen, - Allah is
     Alhorend, Alwetend. -

     122. Toen wilden twee uwer groepen lafheid tonen, hoewel Allah hun
     Vriend was. En in Allah behoren de gelovigen te vertrouwen.

     123. En Allah had u reeds bij Badr geholpen, terwijl gij machteloos
     waart. Vreest daarom Allah, opdat gij dankbaar zult zijn.

     124. Toen gij tot de gelovigen zeidet: "Zal het niet genoeg voor u
     zijn, dat uw Heer u met drie duizend nedergezonden engelen zal
     helpen?

     125. Ja, indien gij geduldig en rechtvaardit zijt en zij (de
     ongelovigen) u dadelijk in wilde vaart aanvallen, zal uw Heer u met
     vijf duizend nedergezonden engelen bijstaan."

     126. En Allah heeft het alleen als blijde boodschap voor u gemaakt
     om uw hart daardoor gerust te stellen en hulp komt slechts van
     Allah, de Almachtige, de Alwijze.

     127. Opdat Hij een deel der ongelovigen kon afsnijden en hen
     vernederen, zodat zij onverrichter zake zouden teruggaan.

     128. Gij hebt met de zaak niets uitstaande: Hij (Allah) moge Zich
     in barmhartigheid tot hen wenden of hen straffen, voorzeker zij
     zijn de boosdoeners.

     129. En aan Allah behoort al hetgeen in de hemelen en al hetgeen op
     aarde is. Hij vergeeft wie Hij wil en Hij straft wie Hij wil en
     Allah is Vergevensgezind, Genadevol.

     130. O gij die gelooft, neemt geen rente, daar (deze) aanleiding
     geeft tot eindeloze vermeerdering (van bezit) en vreest Allah,
     opdat gij moogt slagen.

     131. En vreest het Vuur dat voor de ongelovigen is bereid.

     132. En gehoorzaamt Allah en de boodschapper, zodat u
     barmhartigheid moge worden betoond.

     133. Wedijvert met elkaar in het vragen om vergiffenis van uw Heer
     en om het paradijs, welks uitgestrektheid de hemelen en de aarde
     is, bereid voor de godvrezenden,

     134. Zij, die in voorspoed en in tegenspoed wel doen en zij, die
     toorn onderdrukken en mensen vergeven; Allah heeft hen die goed
     doen, lief.

     135. En zij, die wanneer zij een slechte daad begaan of zichzelf
     onrecht aandoen Allah gedenken en om vergiffenis vragen voor hun
     zonden - wie kan deze zonden vergeven buiten Allah? - en niet
     volharden in hun (slechte) daden tegen beter weten in,

     136. Dezen zijn het, wier loon vergiffenis is van hun Heer; in
     tuinen waar doorheen rivieren stromen zullen zij vertoeven; hoe
     goed is het loon van degenen die werken.

     137. Voorzeker, vóór u zijn verschillende volkeren voorbijgegaan,
     reist daarom over de aarde en ziet, hoe het einde was van degenen,
     die loochenden.

     138. Dit is een duidelijke verklaring voor de mensen, een leiding
     en vermaning voor de godvrezenden.

     139. Verslapt noch treurt; gij zult zeker overwinnaar worden, als
     gij gelovig blijft.

     140. Als gij (Moslims) letsel krijgt (in de strijd); dat volk (de
     tegenstander) is reeds een dergelijk letsel overkomen. Zulke dagen
     laten Wij onder de mensen wisselen, opdat Allah degenen, die
     geloven onderscheide en uit uw midden getuigen (martelaren) neme en
     Allah heeft de onrechtvaardigen niet lief.

     141. Opdat Allah de gelovigen moge louteren en de ongelovigen
     vernietigen.

     142. Denkt gij, dat gij het paradijs moogt binnengaan, terwijl
     Allah degenen uwer die strijden en standvastig zijn nog niet heeft
     onderscheiden?

     143. En gij placht deze dood te wensen voordat gij hem ontmoettet,
     nu hebt gij hem gezien en gij staart er naar.

     144. En Mohammed is slechts een boodschapper. Waarlijk, alle
     boodschappers vóór hem zijn heengegaan. Zult gij u dan op de hielen
     omkeren als hij sterft of gedood wordt? Hij, die zich omkeert zal
     aan Allah in het geheel geen schade berokkenen. En Allah zal de
     dankbaren gewis belonen.

     145. Geen ziel kan sterven zonder Allah's toestemming, daar de tijd
     is vastgesteld. En wie de beloning van de tegenwoordige wereld
     wenst, zullen Wij er van geven; en wie de beloning van het
     Hiernamaals wenst, hem zullen Wij daar van geven en Wij zullen de
     dankbaren gewis belonen.

     146. Er zijn vele profeten geweest aan wier zijden talrijke
     aanbidders van de Heer streden. Zij verslapten door niets wat hen
     op de weg van Allah overkwam, noch verzwakten zij, noch vernederden
     zij zich. En Allah heeft de geduldigen lief.

     147. En hun woord was slechts: "Onze Heer, vergeef ons onze zonden
     en de buitensporigheden in ons gedrag en maak ons standvastig en
     help ons tegen het ongelovige volk."

     148. Daarom gaf Allah hun de beloning van deze wereld, alsmede een
     goede beloning in de volgende en Allah heeft degenen die goeddoen,
     lief.

     149. O gij die gelooft, als gij de ongelovigen gehoorzaamt, zullen
     zij u doen omkeren (op het goede pad); dan zult gij als verliezers
     terugkomen.

     150. Neen, Allah is uw Beschermer en Hij is de Beste der helpers.

     151. Wij zullen de harten der ongelovigen met ontzag vervullen
     omdat zij aan Allah deelgenoten toeschrijven waarvoor Hij geen
     gezag heeft nedergezonden. Hun verblijfplaats is het Vuur en slecht
     is de woning der overtreders.

     152. En Allah heeft Zijn belofte aan u gehouden, toen gij hen met
     Zijn verlof dooddet totdat gij onstandvastig werdt en het over het
     gebod onder elkander oneens werdt en gij niet gehoorzaamdet, nadat
     Hij u hetgeen u behaagde had laten zien. Onder u waren er die deze
     tegenwoordige wereld begeerden en er waren onder u die het
     Hiernamaals begeerden. Toen wendde Hij u van hen af, opdat Hij u
     mocht beproeven; maar Hij heeft het u vergeven. Allah is Genadevol
     jegens de gelovigen.

     153. Toen gij wegvluchttet en naar niemand omzaagt, terwijl de
     boodschapper u van verre nariep, gaf Hij u smart op smart, opdat
     gij niet zoudt treuren over hetgeen was verloren, noch over hetgeen
     met u gebeurde. En Allah is goed op de hoogte van hetgeen gij doet.

     154. Toen zond Hij na de smart een vredige sluimer over u neder,
     die een deel uwer overviel en het andere deel was bezorgd over
     zichzelf, terwijl zij ten onrechte, over Allah de gedachte der
     onwetendheid koesterden. Zij zeiden: "Hebben wij iets met de zaak
     uit te staan?" Zeg: "De zaak is geheel in Allah's handen." Zij
     verbergen in hun gedachten hetgeen zij niet aan u onthullen; zij
     zeggen: "Als de zaak in onze handen was geweest zouden wij hier
     niet hebben moeten vechten." Zeg: "Indien gij in uw huizen waart
     gebleven, zouden zij wie het strijden was bevolen, zeker naar de
     plaats waar zij zouden sterven, zijn gegaan, opdat Allah mocht
     beproeven wat in uw innerlijk was en louteren wat in uw hart was.
     Allah weet, wat in het innerlijk is.

     155. Voorzeker, diegenen onder u die op de dag waarop de twee
     scharen elkander ontmoetten, omkeerden, werden door Satan wegens
     hun daden aan het wankelen gebracht. Maar Allah heeft het hen
     vergeven. Voorwaar, Allah is Vergevensgezind, Verdraagzaam.

     156. O gij die gelooft, weest niet als de ongelovigen die over hun
     broeders, wanneer zij door het land reizen of ten strijde trekken,
     zeggen: "Waren zij bij ons gebleven, zij zouden niet zijn gestorven
     of gedood; opdat Allah dit tot een oorzaak van wroeging in hun (der
     ongelovigen) hart moge maken. Allah geeft leven en veroorzaakt de
     dood; Allah ziet, wat gij doet.

     157. En als gij voor de zaak van Allah wordt gedood of sterft, zal
     Allah's vergiffenis en barmhartigheid zeker beter zijn, dan hetgeen
     zij bijeengaren.

     158. En indien gij sterft of gedood wordt, voorzeker, tot Allah
     zult gij worden teruggebracht.

     159. Door de barmhartigheid van Allah zijt gij (de Profeet)
     zachtmoedig jegens hen (gelovigen); als gij ruw en hardvochtig
     waart geweest zouden zij zich zeker uit uw omgeving hebben
     verwijderd. Vergeef hen daarom en vraag voor hen vergiffenis en
     raadpleeg hen in belangrijke zaken en wanneer gij vastbesloten
     zijt, leg dan uw vertrouwen in Allah. Voorzeker, Allah heeft
     degenen lief die vertrouwen in Hem hebben.

     160. Als Allah u helpt, zal niemand u overweldigen, maar als Hij u
     verlaat, wie is er dan die u buiten Hem kan helpen? In Allah zullen
     de gelovigen hun vertrouwen leggen.

     161. En het betaamt een profeet niet oneerlijk te handelen; wie
     oneerlijk handelt zal op de Dag der Opstanding zijn oneerlijke
     handelingen met zich meebrengen. Dan zal iedere ziel ten volle
     worden vergolden naar hetgeen zij verdiende, - toch zal hun geen
     onrecht worden aangedaan.

     162. Is hij die het behagen van Allah zoekt en hij die de toorn van
     Allah tot zich trekt en wiens verblijfplaats de hel is, gelijk?
     Deze (laatste) is een slechte bestemming.

     163. Zij hebben bij Allah graden en Allah ziet wat zij doen.

     164. Voorwaar, Allah heeft de gelovigen een gunst bewezen, daar Hij
     een boodschapper uit hun midden opwekte, die hun Zijn tekenen
     verkondigt, hen loutert en hun het Boek en de wijsheid onderwijst,
     hoewel zij voordien duidelijk dwaalden.

     165. Wanneer u rampspoed overkomt - en gij hadt het dubbele er van
     aangedaan (aan uw vijanden) - zegt gij: "Vanwaar komt dit?" Zeg:
     "Het komt door uzelf." Voorwaar, Allah heeft macht over alle
     dingen.

     166. En hetgeen u op de dag waarop de twee partijen elkander
     ontmoetten, is overkomen, geschiedde met Allah's verlof en dit was
     om de gelovigen te onderscheiden,

     167. En opdat Hij de huichelaars mocht doen onderkennen. En er werd
     tot hen gezegd: "Komt en vecht voor Allah's zaak en verdedigt u."
     Zij zeiden: "Als wij wisten dat het vechten was, zouden wij u zeker
     hebben gevolgd." Zij stonden op die dag dichter bij het ongeloof
     dan bij het geloof. Zij zeggen met hun mond wat niet in hun hart
     is. Doch Allah weet goed wat zij verbergen.

     168. Degenen, die omtrent hun broeders zeiden terwijl zij zelf
     achterbleven: "Als zij ons hadden gehoorzaamd, zouden zij niet zijn
     gedood." Zeg: "Wendt dan de dood van uzelf af, als gij waarheid
     spreekt."

     169. En denkt niet over degenen, die terwille van Allah zijn
     gedood, als doden. Neen, zij zijn levend en bij hun Heer worden hun
     gaven geschonken.

     170. Jubelend, over hetgeen Allah hun van Zijn overvloed heeft
     gegeven, zich verblijdend over degenen die achterbleven, en hen nog
     niet hebben ingehaald, dat er geen vrees over hen zal komen, noch
     dat zij zullen treuren.

     171. Zij verheugen zich over Allah's gunst en Zijn overvloed en dat
     Allah de beloning der gelovigen niet verloren doet gaan.

     172. Degenen, die de roep van Allah en de boodschapper
     beantwoordden, nadat zij gewond waren - diegenen hunner, die
     goeddoen en rechtvaardig handelen, zullen een grote beloning
     ontvangen.

     173. En toen de mensen tot hen zeiden: "De volkeren hebben zich
     tegen u verzameld, vreest hen daarom," vermeerderde dit hun geloof
     en zij antwoordden: "Allah is ons genoeg en Hij is een uitstekende
     Beschermer."

     174. Daarom keerden zij met de gunst en genade van Allah terug,
     geen kwaad had hen aangeraakt en zij volgden Allah's welbehagen; en
     Allah is de Heer van grote overvloed.

     175. Satan alleen maakt zijn vrienden bang: vreest dezen niet maar
     vreest Mij, als gij gelovigen zijt.

     176. En laat degenen, die vlug tot ongeloof vervallen, u niet
     verdrieten; voorzeker, zij kunnen Allah niets aandoen. Allah wil
     hen aan het toekomstig leven geen deel doen hebben, er zal voor hen
     een strenge straf zijn.

     177. Waarlijk, degenen die het ongeloof hebben aanvaard in ruil
     voor het geloof, kunnen Allah niets aandoen; hen wacht een
     pijnlijke straf.

     178. En laat de ongelovigen niet denken dat het uitstel, dat Wij
     hun geven, goed voor hen is; Wij geven hun slechts uitstel, zodat
     zij in zonde toenemen; er zal voor hen een vernederende straf zijn.

     179. Allah is niet zo dat Hij de gelovigen in de toestand laat
     waarin zij verkeren, totdat Hij de kwaden van de goeden scheidt,
     noch is Allah zo, dat Hij u het ongeziene bekend maakt. Maar Allah
     kiest tot Zijn boodschappers, wie Hij wil. Gelooft daarom in Allah
     en Zijn boodschappers. Als gij gelooft en rechtvaardig zijt, zal er
     een grote beloning voor u zijn.

     180. En laat degenen, die gierig zijn, ten opzichte van wat Allah
     hun van Zijn overvloed heeft gegeven, niet denken, dat het goed
     voor hen is, neen, het is slecht voor hen. Hetgene, waarmee zij
     gierig zijn zal op de Dag der Opstanding als een halsband om hun
     nek worden gelegd. En aan Allah behoort het erfdeel der hemelen en
     der aarde en Allah is goed op de hoogte van hetgeen gij doet.

     181. En voorzeker, Allah heeft de uiting gehoord van degenen, die
     zeiden: "Allah is arm en wij zijn rijk." Wij zullen hetgeen zij
     hebben gezegd en hun pogingen om de profeten onrechtvaardig te
     doden, optekenen en Wij zullen zeggen: "Ondergaat de straf van het
     branden."

     182. Dit is hetgeen gij hebt verdiend: Allah is in het geheel niet
     onrechtvaardig jegens zijn dienaren.

     183. En degenen, die zeggen: "Allah heeft ons opgedragen in geen
     boodschapper te geloven, voordat deze ons een offer brengt dat door
     het vuur wordt verteerd", zeg hun: "Er zijn reeds vóór mij
     boodschappers tot u gekomen met duidelijke tekenen en met hetgeen,
     waarover gij spreekt. Waarom trachttet gij hen dan te doden, als
     gij eerlijk zijt?"

     184. En wanneer men u (de profeet) verloochent, (weet dan) dat er
     eveneens boodschappers vóór u verloochend werden die met duidelijke
     tekenen en geschriften en het stralende Boek kwamen.

     185. Elke ziel zal de dood ondergaan. En voorzeker zal u op de Dag
     der Opstanding uw beloning ten volle worden uitbetaald. Wie daarom
     van het Vuur wordt verwijderd en de Hemel binnengelaten, heeft
     inderdaad zijn doel bereikt. Het leven dezer wereld is niets dan
     een middel tot bedrog.

     186. Gij zult zeker worden beproefd in uw bezittingen en in uzelf
     en gij zult gewis vele pijnlijke dingen horen van degenen, aan wie
     het Boek was gegeven vóór u en van degenen, die afgoderij
     bedrijven. Maar als gij geduldig blijft en rechtvaardig handelt,
     dat is waarlijk een zaak van vastberadenheid.

     187. En toen Allah een verbond sloot met degenen, die het Boek
     gegeven was, zeide Hij: "Gij zult dit aan de mensen bekend maken en
     het niet verbergen." Maar zij verwaarloosden dat voor luttel gewin.
     Kwaad was hetgeen zij in ruil namen.

     188. Degenen die juichen over hetgeen zij hebben gedaan en gaarne
     worden geroemd voor hetgene zij niet deden, denkt niet, dat zij
     veilig zijn voor straf. Er wacht hen een pijnlijke kastijding.

     189. En aan Allah behoort het koninkrijk der hemelen en der aarde
     en Allah heeft macht over alle dingen.

     190. Er zijn voorzeker in de schepping der hemelen en der aarde en
     in de wisseling van dag en nacht tekenen voor mensen van begrip.

     191. Zij die staande, zittende en op hun zijden liggende Ailah
     gedenken, en nadenken over de schepping der hemelen en der aarde,
     zeggende: "Onze Heer, Gij hebt dit niet tevergeefs geschapen; neen,
     heilig zijt Gij; red ons daarom van de straf van het Vuur.

     192. Onze Heer, wie Gij het Vuur doet ingaan, hem hebt Gij
     voorzeker vernederd. En de onrechtvaardigen zullen geen helper
     vinden.

     193. Onze Heer, wij hebben een prediker gehoord, die opriep tot het
     geloof: 'Gelooft in de Heer' en wij hebben geloofd. Onze Heer,
     vergeef ons daarom onze zonden en bedek onze zwakheden en doe ons
     sterven met de rechtvaardigen.

     194. Onze Heer, schenk ons hetgeen Gij ons door Uw boodschappers
     hebt beloofd en verneder ons niet op de Dag der Opstanding.
     Voorzeker, Gij breekt de belofte niet."

     195. En hun Heer verhoorde hen, zeggende: "Ik zal het werk van
     iedere werker onder u, hetzij man of vrouw, niet verloren doen
     gaan. - Gij behoort tot elkander. - En Ik zal van hen, die hun land
     verlieten en van hun huizen zijn verjaagd en voor Mijn zaak zign
     vervolgd en die hebben gevochten en zijn gedood, de fouten zeker
     bedekken en zal hen tuinen doen binnengaan, waar doorheen rivieren
     stromen: een beloning van Allah en bij Allah is de beste beloning."

     196. Laat de bewegingen der ongelovigen in het land u niet
     bedriegen.

     197. Het is een gering voordeel voor hen; daarna zal de hel hun
     tehuis zijn en slecht is deze rustplaats.

     198. Maar zij, die hun Heer vrezen, zullen tuinen hebben, waar
     doorheen rivieren stromen, daarin zullen zij vertoeven als onthaal
     van Allah. En hetgeen bij Allah is, is voor de rechtvaardigen
     beter.

     199. En voorzeker, onder de mensen van het Boek zijn er, die in
     Allah en in hetgeen u is geopenbaard en in hetgeen tot hen was
     neergedaald, geloven, zich voor Allah verootmoedigend. Zij ruilen
     de tekenen van Allah niet in voor een geringe prijs. Dezen zijn
     het, die hun beloning bij hun Heer zullen ontvangen. Voorzeker,
     Allah is vlug in het verrekenen.

     200. O, gij die gelooft, blijft geduldig en spoort anderen aan
     volhardend te zijn en blijft op uw hoede en vreest Allah, opdat gij
     zult slagen.


     -------------------------------------------------------------------
     -----

     4. De Vrouwen (An-Nisa)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard nà de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 176 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. O, gij mensen, vreest uw Heer, Die u van één enkele ziel schiep
     en daaruit haar gezellin schiep en uit hen beiden mannen en vrouwen
     verspreidde en vreest Allah in Wiens naam gij een beroep op
     elkander doet en (weest plichtsgetrouw) betreffende de
     familiebanden. Voorwaar, Allah is Bewaker over u.

     2. En geeft de wezen hun eigendom en verruilt het slechte (van u)
     niet voor het goede (van hen) noch verbruikt hun eigendom met het
     uwe. Voorzeker, dat is een grote zonde.

     3. En als gij vreest dat gij niet rechtschapen zult zijn bij het
     behandelen der wezen, huwt dan vrouwen die u behagen, twee of drie,
     of vier en als gij vreest, dat gij niet rechtvaardig zult handelen,
     dan één of wat uw rechter handen bezitten. Dat is voor u de beste
     weg, om onrechtvaardigheid te voorkomen.

     4. En geeft de vrouwen gewillig haar huwelijksgift. Maar als zij
     naar haar eigen behagen u er een gedeelte van kwijtschelden, geniet
     het dan met genoegen en heilzaam gevolg.

     5. En geeft eigendom, dat Allah als middel van bestaan heeft
     gegeven niet aan de dwazen (in eigen beheer), maar voedt hen er mee
     en kleedt hen en spreekt vriendelijke woorden tot hen.

     6. En ondervraagt de wezen, wanneer zij de huwbare leeftijd bereikt
     hebben: als gij in hen rijpheid van verstand vindt stelt hun dan
     hun eigendom ter hand; en verteert het niet in buitensporigheid en
     haast, omdat zij opgroeien. En laat hij, die rijk is zich onthouden
     en laat hij die arm is naar billijkheid er gebruik van maken. En
     wanneer gij hun eigendommen overhandigt, neemt er dan getuigen bij.
     Allah is toereikend om rekenschap te vragen.

     7. Er is voor mannen een aandeel van hetgeen hun ouders en
     bloedverwanten nalaten en er is voor vrouwen een aandeel van
     hetgeen hun ouders en bloedverwanten nalaten, of het weinig of veel
     zij: een vastgesteld gedeelte.

     8. Wanneer verwanten en wezen en de armen bij de verdeling (der
     erfenis) aanwezig zijn, geeft hun er iets van en spreekt
     vriendelijke woorden tot hen.

     9. En laat hen Allah vrezen, die, indien zij hun eigen zwakke
     nageslacht mochten achterlaten, bezorgd zouden zijn. Laat hen Allah
     daarom vrezen en laat hen het juiste woord spreken.

     10. Voorzeker, zij, die het eigendom van wezen onrechtvaardig
     verteren, verteren slechts vuur in hun buik en zij zullen in een
     laaiend Vuur branden.

     11. Allah gebiedt u aangaande uw kinderen: voor het mannelijke kind
     evenveel als het deel van twee vrouwelijke kinderen, maar als er
     alleen meisjes zijn, meer dan twee, dan is er voor haar tweederde
     van de nalatenschap en als er slechts één is, voor haar is de
     helft. En voor elk zijner ouders is er een zesde deel der erfenis,
     als hij een kind heeft, maar als hij geen kind heeft en zijn ouders
     van hem erven, dan is er voor zijn moeder een derde deel en als hij
     broeders en zusters heeft, dan is er voor zijn moeder een zesde
     deel na de betaling van enig legaat, dat hij heeft nagelaten of van
     (niet vereffende) schuld. Uw ouders en uw kinderen, gij weet niet,
     wie van hen u het meest tot heil is. Dit is vastgesteld door Allah.
     Voorzeker, Allah is Alwetend, Alwijs.

     12. En gij zult de helft hebben van hetgeen uw vrouwen nalaten,
     indien zij geen kind hebben, maar indien zij een kind hebben, is er
     voor u een vierde van hetgeen zij nalaten na de betaling van enig
     legaat, dat zij hebben nagelaten of van schuld. En zij zullen een
     vierde hebben van hetgeen gij nalaat, als gij geen kind hebt, maar
     als gij een kind hebt, zo is er voor hen een achtste deel van
     hetgeen gij nalaat, na de betaling van enig legaat of van
     onverrekende schuld. En indien er een man of een vrouw is, van wie
     wordt geërfd en deze is ouderloos en kinderloos en heeft een
     broeder of een zuster, dan is er voor elk hunner een zesde deel.
     Maar als er meer dan dezen zijn, dan zijn zij deelgenoten in een
     derde na de betaling van enig legaat, dat is nagelaten of van
     schuld, zonder benadeling. Dit is gebod van Allah en Allah is
     Alwetend, Verdraagzaam.

     13. Dit zijn de door Allah vastgestelde bepalingen en wie Allah en
     Zijn boodschapper gehoorzaamt, Hij zal hem tuinen doen binnengaan,
     waar doorheen rivieren stromen, daar zullen zij in verblijven en
     dat is een grote zegepraal.

     14. En wie Allah en Zijn boodschapper niet gehoorzaamt en Zijn
     grenzen overschrijdt zal Hij het Vuur doen binnengaan; hij zal
     daarin verblijven en dit zal voor hem een vernederende straf zijn.

     15. En voor degenen uwer vrouwen, die zich aan ontucht schuldig
     maken, roept vier uwer als getuigen tegen haar en als zij getuigen,
     sluit haar dan in de huizen op, totdat de dood haar achterhaalt, of
     totdat Allah haar een weg opent.

     16. En als twee temiffen van u zich hieraan schuldig maken, straft
     hen beiden. En als zij berouw hebben en zich verbeteren, laat hen
     dan met rust, voorzeker, Allah is Berouwaanvaardend, Genadevol.

     17. Waarlijk, berouw bestaat bij Allah alleen van degenen, die in
     onwetendheid kwaad doen en dan daarna berouw hebben. Dezen zijn
     het, tot wie Allah Zich met barmhartigheid wendt; en Allah is
     Alwetend, Alwijs.

     18. Er is geen (aanvaarding van) berouw voor degene, die kwaad
     doet, totdat de dood hem in het gezicht staart en hij zegt: 'Ik heb
     berouw;' noch voor degenen die als ongelovigen sterven. Dezen zijn
     het, voor wie Wij een pijnlijke straf hebben bereid.

     19. O, gij die gelooft, het is u niet geoorloofd, vrouwen te erven
     tegen haar wil, noch moogt gij haar tegenhouden opdat gij een
     gedeelte van wat gij haar hebt gegeven, moogt terugnemen, tenzij
     zij schuldig zijn aan een schandelijk kwaad; en blijft met haar
     vriendelijk omgaan en als gij afkeer van haar hebt, kan het zijn,
     dat gij afkeer hebt van iets, waarin Allah veel goeds kan hebben
     gelegd.

     20. En indien gij een vrouw in plaats van een andere wenst te nemen
     en gij hebt één harer een schat gegeven, neemt er niets van terug.
     Wilt gij het door laster en een klaarblijkelijk zondige manier
     nemen?

     21. En hoe kunt gij het nemen, wanneer de een uwer tot de andere is
     ingegaan en zij een sterk verbond met u hebben gesloten?

     22. En huwt niet de vrouwen, die uw vaders huwden, met uitzondering
     van wat reeds gebeurd is. Het is een slecht en afschuwelijk iets en
     een verkeerde weg.

     23. Verboden zijn u uw moeders en uw dochters en uw zusters en uw
     vaders zusters en uw moeders zusters en uw broeders dochters en uw
     zusters dochters en uw minnen en uw zoogzusters en de moeders uwer
     vrouwen en uw stiefdochters, die uw beschermelingen zijn door uw
     vrouwen tot wie gij zijt ingegaan, maar als gij niet tot haar zijt
     ingegaan zal er geen zonde op u rusten en de vrouwen uwer eigen
     zonen (zign ook verboden) alsmede twee zusters tezamen te hebben,
     met uitzondering van wat reeds voorbij is; gewis, Allah is
     Vergevensgezind, Genadevol;

     24. En getrouwde vrouwen, met uitzondering van haar, die gij bezit.
     Dit is een gebod van Allah voor u. Degenen, die daar buiten vallen,
     zijn u toegestaan; dat gij zoekt door middel van wat gij bezit haar
     behoorlijk te huwen en geen overspel te plegen. En geeft haar een
     huwelijksgift, tegenover de voordelen, die gij van haar hebt, dit
     is verplicht; er zal na het vaststellen daarvan geen zonde op u
     rusten in alles wat gij onderling overeenkomt. Voorzeker, Allah is
     Alwetend, Alwijs.

     25. En wie uwer het niet kan bekostigen vrije gelovige vrouwen te
     huwen, hij huwe hetgeen gij bezit, namelijk gelovige slavinnen. En
     Allah kent uw geloof het beste. Gij zijt van elkander; huwt haar
     daarom met de toestemming van haar meesters en geeft haar een
     huwelijksgift op de gebruikelijke wijze, kuis zijnde, geen ontucht
     plegende, noch er heimelijke minnaars op nahoudende. En indien zij,
     nadat zij gehuwd zijn zich schuldig maken aan ontrouw - geldt voor
     haar de helft van de straf, die voor de vrije vrouwen is
     voorgeschreven. Dit is voor degene uwer die vreest te zondigen.
     Maar het is beter voor u dat gij u weerhoudt en Allah is
     Vergevensgezind, Genadevol.

     26. Allah wenst u te onderrichten en te leiden naar de paden van
     degenen die vóór u waren en u Zijn barmhartigheid te betonen. Allah
     is Alwetend, Alwijs.

     27. En Allah wenst Zich in barmhartigheid tot u te wenden, maar
     zij, die hun lagere begeerte volgen, wensen dat gij ver zult
     afdwalen.

     28. Allah wil uw last verlichten, want de mens is zwak geschapen.

     29. O, gij die gelooft, gebruikt elkanders eigendom niet met leugen
     en bedrog maar handelt bij onderlinge overeenkomst. En pleeg geen
     zelfmoord. Voorzeker, Allah is u Genadevol.

     30. En wie dit ook doet bij wijze van overtreding en
     onrechtvaardigieid, hem zullen Wij in het Vuur werpen; en dat is
     voor Allah eenvoudig.

     31. Als gij de grootste dingen die u verboden zijn vermijdt, zullen
     Wij uw zwakheden voor u bedekken en u tot een plaats van grote eer
     toelaten.

     32. En begeert niet datgene, waarmede Allah sommigen uwer boven
     anderen deed uitblinken. Mannen zullen een aandeel hebben in
     hetgeen zij hebben verdiend en vrouwen zullen een aandeel hebben in
     hetgeen zij hebben verdiend. En vraagt om Allah's overvloed.
     Waarlijk, Allah kent alle dingen.

     33. En voor een ieder hebben Wij erfgenamen bepaald ten aanzien van
     hetgeen de ouders en de bloedverwanten nalaten; en van degenen met
     wie uw eden een overeenkomst hebben bekrachtigd, geeft ieder hunner
     daarom zijn deel. Waarlijk, Allah is Bewaker over alle dingen.

     34. Mannen zijn voogden over de vrouwen omdat Allah de enen boven
     de anderen heeft doen uitmunten en omdat zij van hun rijkdommen
     besteden. Deugdzame vrouwen zijn dus zij, die gehoorzaam zijn en
     heimelijk bewaren, hetgeen Allah onder haar hoede heeft gesteld. En
     degenen, van wie gij ongehoorzaamheid vreest, wijst haar terecht en
     laat haar in haar bedden alleen en tuchtigt haar. Als zij u dan
     daarna gehoorzamen, zoekt geen weg tegen haar. Waarlijk, Allah is
     Verheven, Groot.

     35. En als gij een breuk tussen hen vreest, stelt dan een
     scheidsrechter van zijn familie en van haar familie aan. Indien zij
     verzoening wensen zal Allah deze tussen hen tot stand brengen.
     Voorzeker, Allah is Alwetend, Alkennend.

     36. En aanbidt Allah en vereenzelvigt niets met Hem en bewijst
     vriendelijkheid aan ouders, verwanten, wezen, de behoeftigen en aan
     de nabuur, die een vreemdeling is en de nabuur die een bloedverwant
     is en aan de metgezel, de reiziger en aan degenen die onder uw
     macht zijn. Voorzeker, Allah heeft de pochers en de opscheppers
     niet lief.

     37. Evenmin die gierig zijn en de mensen aansporen ook gierig te
     zijn en die hetgeen Allah hun van Zijn overvloed heeft gegeven,
     verbergen. Wij hebben voor de ongelovigen een vernederende straf
     bereid,

     38. En voor degenen, die hun rijkdommen besteden om door de mensen
     te worden gezien en niet in Allah noch in de laatste Dag geloven.
     En wie Satan als metgezel heeft, heeft een kwade metgezel.

     39. Wat kan hun overkomen, indien zij in Allah en de laatste Dag
     zouden geloven en hadden weggegeven van hetgeen Allah hen heeft
     geschonken? Allah kent hen zeer goed.

     40. Waarlijk, Allah doet in het geheel geen onrecht aan. Als het
     een goede daad is vermenigvuldigt Hij deze en geeft van Zijn kant
     een grote beloning.

     41. En wat geschiedt, wanneer Wij een getuige van elk volk zullen
     roepen en u als getuige tegen deze zullen brengen?

     42. Op die Dag zullen zij, die verwierpen en de boodschapper niet
     gehoorzaamden, wensen, dat de aarde met hen gelijk zou worden
     gemaakt en zij zullen geen woord voor Allah kunnen verbergen.

     43. O, gij die gelooft, komt niet tot het gebed als gij bedwelmd
     zijt; totdat gij weet wat gij zegt, noch, wanneer gii onrein zijt
     tot gij u hebt gebaad, tenzij gij onderweg zijt. En indien gij ziek
     zijt, of op reis, of een uwer van de afzondering komt, of gij hebt
     vrouwen aangeraakt en gij vindt geen water, neemt dan uw toevlucht
     tot zuivere aarde en veegt er uw gezicht en handen mee af.
     Waarlijk, Allah is Inschikkelijk, Vergevensgezind.

     44. Kent gij niet degenen, die deel hebben aan het Boek? Zij geven
     de voorkeur aan dwaling en wensen, dat ook gij van de (rechte) weg
     moogt afdwalen.

     45. Allah kent uw vijanden goed. Allah is voldoende als Vriend en
     Allah is toereikend als Helper.

     46. Er zijn onder de Joden, die woorden uit hun verband rukken. En
     zij zeggen: " Wij horen en gehoorzamen niet" en "luistert gij,
     zonder te horen" en "Raainaa", terwijl zij woorden verdraaien en
     het geloof zoeken te schenden. En indien zij gezegd hadden: "Wij
     horen en wij gehoorzamen" en "hoort toe" en ,,Kijk ons aan" het dit
     beter en oprechter voor hen zijn geweest. Maar Allah heeft hen
     wegens hun ongeloof vervloekt, zij geloven dus slechts weinig.

     47. O, mensen van het Boek, gelooft in hetgeen Wij hebben
     nedergezonden, vervullende hetgeen bij u is voordat Wij uw leiders
     vernietigen en neerwerpen of hen vervloeken, zoals Wij het volk van
     de Sabbath vervloekten. Allah's gebod zal volbracht worden.

     48. Waarlijk, Allah vergeeft niet dat men iets met Hem
     vereenzelvigt, maar Hij zal al hetgeen daarbuiten staat vergeven,
     wie Hij wil. En wie iets met Allah vereenzelvigt, heeft inderdaad
     een zeer grote zonde begaan.

     49. Hebt gij over hen niet vernomen die zichzelf rein achten? Neen,
     Allah is het, Die reinigt, wie Hij wil. Hen zal niet het minste
     onrecht worden aangedaan.

     50. Zie, hoe zij een leugen tegen Allah smeden. En dat is,
     voorzeker, een klaarblijkelijke zonde.

     51. Hebt gij degenen niet waargenomen aan wie een gedeelte van het
     Boek was gegeven? Zij geloven in afgoden en duivelen en zeggen van
     de ongelovigen: "Dezen zijn beter geleid op het pad dan de
     gelovigen."

     52. Dezen zijn degenen die Allah heeft vervloekt en die Allah
     vervloekt voor hen zult gij geen helper vinden.

     53. Hadden zij een aandeel in het koninkrijk dan zouden zij de
     mensen zelfs het geringste onthouden.

     54. Of benijden zij de mensen om hetgeen Allah hun vanuit Zijn
     overvloed heeft gegeven? Waarlijk, Wij gaven aan de kinderen van
     Abraham het Boek en de Wijsheid en Wij gaven hun ook een groot
     koninkrijk.

     55. En sommigen hunner geloofden er in en sommigen hunner
     weerhielden anderen er van te (geloven). De hel, met het laaiende
     vuur is toereikend (voor hen).

     56. Gewis, degenen die Onze tekenen verwerpen zullen Wij weldra het
     Vuur doen binnengaan. Wij zullen hen telkens, wanneer hun huiden
     zijn verbrand, andere huiden er voor in de plaats geven; opdat zij
     de straf ten volle zullen ondergaan. Waarlijk, Allah is Almachtig,
     Alwijs.

     57. En degenen, die geloven en goede daden verrichten, zullen Wij
     tuinen doen binnengaan waar doorheen rivieren stromen om er eeuwig
     te vertoeven, daarin zullen zij reine metgezellen hebben en Wij
     zullen hen door schaduw omringen.

     58. Voorwaar, Allah gebiedt u het u toevertrouwde over te geven aan
     hen die er recht op hebben en dat, wanneer gij tussen mensen richt,
     gij rechtvaardig handelt. En waarlijk, voortreffelijk is datgene,
     waartoe Allah u maant. Voorzeker, Allah is de Alhorende, de
     Alziende.

     59. O, gij die gelooft, gehoorzaamt Allah en Zijn boodschapper en
     degenen, die onder u gezag hebben. En indien gij over iets twist,
     verwijst het naar Allah en Zijn boodschapper, als gij gelooft in
     Allah en de laatste Dag. Dit is beter en uiteindelijk het beste.

     60. Kent gij niet degenen, die beweren dat zij geloven in hetgeen u
     is geopenbaard en hetgeen vóór u is geopenbaard? Zij wensen recht
     te zoeken bij de opstandigen ofschoon het hun was geboden, dezen te
     verwerpen. En Satan wenst hen ver van het rechte pad te doen
     afdwalen.

     61. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Komt tot hetgeen Allah
     heeft nedergezonden en tot Zijn boodschapper", ziet gij dan de
     huichelaars zich vol afkeer van u afwenden?

     62. Hoe kan het dan dat, wanneer een rampspoed over hen komt door
     hetgeen zij verdienden, zij zwerend tot u komen: "Bij Allah, wij
     beoogden niets dan het goede (te doen) en verzoening?"

     63. Allah weet wat in het hart van dezen is. Wend u daarom van hen
     af en vermaan hen en spreek tot hen een doeltreffend woord ten bate
     van henzelf.

     64. Wij zenden geen boodschapper of hij moet worden gehoorzaamd
     volgens Allah's gebod. Als zij tot u waren gekomen, toen zij hun
     ziel onrecht hadden aangedaan en Allah om vergiffenis hadden
     gevraagd en de boodschapper ook om vergiffenis voor hen had
     gevraagd, zouden zij Allah voorzeker Berouwaanvaardend, Genadevol
     hebben bevonden.

     65. Maar neen, bij uw Heer, zij zullen geen gelovigen zijn, voordat
     zij u (profeet) tot rechter maken over al hun geschillen en in hun
     hart geen aarzeling vinden aangaande hetgeen gij oordeelt en zij
     zich geheel en al onderwerpen.

     66. En indien Wij hun hadden geboden: "Wijdt u ten dode" of:
     "verlaat uw huizen" zouden zij het met uitzondering van weinigen
     hunner niet hebben gedaan en indien zij hetgeen hun gemaand was te
     doen, hadden gedaan, zou het voor hen zeker goed zijn geweest en
     het, beste ter versterking (van hun geloof).

     67. En Wij zouden hun gewis een grote beloning van Ons hebben
     gegeven.

     68. En Wij zouden hen zeker op het rechte pad hebben geleid.

     69. En wie aldus Allah en deze boodschapper gehoorzaamt, zal zijn
     onder degenen wie Allah Zijn zegeningen heeft geschonken, namelijk,
     de profeten, de waarachtigen, de getuigen (martelaars) en de goeden
     en dezen zijn uitstekende metgezellen.

     70. Dit is de genade van Allah en Allah is toereikend als de
     Alwetende.

     71. O, gij die gelooft, neemt uw voorzorgsmaatregelen, rukt dan op
     in afzonderlijke groepen of allen tezamen.

     72. En onder u is hij, die achter blijft en als u een rampspoed
     overkomt, zegt hij: "Waarlijk, Allah is mij genadig geweest omdat
     ik niet bij hen tegenwoordig was."

     73. Maar als een genade van Allah tot u komt, zegt hij - alsof er
     geen vriendschap tussen u en hem bestond - "Ware ik bij hen
     geweest, dan zou ik inderdaad een groot voordeel hebben bereikt."

     74. Laten derhalve zij, die hun tegenwoordig leven voor het leven
     in het Hiernamaals willen offeren, voor de zaak van Allah strijden.
     En wie voor de zaak van Allah strijdt, hetzij hij gedood wordt of
     overwint, weldra zullen Wij hem een grote beloning geven.

     75. En waarom strijdt gij niet voor de zaak van Allah en voor de
     zwakken -- mannen, vrouwen en kinderen - die zeggen: "Onze Heer,
     neem ons uit deze stad waarvan de bewoners onderdrukkers zijn en
     schenk ons een vriend en een helper uwerzijds.

     76. Zij die geloven, strijden voor de zaak van Allah, maar de
     ongelovigen strijden voor de zaak van de boze. Strijdt daarom tegen
     de vrienden van Satan; voorzeker, Satan's plan is zwak.

     77. Ziet gij niet degenen, tot wie gezegd werd: "Weerhoudt uw
     handen, houdt het gebed en betaalt de Zakaat? " En wanneer het
     strijden hun is voorgeschreven, ziet, een deel hunner vreest de
     mensen zoals men Allah behoort te vrezen, of zelfs nog erger en zij
     zeggen: "Onze Heer, waarom hebt Gij ons het strijden
     voorgeschreven? Waarom hebt Gij ons niet voor een korte tijd
     uitstel verleend?" Zeg: "Het voordeel van deze wereld is gering en
     het Hiernamaals zal beter zijn voor hem die Allah vreest. En u zal
     niet het minste onrecht worden aangedaan.

     78. Waar gij ook zijt, de dood zal u achterhalen, zelfs al waart
     gij in sterk gebouwde torens. En als hen iets goeds overkomt zeggen
     zij: "Dit komt van Allah" en als hen iets kwaads overkomt zeggen
     zij: "Dit komt van u" (van de profeet). Zeg: "Alles komt van
     Allah". Wat scheelt deze mensen, dat zij het woord niet willen
     begrijpen?

     79. Welk goed ook tot u komt, dat komt van Allah en welk kwaad u
     overkomt, komt door uzelf. En wij hebben u als boodschapper tot de
     mensheid gezonden; Allah is als Getuige toereikend.

     80. Wie de boodschapper gehoorzaamt, gehoorzaamt inderdaad Allah en
     wie zich afkeert - tot hen hebben wij u niet als bewaker gezonden.

     81. En zij zeggen: "Gehoorzaamheid", maar wanneer zij van u
     weggaan, smeedt een deel hunner plannen in de nacht tegen hetgeen
     gij hebt gezegd. Allah tekent op, al hetgeen zij beramen gedurende
     de nacht. Wend u dus van hen af en stelt uw vertrouwen in Allah
     alleen. Allah is toereikend als Voogd.

     82. Denken zij dan niet na over de Koran? Was deze van iemand
     anders dan van Allah dan hadden zij zeker menige tegenstrijdigheid
     daarin ontdekt.

     83. En als er enig nieuws tot hen komt, hetzij over vrede of over
     vrees, verspreiden zij het en indien zij het naar de boodschapper
     hadden verwezen en naar hun gezaghebbers dan zouden degenen, die
     het konden verwerken, het zeker hebben begrepen. En ware Allah's
     genade en Zijn barmhartigheid niet over u, dan zoudt gij zeker met
     uitzondering van enkelen, Satan hebben gevolgd.

     84. Strijd daarom voor de zaak van Allah - slechts gij wordt
     verantwoordelijk gesteld - en spoor de gelovigen aan. Het kan zijn,
     dat Allah de macht der ongelovigen zal beteugelen en Allah is
     sterker in macht en streng in het opleggen van straf.

     85. Wie het goede bijvalt, zal er aandeel aan hebben en wie het
     kwade bijvalt zal er een gelijk aandeel aan hebben; En Aliah houdt
     toezicht over alles.

     86. En wanneer gij met een groet wordt begroet, groet dan terug met
     een betere groet, of geeft deze althans terug. Voorzeker, Allah
     houdt rekening met alle dingen.

     87. Allah! Er is geen God, dan Hij. Hij zal u zeker bijeenroepen op
     de Dag der Opstanding, waaromtrent geen twijfel is. En wie is
     waarachtiger in Zijn woord, dan Allah?

     88. Waarom zijt gij betreffende de huichelaars (in) twee partijen
     (verdeeld)? Allah heeft hen neergeslagen wegens hetgeen zij
     verdienden. Wenst gij hen te leiden, die Allah te gronde deed gaan?
     En voor hen, die Allah doet dwalen, zult gij geen uitweg vinden.

     89. Zij wensen dat gij verwerpt, evenals zij hebben verworpen,
     zodat gij aan hen gelijk zult worden. Neemt derhalve geen vrienden
     uit hun midden totdat zij voor de zaak van Allah werken. En indien
     zij tot vijandschap vervallen, grijpt hen dan en doodt hen waar gij
     hen ook vindt; en neemt vriend noch helper uit hun midden.

     90. Behalve degenen die tot een volk behoren waarmee gij een
     verbond gesloten hebt, of zij die tot u komen terwijl hun hart zich
     verzet u te bestrijden of hun eigen volk aan te vallen. En indien
     Allah wilde, zou Hij hun macht tegen u hebben gegeven; dan zouden
     zij zeker tegen u hebben gevochten. Dus, als zij zich van u op een
     afstand houden en u niet bestrijden en u vrede aanbieden - heeft
     Allah u niet toegestaan iets tegen hen te ondernemen.

     91. Gij zult anderen vinden die veilig bij u willen zijn en bij hun
     eigen volk; telkens wanneer zij tot vijandigheid worden opgeroepen,
     doen zij blindelings mee. Als zij zich derhalve niet op een afstand
     van u houden, noch u vrede aanbieden, noch hun handen terughouden,
     grijpt hen dan aan en doodt hen waar gij hen ook vindt. Tegen dezen
     hebben Wij u duidelijk gezag gegeven.

     92. Het betaamt een gelovige niet, een andere gelovige te doden,
     tenzij dit bij vergissing gebeurt. En wie een gelovige bij
     vergissing doodt moet een gelovige slaaf bevrijden en bloedgeld
     betalen ter overhandiging aan de erfgenamen, tenzij deze het uit
     liefdadigheid kwijtschelden. Maar indien hij (de gedode) tot een u
     vijandig gezind volk behoort en een gelovige is, dan moet (de
     overtreder) een gelovige slaaf bevrijden en als hij van een volk is
     waarmede gij een verbond hebt, dan moet een bloedgeld aan zijn
     familie worden betaald en een gelovige slaaf worden bevrijd. Maar
     wie er geen vindt, moet twee maanden achtereenvolgens vasten - een
     boete van Allah. En Allah is Alwetend, Alwijs.

     93. En wie een gelovige opzettelijk doodt, zijn vergelding zal de
     hel zijn; daarin zal hij vertoeven. Allah's toorn is op hem; Hij
     heeft hem vervloekt en zal hem een grote straf bereiden.

     94. O, gij die gelooft, wanneer gij voor Allah's zaak oprukt,
     onderzoekt dan en zegt niet tegen iemand die u met de vredesgroet
     begroet: "Gij zijt geen gelovige". Zoekt gij de goederen van dit
     leven? Bij Allah zijn goede dingen in overvloed. Zo waart gij
     voordien maar Allah bewees u Zijn gunst; stelt daaromtrent een
     nauwkeurig onderzoek in. Voorzeker, Allah weet, wat gij doet.

     95. Diegenen der gelovigen die niets doen, met uitzondering der
     onbekwamen, zijn niet gelijk aan degenen die met hun rijkdommen en
     hun persoon terwille van Allah strijden. Allah heeft degenen, die
     met hun rijkdommen en hun persoon strijden doen uitmunten boven de
     rustenden en aan ieder heeft Allah het goede beloofd. Allah zal de
     strijders boven de stilzittenden doen uitblinken door een grote
     beloning,

     96. nl. in graden, ook van vergiffenis en barmhartigheid. En Allah
     is Vergevensgezind, Genadevol.

     97. Voorwaar de engelen zullen tot hen die ze doen sterven, terwijl
     dezen hun eigen ziel onrecht aandoen, zeggen: "In welke toestand
     waart gij?" Zij zullen antwoorden: "Wij waren in het land
     machteloos." Zij (de engelen) zullen echter zeggen: "Was Allah's
     aarde u niet groot genoeg om daarop te verhuizen?" Zij zijn het,
     wier tehuis de hel zal zijn en dat is een kwade bestemming.

     98. Met uitzondering van de zwakken onder de mannen en vrouwen en
     kinderen, die geen middelen tot en beschikking hebben, noch een weg
     kunnen vinden.

     99. Dezen zijn het, wie Allah moge vergeven, want Allah is de
     Inschikkelijke, de Vergevensgezinde.

     100. Wie terwille van Allah vlucht, zal op aarde toevluchtsoorden
     en overvloed vinden. En wie van zijn huis weggaat, zijn land
     verlatend terwille van Allah en Zijn boodschapper en de dood
     achterhaalt hem - zijn beloning bij Allah staat vast; Allah is
     Vergevensgezind, Genadevol.

     101. En wanneer gij door het land reist, zal het voor u geen zonde
     zijn het gebed te bekorten, als gij vreest dat degenen, die niet
     geloven u last zullen veroorzaken. Voorwaar, de ongelovigen zijn
     een openlijke vijand voor u.

     102. En wanneer gij in hun midden zijt en het gebed voor hen leidt,
     laat een deel hunner bij u staan en hun wapenen meenemen. En
     wanneer zij hun prostratie hebben verricht, laat hen achter u gaan
     en laat die andere groep, die nog niet gebeden heeft naar voren
     komen en met u bidden en laat hen hun afweermiddelen en wapenen
     medenemen. De ongelovigen wensen, dat gij onachtzaam wordt op uw
     wapenen en uw bagage, zodat zij u plotseling overvallen. En als gij
     uw wapenen opzij legt indien de regen u stoort, of indien gij ziek
     zijt, zal dat voor u geen zonde zijn. Maar gij dient uw
     afweermiddelen steeds mede te nemen. Voorzeker, Allah heeft voor de
     ongelovigen een vernederende straf bereid.

     103. Wanneer gij het gebed hebt beëindigd, gedenkt dan Allah,
     staande, zittende en op uw zijde liggende. En, wanneer gij veilig
     zijt, houdt het gebed, voorwaar, het gebed is de gelovigen op
     vastgestelde uren opgelegd.

     104. En toont geen zwakheid in de vervolging van dit (vijandige)
     volk. Als gij lijdt, lijden zij ook zoals gij lijdt. Maar gij
     verwacht van Allah, wat zij niet verwachten. En Allah is Alwetend,
     Alwijs.

     105. Wij hebben u waarlijk het Boek (de Koran), dat. de waarheid
     bevat, nedergezonden, opdat gij tussen de mensen zoudt richten door
     hetgeen Allah u heeft onderwezen. En wees geen pleiter voor de
     oneerlijken.

     106. En vraagt vergiffenis van Allah. Voorzeker, Allah is
     Vergevensgezind, Genadevol.

     107. Pleit niet voor degenen, die hun ziel onrecht aandoen.
     Voorzeker, Allah heeft degene, die volkomen oneerlijk en een groot
     zondaar is, niet lief.

     108. Zij trachten zich voor de mensen te verbergen, maar zij kunnen
     zich niet voor Allah verbergen en Hij is bij hen wanneer zij de
     nacht doorbrengen met een bespreking, die Hem niet behaagt. Allah
     weet, wat zij doen.

     109. Ziet, gij zijt degenen die in het tegenwoordige leven voor hen
     pleiten. Maar wie zal bij Allah voor hen pleiten op de dag der
     opstanding, of wie zal een voogd over hen zijn?

     110. Wie kwaad doet of zijn ziel onrecht aandoet en daarna Allah om
     vergiffenis vraagt, zal Allah Vergevensgezind, Genadevol vinden.

     111. En wie een zonde begaat, begaat deze slechts jegens zijn eigen
     ziel. En Allah is Alwetend, Alwijs.

     112. Wie een fout of een zonde begaat en deze dan aan een
     onschuldige toeschrijft, draagt voorzeker de (schuld van) lastering
     en klaarblijkelijke zonde.

     113. Ware Allah's genade en barmhartigheid niet over u, dan zou een
     gedeelte hunner hebben besloten u te vernietigen, maar zij
     vernietigen niemand dan zichzelf en zij kunnen u in het geheel niet
     schaden. En Allah heeft u het Boek en de Wijsheid nedergezonden en
     heeft u in hetgeen gij niet wist, onderwezen en Allah's genade aan
     u is groot.

     114. Er steekt in de beraadslagingen (der huichelaars) niets goeds;
     in tegenstelling tot diegenen die tot liefdadigheid of goedheid, of
     het stichten van vrede onder de mensen aansporen. En wie dit doet
     wijl hij Allah's welbehagen zoekt, hem zullen Wij een grote
     beloning schenken.

     115. En hij, die zich tegen de boodschapper verzet nadat diens
     leiding hem duidelijk is geworden en die een andere weg dan die der
     gelovigen volgt, Wij zullen hem laten volgen wat hij wil en Wij
     zullen hem in de hel werpen. Dat is een kwade bestemming.

     116. Allah vergeeft niet dat iets met Hem vereenzelvigd wordt en
     Hij zal, buiten dat, vergeven wie Hij wil. En wie iets met Allah
     vereenzelvigt, is inderdaad ver afgedwaald.

     117. Zij roepen buiten Hem niets aan dan godinnen dingen en zij
     roepen niemand aan dan Satan, de opstandige.

     118. Allah heeft hem vervloekt. En hij (Satan) zeide: "Ik zal
     voorzeker een bepaald deel van uw dienaren nemen."

     119. "En ik zal hen zeker doen dwalen en ijdele begeerten in hen
     opwekken en ik zal hen voorzeker ophitsen en zij zullen de oren van
     het vee afsnijden en ik zal hen voorzeker aansporen en zij zullen
     Allah's schepping bederven." Derhalve hij, die buiten Allah Satan
     tot vriend neemt, zal zeker zichtbaar verlies leiden.

     120. Hij doet hun beloften en wekt begeerten en Satan belooft hun
     niets dan bedrog.

     121. Dezen zijn het, wier tehuis de hel is en zij zullen voor het
     Vuur geen wijkplaats vinden.

     122. Degenen, die geloven en goede werken verrichten, zullen Wij in
     tuinen toelaten, waar doorheen rivieren stromen en zij zullen daar
     voor eeuwig vertoeven. De belofte van Allah is werkelijkheid en wie
     is waarachtiger in woord, dan Allah?

     123. Niet naar uw wensen (de ongelovigen), noch naar de wensen van
     de mensen van het Boek. Wie kwaad doet zal er voor worden gestraft
     en hij zal buiten Allah vriend, noch helper vinden.

     124. Maar, wie goede werken verricht, hetzij man of vrouw, en
     gelovig is, zal de Hemel binnengaan en hem zal niet het geringste
     onrecht worden aangedaan.

     125. En wie is beter in geloof dan hij, die zich aan Allah
     onderwerpt en die het goede doet en de godsdienst volgt van Abraham
     de oprechte? Allah nam Abraham tot vriend.

     126. En aan Allah behoort alles, wat in de hemelen en alles wat op
     aarde is en Allah omvat alle dingen.

     127. En zij (de gelovigen) vragen uw uitspraak over de vrouwen;
     Zeg: "Allah geeft u Zijn uitspraak over haar; alsmede hetgeen u in
     het Boek (de Koran) is verkondigd over de weesmeisjes, aan wie gij
     het haar toegekende niet geeft en die gij wenst te huwen en over de
     zwakken onder de kinderen en dat gij de wezen rechtvaardig moet
     behandelen. En welke weldaad gij ook verricht, voorzeker, Allah
     weet het goed.

     128. Als een vrouw mishandeling of onverschilligheid van haar man
     vreest, zal het geen blaam voor hen zijn als zij een verzoening met
     elkander tot stand brengen - verzoening is het beste. De mensen
     zijn tot gierigheid geneigd. En als gij goed doet en rechtvaardig
     zijt, waarlijk dan is Allah op de hoogts van wat gij doet.

     129. Gij kunt geen volkomen gelijkheid tussen vrouwen handhaven,
     hoe gaarne gij het ook zoudt wensen. Maar neigt niet geheel tot
     één, zodat gij de andere in onzekerheid laat. En als gij u betert
     en vroom zijt, dan is Allah voorzeker Vergevensgezind, Genadevol.

     130. En als zij scheiden, dan zal Allah hen beiden door Zijn
     overvloed onafhankelijk maken; Allah is Milddadig, Alwijs.

     131. Aan Allah behoort, wat in de hemelen en wat op aarde is. En
     wij hebben zeker degenen aan wie vóór u het Boek werd gegeven en
     ook u geboden: Allah te vrezen. Maar als gij verwerpt - voorzeker
     wat in de hemelen en op de aarde is behoort aan Allah en Allah is
     Onafhankelijk, Lofwaardig.

     132. En aan Allah behoort alles, wat in de hemelen en alles, wat op
     aarde is en Allah is voldoende als Voogd.

     133. Indien Hij wil, zal Hij u, o volk, wegnemen en anderen in uw
     plaats brengen en Allah heeft de volle macht, dit te doen.

     134. Wie de beloning dezer wereld verlangt - bij Allah is de
     beloning dezer wereld en van de volgende en Allah is Alhorend,
     Alziend.

     135. O, gij die gelooft, weest voorstanders der rechtvaardigheid,
     getuigen voor Allah, zelfs al was het tegen uzelf, of ouders en
     verwanten. Hetzij rijk of arm, Allah is beter dan beiden. Volgt
     niet de begeerten, opdat gij niet onrechtvaardig zult zijn. En als
     gij de waarheid omzeilt of er u van afwendt, Allah is goed op de
     hoogte van wat gij doet.

     136. O gij die gelooft, gelooft in Allah en Zijn boodschapper en in
     het Boek dat Hij Zijn boodschapper heeft geopenbaard, en in het
     Boek, dat Hij voordien openbaarde. En wie Allah en Zijn engelen en
     Zijn Boeken en Zijn boodschappers en de laatste Dag verwerpt, is
     waarlijk ver afgedwaald.

     137. Voorzeker, degenen die geloven, daarna verwerpen, dan wederom
     geloven dan wederom verwerpen en daarna in ongeloof toenemen, hen
     zal Allah niet vergeven, noch zal Hij hen op de rechte weg leiden.

     138. Verkondig de huichelaars, dat hen een pijnlijke straf wacht.

     139. Zij, die ongelovigen tot vrienden nemen liever dan gelovigen,
     - zoeken zij eer bij hen hoewel alle eer aan Allah behoort?

     140. En Hij heeft u reeds in het Boek ( Koran) geopenbaard, dat
     wanneer gij hoort dat Allah's tekenen worden verloochend en bespot,
     gij niet (eerder) met hen samen zult zijn, dan dat zij zieh met een
     ander onderwerp bezig houden, anders zoudt gij hun gelijk zijn.
     Voorzeker, Allah zal de huichelaars en de ongelovigen allen tezamen
     in de hel bijeenbrengen.

     141. Degenen, die afwachten tot u een overwinning van Allah ten
     deel valt, zeggen: "Waren wij niet met u?" En als de ongelovigen er
     aandeel in krijgen, zeggen zij (tot hen): "Hebben wij niet de
     overhand over u gekregen en u beschermd tegen de gelovigen?" Allah
     zal op de Dag des Oordeels tussen u richten en Allah zal de
     ongelovigen op generlei wijze over de gelovigen doen zegevieren.

     142. De huichelaars trachten Allah te bedriegen, maar Hij zal hen
     voor hun bedrog straffen. En wanneer zij zich oprichten om te
     bidden, staan zij loom, en tonen zich aan de mensen en gedenken
     Allah slechts weinig,

     143. Weifelend tussen dat en dit. Zij behoren noch tot dezen, noch
     tot genen. En voor hem, die Allah doet dwalen, zult gij geen uitweg
     vinden.

     144. O, gij die gelooft, neemt geen ongelovigen tot vrienden boven
     de gelovigen. Wilt gij Allah een duidelijk bewijs tegen uzelf
     geven?

     145. De huichelaars zullen zeker in de diepste diepte van het Vuur
     zijn en gij zult voor hen geen helper vinden.

     146. Behalve degenen, die berouw hebben en zich verbeteren en aan
     Allah vasthouden en hun gehoorzaamheid zuiver houden voor Allah.
     Dezen behoren tot de gelovigen. En Allah zal de gelovigen weldra
     een grote beloning geven.

     147. Waarom zou Allah u straffen, als gij dankbaar zijt en gelooft?
     Allah is Waarderend, Alwetend.

     148. Allah houdt niet van het uiten van beledigende taal in het
     openbaar, behalve door iemand, die onrecht wordt aangedaan; en
     Allah is Alhorend, Alwetend.

     149. Of gij een goede daad openlijk verricht of deze verbergt, of
     een kwaad vergeeft, Allah is voorzeker de Inschikkelijke, de
     Almachtige.

     150. Waarlijk, degenen die Allah en Zijn boodschappers verwerpen en
     onderscheid wensen te maken tussen Allah en Zijn boodschappers,
     zeggende: "Wij geloven in sommige en niet in andere," zij willen
     een tussenweg volgen.

     151. Dezen zijn inderdaad de ongelovigen en Wij hebben voor de
     ongelovigen een vernederende straf bereid.

     152. En degenen, die in Allah en al Zijn boodschappers geloven en
     geen onderscheid tussen wie dan ook, maken, dezen zijn het, wie Hij
     spoedig hun beloning zal geven; Allah is Vergevensgezind,
     Genadevol.

     153. De mensen van het Boek vragen u een Boek uit de hemel op hen
     te doen nederdalen. Zij vroegen Mozes meer dan dit, zij zeiden:
     "Toon ons Allah openlijk." Toen trof hen de bliksem wegens hun
     overtreding. Daarna, hoewel duidelijke tekenen tot hen gekomen
     waren, namen zij toch het (gouden) kalf (ter aanbidding) aan, doch
     Wij vergaven hun dat. En Wij bekleedden Mozes met duidelijk gezag.

     154. Wij verhieven de berg hoog boven hen tijdens het verbond met
     hen en Wij zeiden: "Gaat de poort ootmoedig binnen" en: "Overtreedt
     niet inzake de Sabbath". En Wij sloten met hen een vast verbond.

     155. Om hun schending van hun verbond en de verwerping van Allah's
     tekenen en het ten onrechte doden van de profeten en omdat ze
     zeggen: "Onze harten zijn gesluierd" - neen, Allah heeft deze
     wegens hun ongeloof verzegeld, derhalve geloven zij slechts weinig;

     156. Om hun ongeloof en het uiten van een kwaadaardige laster tegen
     Maria;

     157. En om hun zeggen: "Wij hebben de Messias, Jezus, zoon van
     Maria, de boodschapper van Allah gedood", - maar zij doodden hem
     niet, noch kruisigden zij hem (ten dode), - doch het werd hun
     verward, en zij, die hierover van mening verschilden zijn zeker in
     twijfel, zij hebben er geen kennis van doch volgen slechts een
     vermoeden en zij doodden hem gewis niet,

     158. Integendeel, Allah verhief hem tot Zich en Allah is Almachtig,
     Alwijs.

     159. Er is niemand onder de mensen van het Boek die er niet in zal
     geloven vóór zijn dood. En op de Dag der Opstanding zal hij (Jezus)
     getuige tegen hen zijn, -

     160. En wegens de onrechtvaardigheid van de Joden en hun weerhouden
     van Allah's weg, verboden Wij hen de reine dingen die ben
     (voordien) waren toegestaan.

     161. En om het nemen van rente, ofschoon het hun was verboden en
     het onrechtvaardig opslokken van 's mensen rijkdommen, hebben Wij
     voor degenen onder hen die niet geloven een pijnlijke straf bereid.

     162. Maar degenen hunner, die een grondige kennis bezitten en de
     gelovigen, geloven in hetgeen u is geopenbaard en hetgeen vóór u
     werd nedergezonden; en degenen, die het gebed houden en degenen,
     die de Zakaat betalen en degenen, die in Allah en de laatste Dag
     geloven, dezen zullen Wij zeker een grote beloning geven.

     163. Waarlijk, Wij hebben u de openbaring gezonden, zoals Wij Noach
     en de profeten na hem openbaring zonden en Wij gaven een openbaring
     aan Abraham en Ismaël en Izaäk en Jacob en de stammen; en aan
     Jezus, Job, Jonas, Aäron en Salomo en Wij gaven David een psalmen.

     164. Wij zonden boodschappers, welke Wij reeds hebben genoemd en
     boodschappers welke Wij u niet hebben genoemd en Allah sprak
     openlijk tot Mozes.

     165. Boodschappers, brengende blijde tijding en waarschuwende, dat
     de mensen geen tegenwerping tegen Allah zullen maken nadat de
     boodschappers (waren gekomen). En Allah is Almachtig, Alwijs.

     166. Maar Allah getuigt dat, hetgeen Hij u heeft nedergezonden, Hij
     dit heeft nedergezonden met Zijn kennis en de engelen getuigen
     eveneens en Allah is als getuige toereikend.

     167. Zij, die verwerpen en (anderen) van Allah's weg afhouden, zijn
     zeker ver afgedwaald.

     168. Waarlijk degenen, die niet geloven en die onrechtvaardig
     handelen, Allah zal hen niet vergeven, noch zal Hij hun een andere
     weg wijzen,

     169. Dan de weg der hel, waarin zij voor een lange tijd zullen
     vertoeven. Dat is voor Allah gemakkelijk.

     170. O mensdom, de boodschapper is inderdaad met waarheid van uw
     Heer gekomen, gelooft daarom; het zal beter voor u zijn. Maar als
     gij niet gelooft, voorwaar, aan Allah behoort wat in de hemelen en
     op aarde is en Allah is Alwetend, Alwijs.

     171. O, mensen van het Boek, overdrijft in uw godsdienst niet en
     zegt van Allah niets dan de waarheid. Voorwaar, de Messias, Jezus,
     zoon van Maria was slechts een boodschapper van Allah en Zijn woord
     tot Maria gegeven als barmhartigheid van Hem. Gelooft dus in Allah
     en Zijn boodschappers en zegt niet: "Drie (in één)." Houdt op, dat
     is beter voor u. Voorwaar, Allah is de enige God. Het is verre van
     Zijn heiligheid, dat Hij een zoon zou hebben. Aan Hem behoort wat
     in de hemelen en op aarde is en Allah is als Bewaarder afdoende.

     172. Voorzeker, de Messias zal het nooit versmaden, een dienaar van
     Allah te zijn, noch zullen de nabijzijnde engelen dit doen en wie
     het versmaadt Hem te aanbidden, en hoogmoedig is, Hij zal hen toch
     allen tot Zich roepen.

     173. Maar degenen die geloven en goede werken verrichten, zal Hij
     hun beloning ten volle geven en meer dan dat uit Zijn overvloed,
     maar degenen die versmaadden en hoogmoedig waren, zal Hij met een
     pijnlijke straf straffen; zij zullen buiten Allah vriend, noch
     helper voor zich vinden.

     174. O, gij mensen, een duidelijk bewijs is inderdaad van uw Heer
     tot u gekomen en Wij hebben een helder licht tot u nedergezonden.

     175. Daarom, zij die in Allah geloven en aan Hem vasthouden zal Hij
     zeker tot Zijn barmhartigheid en genade toelaten en hen op het
     rechte pad tot Zich voeren.

     176. Zij vragen om een uitspraak. Zeg: "Allah geeft Zijn uitspraak
     betreffende "Kalalah": Indien een man sterft en geen kind
     achterlaat en hij heeft een zuster, dan moet zij de helft van
     hetgeen hij nalaat ontvangen en hij zal van haar erven (alles)
     indien zij geen kind heeft. Maar als er twee zusters zijn, dan
     moeten zij twee derde van hetgeen hij nalaat ontvangen. En als er
     meer zijn - zowel mannen als vrouwen - dan zal de man evenveel als
     het aandeel van twee vrouwen ontvangen. Allah legt u dit uit, opdat
     gij niet zult afdwalen; Allah heeft kennis van alle dingen.


     -------------------------------------------------------------------
     -----

     5. Het Tafel (Al-Maidah) (de gedekte tafel-eng)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Strofe drie bevat waarschijnlijk de laatste woorden van de Koran
     die werden gereveleerd. Geopenbaard nà de Hidjrah. Dit hoofdstuk
     heeft 120 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. O, gij die gelooft, komt uw verdragen na. Viervoetige dieren
     buiten die welke u zijn aangegeven, zijn u geoorloofd; het wild is
     niet geoorloofd te achten terwijl gij ter bedevaart zijt. Voorwaar,
     Allah gebiedt wat Hij wil.

     2. O, gij die gelooft, ontheiligt de tekenen van Allah niet, noch
     de heilige maand, noch de offerdieren, noch dieren met offertekens,
     noch degenen, die zich naar het heilige Huis begeven om genade van
     hun Heer en Zijn welbehagen te zoeken. Maar wanneer gij u van uw
     pelgrimskleed ontdoet, moogt gij jagen. En laat de vijandschap van
     een volk, omdat zij u de toegang tot de heilige Moskee verhinderen,
     u niet tot geweld aansporen. En helpt elkander in deugdzaamheid en
     vroomheid maar helpt elkander niet in zonde en overtreding. En
     vreest Allah. Waarlijk, Allah is streng in het straffen.

     3. Verboden is u het gestorvene, het bloed en het varkensvlees en
     al waarover een andere naam dan die van Allah is aangeroepen;
     hetgeen is geworgd en is doodgeslagen en hetgeen is doodgevallen of
     hetgeen door de horens van dieren is gedood en hetgeen door een
     wild beest is aangevreten, behalve wat gij hebt geslacht. Verder
     hetgeen voor afgoden is geslacht en wat gij loot door pijlen, dit
     is een overtreding. Heden zullen de ongelovigen aan uw godsdienst
     wanhopen. Vreest dus niet hen, maar Mij. Nu heb Ik uw godsdienst
     voor u vervolmaakt, Mijn gunst aan u voltooid en de Islam voor u
     als godsdienst gekozen. Maar wie door honger wordt gedwongen zonder
     dat hij tot de zonde is geneigd, voorzeker, Allah is
     Vergevensgezind, Genadevol.

     4. Zij vragen u, wat hun geoorloofd is. Zeg: Alle goede dingen zijn
     u geoorloofd en hetgeen gij dieren en roofvogels hebt geleerd
     terwille van de jacht, zoals Allah u heeft onderwezen. Eet dus van
     hetgeen zij voor u vangen en spreekt er Allah's Naam over uit. En
     vreest Allah. Voorzeker, Allah is vlug in het verrekenen.

     5. Alle goede dingen zijn u deze dag geoorloofd. Het voedsel der
     mensen van het Boek is u geoorloofd en uw voedsel is hun
     toegestaan. En geoorloofd zijn voor u kuise, gelovige vrouwen en
     kuise vrouwen uit het midden dergenen, wie het Boek was gegeven
     vóór u, wanneer gij haar haar huwelijksgift geeft, een geldig
     huwelijk aangaande en geen ontucht plegende, noch heimelijk
     minnaressen nemende. En wie het geloof verwerpt, diens werk is
     waarlijk tevergeefs en hij zal in het Hiernamaals onder de
     verliezers zijn.

     6. O, gij die gelooft, wanneer gij u opricht tot het gebed, wast uw
     gezicht en uw handen tot aan de ellebogen en wrijft uw (natte)
     handen over uw hoofden en (wast) uw voeten tot aan de enkels. En
     als gij onrein zijt, reinigt u. En als gij ziek of op reis zijt en
     een uwer komt van de afzondering, of gij hebt vrouwen aangeraakt en
     gij vindt geen water, zoekt dan uw toevlucht tot zuivere aarde en
     veegt daarmede uw gezicht en handen af. Allah wenst u niet in
     moeilijkheden te brengen, maar Hij wenst u te reinigen en Zijn
     gunst aan u te vervolmaken, opdat gij dankbaar zult zijn.

     7. En gedenkt Allah's gunst aan u en het verbond dat Hij met u
     sloot, toen gij zeidet: "Wij horen en wij gehoorzamen." En vreest
     Allah. Voorzeker, Allah weet goed, wat in uw innerlijk is.

     8. O, gij die gelooft, weest oprecht voor Allah en getuigt met
     rechtvaardigheid. En laat de vijandschap van een volk u niet
     aansporen, om onrechtvaardig te handelen. Weest rechtvaardig, dat
     is dichter bij de vroomheid en vreest Allah, voorzeker, Allah is op
     de hoogte van hetgeen gij doet.

     9. Allah heeft degenen, die geloven en goede daden verrichten
     beloofd, dat zij vergiffenis en een grote beloning zullen
     verkrijgen.

     10. En degenen, die niet geloven en Onze tekenen verwerpen, zullen
     de bewoners der hel zijn.

     11. O, gij die gelooft, gedenkt Allah's gunst aan u toen een volk
     zijn handen tegen u wilde uitsteken, maar Hij weerhield hun handen
     en vreest Allah. Op Allah moeten de gelovigen zich verlaten.

     12. Waarlijk Allah sloot een verbond met de kinderen Israëls en Wij
     verwekten twaalf leiders uit hun midden. En Allah zeide:
     "Voorzeker, Ik ben met u. Indien gij het gebed houdt en de Zakaat
     betaalt en in Mijn boodschappers gelooft en hen bijstaat en aan
     Allah's (dienst) een goede lening verstrekt, zal Ik uw zonden van u
     verwijderen en u in tuinen toelaten, waar doorheen rivieren
     stromen. Maar wie onder u daarna dit verwerpt, is inderdaad van het
     rechte pad afgedwaald."

     13. En wegens hun breken van het verbond hebben Wij hen vervloekt
     en hun hart verhard. Zij rukken de woorden uit hun verband en
     hebben een deel van hetgeen hun was vermaand, vergeten. En gij zult
     hen altijd oneerlijk bevinden op enkelen na, derhalve vergeef hen
     en wend u van hen af. Voorzeker, Allah heeft degenen, die goeddoen,
     lief.

     14. En met degenen die zeggen: "Wij zijn Christenen, sloten Wij
     (eveneens) een verbond, maar zij vergaten een deel van hetgeen hen
     was voorgehouden. Daarom deden Wij vijandschap en haat onder hen
     ontstaan, tot de Dag der Opstanding. Allah zal hen weldra laten
     weten, wat zij deden.

     15. O, mensen van het Boek, Onze boodschapper is tot u gekomen, die
     veel van hetgeen voor u verborgen bleef van het Boek heeft
     ontsluierd en veel overgeslagen. Er is van Allah inderdaad een
     licht en een duidelijk Boek tot u gekomen.

     16. En Allah leidt daarmede degenen die Zijn welbehagen zoeken op
     de paden van vrede en leidt hen uit de duisternis tot het licht
     door Zijn gebod en leidt hen naar het rechte pad.

     17. Voorzeker, zij lasteren God die zeggen: "De Messias, zoon van
     Maria, is zeker Allah." Zeg: "Wie heeft dan macht tegen Allah, als
     Hij de Messias, zoon van Maria en zijn moeder en allen die op aarde
     zijn, teniet wil doen?" Aan Allah behoort het koninkrijk der
     hemelen en der aarde en al wat daartussen is. Hij schept wat Hij
     wil en Allah heeft macht over alle dingen.

     18. De Joden en de Christenen zeggen: "Wij zijn Allah's kinderen en
     Zijn geliefden." Zeg: "Waarom straft Hij u dan voor uw zonden?
     Neen, gij zijt mensen onder degenen die Hij schiep. Hij vergeeft,
     wie Hij wil en Hij straft, wie Hij wil. En aan Allah behoort het
     koninkrijk der hemelen en der aarde en wat daartussen is en tot Hem
     is de terugkeer.

     19. O, gij mensen van het Boek, Onze boodschapper is tot u gekomen
     na een onderbreking in de reeks van boodschappers, die u klaarheid
     brengt, opdat gij niet zult zeggen: "Er is geen brenger van een
     blijde tijding en geen waarschuwer tot ons gekomen." Waarlijk er is
     een brenger van een blijde boodschap en een waarschuwer tot u
     gekomen. Allah heeft macht over alle dingen.

     20. En toen Mozes tot zijn volk zeide: "O, mijn volk, herinner u
     Allah's gunst aan u, toen Hij profeten onder u aanstelde en u
     koningen aanwees en Hij u gaf, wat Hij aan niemand onder de
     volkeren heeft gegeven."

     21. "O, mijn volk, gaat het heilige land binnen dat Allah voor u
     heeft bestemd en keert het niet de rug toe, anders zult gij
     verliezers worden."

     22. Zij zeiden: "O, Mozes, daarin is een trots en machtig volk en
     wij zullen er niet binnengaan voordat zij er uit weggaan. En indien
     zij er uit weggaan, zullen wij het binnentrekken."

     23. Daarop zeiden twee mannen van degenen die hun Heer vreesden en
     wie Allah Zijn gunst had bewezen: "Gaat de poort (van de stad)
     binnen, hen tegemoet - wanneer gij er eenmaal binnen zijt, dan zult
     gij zeker overwinnaar worden. En stelt uw vertrouwen in Allah, als
     gij gelovigen zijt."

     24. Zij zeiden: "O, Mozes, wij zullen er stellig niet binnengaan
     zolang zij er in zijn. Gaat gij en uw Heer en strijdt - wij blijven
     hier zitten."

     25. Hij zeide: "Mijn Heer, ik heb macht over niemand dan over
     mijzelf en mijn broeder, maak daarom een onderscheid tussen ons en
     het opstandige volk."

     26. Allah zeide: "Voorzeker, dat (land) is voor hen voor veertig
     jaren verboden; dwalende zullen zij door het land trekken. Bekommer
     u daarom niet over het ongehoorzame volk."

     27. En vertel naar waarheid het verhaal van de twee zonen van Adam,
     toen zij een offer brachten en het van één hunner werd aangenomen
     en van de ander niet. De laatstgenoemde zeide: "Ik zal u zeker
     doden." - De eerste zeide: "Allah neemt alleen iets van de
     rechtvaardigen aan." -

     28. "Als gij uw hand naar mij uitstrekt om mij te doden, zal ik
     mijn hand niet naar u uitstrekken, om u te doden. Ik vrees Allah,
     de Heer der Werelden.

     29. Ik wens, dat gij zowel met de zonde tegen mij, als met uw zonde
     terugkeert, zodat gij tot de bewoners van het Vuur zult behoren,
     dat is de beloning der misdadigers."

     30. Maar zijn kwade neiging dreef hem er toe zijn broeder te doden,
     dus doodde hij hem en werd een der verliezers.

     31. Toen zond Allah een raaf, die in de grond krabde, om hem te
     beduiden, hoe het lijk van zijn broeder te verbergen. Hij zeide:
     "Ware ik maar de raaf gelijk, zodat ik het lijk van mijn broeder
     kon verbergen." En toen kreeg hij berouw.

     32. Deswegen schreven Wij de kinderen Israëls voor, dat wie ook een
     mens doodt, behalve wegens het doden van anderen of het scheppen
     van wanorde in het land, het ware alsof hij het gehele mensdom had
     gedood, en voor hem, die iemand het leven schenkt, alsof hij aan
     het gehele mensdom het leven heeft geschonken. En voorzeker Onze
     boodschappers kwamen met duidelijke tekenen tot hen en toch -
     werden daarna -velen hunner op aarde tot over treders.

     33. De vergelding dergenen die oorlog tegen Allah en Zijn
     boodschappers voeren en er naar streven wanorde in het land te
     scheppen, is slechts dat zij gedood of gekruisigd worden, of dat
     hun handen en hun voeten de ene rechts en de andere links, worden
     afgesneden, of dat zij het land worden uitgezet. Dat zal voor hen
     een schande in deze wereld zijn en in het Hiernamaals zullen zij
     een grote straf ontvangen.

     34. Dit, met uitzondering van hen die berouw tonen, voordat gij hen
     in uw macht hebt. Weet derhalve, dat Allah Vergevensgezind,
     Genadevol is.

     35. O gij die gelooft, vreest Allah en zoekt de weg tot toenadering
     tot Hem en strijdt voor Zijn zaak, opdat gij moogt slagen.

     36. Voorzeker, al hadden de ongelovigen al hetgeen op aarde is en
     nog eens zoveel, om zich daarmede van de straf op de Dag der
     Opstanding vrij te kopen, dan zou het van hen toch niet worden
     aanvaard; er wacht hen een pijnlijke straf.

     37. Zij zullen uit het vuur willen komen, maar zij zullen er niet
     kunnen uitgaan en dit zal voor hen een blijvende straf zijn.

     38. En snijdt de dief en de dievegge de hand af, als straf voor wat
     zij misdeden, een voorbeeldige straf van Allah. Allah is Almachtig,
     Alwijs.

     39. Maar degene, die na zijn overtreding berouw heeft en zich
     betert - Allah zal Zich gewis in barmhartigheid tot hem wenden;
     voorwaar, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.

     40. Weet gij niet, dat het koninkrijk der hemelen en der aarde aan
     Allah toebehoort? Hij straft, wie Hij wil en Hij vergeeft, wie Hij
     wil en Allah heeft macht over alle dingen.

     41. O gij boodschapper, laat degenen, die gemakkelijk in het
     ongeloof vervallen u niet verdrieten, n.l. zij die met hun mond
     zeggen: "Wij geloven," maar in hun hart hebben zij niet geloofd. En
     onder de Joden zijn er die naar een leugen zouden willen luisteren,
     dezen luisteren terwille van een ander volk dat niet tot u is
     gekomen. Zij verdraaien woorden, nadat zij op hun juiste plaatsen
     waren gezet en zeggen: "Als u dit wordt gegeven, neemt het dan aan,
     maar als het u niet wordt gegeven, past dan op." En wie Allah wenst
     te beproeven, gij zult hem tegen Allah stellig niets baten. Dit
     zijn degenen, wier hart het Allah niet heeft behaagd te louteren;
     er zal voor hen schande in deze wereld en een grote straf in het
     Hiernamaals zijn.

     42. Zij zijn luisteraars naar leugens en verbruikers van verboden
     dingen. Indien zij tot u om recht komen, spreek recht tussen hen of
     wend u van hen af. En indien gij u van hen afwendt kunnen zij u in
     het geheel niet schaden. En indien gij rechtspreekt, richt tussen
     hen met rechtvaardigheid. Voorzeker, Allah heeft de rechtvaardigen
     lief.

     43. Hoe zullen zij u tot rechter maken wanneer zij de Torah bij
     zich hebben waarin Allah's oordeel is? Toch wenden zij zich af. En
     zij zijn geen gelovigen.

     44. Waarlijk, Wij zonden de Torah neder, waarin leiding en licht
     was, waarmede de profeten die gehoorzaam waren recht spraken voor
     de Joden en de Rabbijnen en de wetgeleerden, omdat hun de bewaking
     van Allah's Boek was opgelegd en zij waren daarvan getuigen. Vreest
     daarom de mensen niet, doch vreest Mij en ruilt Mijn tekenen niet
     in tegen het wereldse. En wie niet rechtspreken volgens hetgeen
     Allah heeft nedergezonden, zij zijn ongelovigen.

     45. En Wij schreven hen daarin voor: Een leven voor een leven, oog
     om oog, neus om neus, oor om oor, tand om tand en (rechtvaardige)
     vergelding voor wonden. En hij, die van het recht hierop afziet,
     dit zal een verzoening voor zijn zonden zijn en wie niet
     rechtspreken bij hetgeen Allah heeft nedergezonden, zijn
     onrechtvaardigen.

     46. En Wij deden Jezus, zoon van Maria in hun voetsporen treden,
     vervullende, hetgeen vóór hem in de Torah was (geopenbaard), en Wij
     gaven hem het Evangelie, dat licht en leiding bevatte, bevestigende
     hetgeen daarvóór in de Torah was en een leiding en een vermaning
     voor de godvrezenden.

     47. En laat de mensen van het Evangelie richten naar hetgeen Allah
     daarin heeft geopenbaard en wie niet richten naar hetgeen Allah
     heeft geopenbaard, zijn de overtreders.

     48. En Wij hebben u het Boek (de Koran) met de waarheid geopenbaard
     vervullende hetgeen daarvóór in het Boek (de Bijbel) was
     (verkondigd) en als bewaker daarover. Richt daarom tussen hen naar
     hetgeen Allah heeft geopenbaard en volg hun boze neigingen niet
     tegen de waarheid die tot u is gekomen. Voor iedereen bepaalden Wij
     een wet en een weg. En indien Allah had gewild zou Hij u allen tot
     één volk hebben gemaakt, maar Hij wenst u te beproeven met hetgeen
     Hij u heeft gegeven. Wedijvert dus met elkander in goede werken.
     Tot Allah zult gij allen terugkeren, dan zal Hij u datgene
     mededelen, waarover gij van mening verschilt.

     49. En spreek recht tussen hen naar hetgeen Allah u heeft
     geopenbaard en volg hun boze neigingen niet en wees op uw hoede dat
     zij u niet afleiden van hetgeen Allah u heeft geopenbaard. Maar
     indien zij zich afwenden, weet dan, dat Allah hen voor sommige
     hunner zonden wenst te treffen. En een groot aantal mensen is
     inderdaad ongehoorzaam.

     50. Wensen zij het oordeel van onwetendheid? En wie is een betere
     rechter dan Allah voor een volk dat zekerheid van geloof bezit?

     51. O, gij die gelooft, neemt de Joden en de Christenen niet tot
     vrienden. Zij zijn elkanders vrienden. En wie uwer hen tot vrienden
     neemt, is inderdaad één hunner. Voorwaar, Allah leidt het
     overtredende volk niet.

     52. En gij zult degenen in wier hart een ziekte is, zich tot hen
     zien haasten, zeggende: "Wij vrezen, dat ons rampspoed zal
     overkomen." Het is echter waarschijnlijk dat Allah een overwinning
     of iets anders tot stand zal brengen. Dan zullen zij berouw hebben
     over hetgeen zij in hun innerlijk verborgen.

     53. En de gelovigen zullen zeggen: "Zijn dit degenen die met hun
     ernstige eden bij Allah zwoeren dat zij waarlijk met u waren?" Hun
     werken zijn verloren gegaan en zij zijn verliezers geworden.

     54. O, gij die gelooft, wie onder u zich van zijn godsdienst
     afkeert, laat hem weten, dat Allah weldra een ander volk zal
     voortbrengen dat Hij zal liefhebben en die Hem zullen liefhebben
     vriendelijk en nederig zijnde jegens de gelovigen en hard en streng
     jegens de ongelovigen. Zij zullen voor Allah's zaak strijden en het
     verwijt van een berisper niet vrezen. Dit is Allah's genade; Hij
     schenkt deze aan wie Hij wil en Allah is Milddadig, Alwetend.

     55. Uw vrienden zijn slechts Allah en Zijn boodschapper en de
     gelovigen die het gebed houden en de Zakaat betalen en aanbidden.

     56. En hij, die Allah en de boodschapper en de gelovigen tot
     vrienden neemt (wete) dat de partij van Allah gewis zal zegevieren.

     57. O, gij die gelooft, neemt niet degenen tot vrienden die een
     spotternij en een spel maken van uw godsdienst, uit de kring
     dergenen wie het Boek was gegeven vóór u, noch van de ongelovigen.
     En vreest Allah als gij gelovigen zijt.

     58. En zij die, wanneer gij tot het gebed roept het tot spotternij
     en spel maken. Dit komt doordat zij een volk zijn dat niet
     begrijpt.

     59. Zeg: "O, mensen van het Boek, gij haat ons slechts, omdat wij
     in Allah geloven en in hetgeen ons is nedergezonden en in hetgeen
     voordien was nedergezonden of doordat de meesten van u ongehoorzaam
     zijn."

     60. Zeg: "Zal ik u vertellen over degenen wier straf bij Allah
     erger is dan dit? Dezen zijn het, die Allah heeft vervloekt en over
     wie Hij Zijn toorn heeft uitgestort en van wie Hij apen, zwijnen en
     duivelsdienaren heeft gemaakt. Dezen zijn inderdaad in een slechte
     toestand en ver van het rechte pad afgedwaald."

     61. Wanneer zij tot u komen, zeggen zij: "Wij geloven," terwijl zij
     met ongeloof binnenkomen en er mee heengaan en Allah weet het
     beste, wat zij verbergen.

     62. En gij ziet velen hunner zich haasten om zonde te bedrijven en
     overtreding en van verboden dingen te gebruiken. Het is inderdaad
     slecht, wat zij doen.

     63. Waarom weerhouden hun priesters en schriftgeleerden hen niet
     van zondige woorden en het eten van verboden dingen? Het is
     inderdaad slecht wat zij doen.

     64. En de Joden zeggen: "De hand van Allah is gebonden." Hun handen
     zijn gebonden en zij zijn vervloekt voor hetgeen zij zeggen. Neen,
     Zijn handen zijn wijd open, Hij geeft, zoals Hij wil. En hetgeen u
     van uw Heer is nedergezonden zal velen hunner in opstandigheid en
     ongeloof doen toenemen. En Wij hebben vijandschap en haat onder hen
     gezaaid tot aan de Dag der Opstanding. Telkens wanneer zij het
     oorlogsvuur ontsteken, dooft Allah het en zij pogen wanorde te
     scheppen op aarde en Allah heeft de onruststokers niet lief.

     65. Als de mensen van het Boek hadden geloofd en rechtvaardig
     gehandeld, zouden Wij gewis hun zonden hebben vergeven en hen in
     tuinen van zaligheid hebben toegelaten.

     66. En als zij de Torah en het Evangelie en hetgeen hun van hun
     Heer is nedergezonden, in acht hadden genomen, zouden zij zeker van
     wat boven hen is en van hetgeen onder hun voeten is, hebben
     gegeten. Onder hen is een groep die matig is, maar de handelwijze
     van velen hunner is slecht.

     67. O boodschapper, verkondig hetgeen u van uw Heer is geopenbaard
     en indien gij dat niet doet, dan hebt gij Zijn boodschap niet
     overgebracht. Allah zal u tegen de mensen beschermen. Voorzeker,
     Allah leidt het ongelovige volk niet.

     68. Zeg: "O, mensen van het Boek, gij steunt op niets voordat gij
     de Torah en het Evangelie en hetgeen u van uw Heer is
     nedergezonden, onderhoudt. En waarlijk, hetgeen u van uw Heer is
     nedergezonden zal velen hunner in opstandigheid en ongeloof doen
     toenemen; treurt derhalve niet over het ongelovige volk.

     69. Voorzeker, de gelovigen en de Joden en de Sabianen en de
     Christenen die in Allah en de laatste Dag geloven en goede daden
     verrichten - over hen zal geen vrees komen, noch zullen zij
     treuren.

     70. Wij hebben waarlijk een verbond met de kinderen Israëls
     gesloten en Wij zonden boodschappers tot hen. Maar telkens, wanneer
     een boodschapper tot hen kwam met hetgeen hun hart niet wenste,
     behandelden zij sommigen als leugenaars en trachtten zij sommigen
     te doden.

     71. En zij dachten, dat er geen beproeving zou zijn, derhalve
     werden zig blind en doof. Doch Allah wendde Zich in barmhartigheid
     tot hen; toch werden velen weer blind en doof en Allah is waakzaam
     over hetgeen zij doen.

     72. Zij lasteren God, die zeggen: "Waarlijk Allah, Hij is de
     Messias, de zoon van Maria," terwijl de Messias zelf zeide: "O,
     kinderen Israëls, aanbidt Allah, Die mijn Heer en uw Heer is."
     Gewis, voor hem die iets met Allah vereenzelvigt, heeft Allah de
     Hemel verboden en het Vuur zal zijn verblijfplaats zijn. Er is voor
     de onrechtvaardigen geen helper.

     73. Waarlijk zij lasteren God, die zeggen: "Allah is Eén der Drie."
     Er is geen God dan de enige God. En indien zij niet ophouden met
     hetgeen zij beweren, zal de ongelovigen een smartelijke straf
     overkomen.

     74. Willen zij zich dan niet tot Allah wenden en om Zijn
     vergiffenis vragen terwijl Allah Vergevensgezind, Genadevol is?

     75. De Messias, de zoon van Maria was slechts een boodschapper;
     voorzeker, alle boodschappers vóór hem zijn heengegaan. En zijn
     moeder was een waarheidslievende vrouw. Zij plachten beiden voedsel
     tot zich te nemen. Zie, hoe Wij de tekenen voor hen (de mensen)
     verduidelijken, en zie, hoe zij zich afwenden.

     76. Zeg: "Aanbidt gij naast Allah datgene wat geen macht heeft u
     goed of kwaad te doen? En het is Allah, Die Alhorend, Alwetend is.

     77. Zeg: "O, mensen van het Boek, overdrijft uw godsdienst niet ten
     onrechte, noch volgt de neigingen van een volk dat voordien
     afdwaalde en velen deed dwalen en van het rechte pad afweek.

     78. Degenen onder de kinderen Israëls, die niet geloofden, werden
     door de mond van David en door Jezus de zoon van Maria, vervloekt.
     Dit geschiedde, omdat zij niet gehoorzaamden en plachten te
     overtreden.

     79. Zij plachten elkander de ongerechtigheid niet te verbieden,
     welke Zij begingen. Slecht is inderdaad hetgeen zij deden.

     80. Gij zult velen hunner de ongelovigen tot vrienden zien nemen.
     Waarlijk slecht is hetgeen zij voor zichzelf deden zodat Allah
     toornig op hen is geworden en zij zullen in de straf verblijven.

     81. En indien zij in Allah en deze profeet en hetgeen hem werd
     geopenbaard hadden geloofd, zouden zij hen niet tot vrienden hebben
     genomen, doch velen hunner zijn ongehoorzaam.

     82. Waarlijk, gij zult de Joden en de afgodendienaren het meest
     vijandig jegens de gelovigen vinden. En gij zult degenen die
     zeggen: "Wij zijn Christenen" het vriendschappelijkst vinden jegens
     de gelovigen. Dit is, wijl er onder hen geleerden en monniken zijn
     en wijl zij niet trots zijn.

     83. En indien zij hetgeen deze boodschapper is geopenbaard, horen,
     ziet gij hun ogen vol tranen vanwege de waarheid welke zij hebben
     herkend. Zij zeggen: "Onze Heer, wij geloven. Reken ons daarom
     onder de getuigen."

     84. "En waarom zouden wij niet in Allah en in de waarheid die tot
     ons is gekomen geloven en begeren dat onze Heer ons onder de
     rechtvaardige mensen zou rekenen?"

     85. Derhalve beloonde Allah hen voor hetgeen zij zeiden met tuinen,
     waardoorheen rivieren stromen. Daarin zullen zij vertoeven en dit
     is de beloning voor hen die goeddoen.

     86. Maar de ongelovigen die Onze tekenen verloochenen zullen de
     bewoners der hel zijn.

     87. O, gij die gelooft, maakt de goede dingen die Allah voor u
     wettig heeft gemaakt, niet onwettig en overtreedt niet. Waarlijk,
     Allah heeft de overtreders niet lief.

     88. En eet wat goed en geoorloofd is waarvan Allah u heeft
     voorzien. En vreest Allah in Wie gij gelooft.

     89. Allah zal u niet ter verantwoording roepen voor uw ijdele eden,
     maar Hij zal u ter verantwoording roepen voor de eden welke gij in
     ernst aflegt. De boetedoening er voor is: tien armen te spijzigen
     met het gemiddelde voedsel waarmede gij uw huisgezinnen voedt, of
     hen te kleden, of het vrijmaken van een slaaf. Maar wie dat niet
     kan doen zal drie dagen vasten. Dit is de boete voor uw eden,
     wanneer gij zweert. Maar houdt uw eden. Zo legt Allah u Zijn
     tekenen uit, opdat gij dankbaar moogt zijn.

     90. O gij die gelooft, wijn en het hazardspel en afgoden en
     toverpijlen zijn niet anders dan gruwelen, door Satan gewrocht.
     Vermijdt ze dus, opdat gij voorspoedig moogt zijn.

     91. Voorzeker, door middel van wijn en hazardspel, wenst Satan
     onder u vijandschap en afgunst te zaaien en u af te houden van het
     gedenken van Allah en van het gebed. Zult gij dan worden
     weerhouden?

     92. En gehoorzaamt Allah en gehoorzaamt de boodschapper en weest op
     uw hoede. Maar indien gij u afwendt, weet dan, dat op Onze
     boodschapper slechts het duidelijk verkondigen rust.

     93. Op de gelovigen die goede werken verrichten zal geen zonde
     rusten voor hetgeen zij eten mits zij Allah vrezen en geloven en
     goede werken doen en nogmaals vrezen en geloven en zelfs nogmaals
     vrezen en goeddoen. En Allah heeft degenen die goeddoen lief.

     94. O, gij gelovigen, voorzeker, Allah zal u beproeven door het
     wild, hetwelk uw handen of lansen kunnen vangen, opdat Allah
     degenen zal onderscheiden die Hem in het verborgene vrezen.
     Derhalve zal voor hen, die na deze (waarschuwing) overtreden, een
     pijnlijke straf zijn.

     95. O, gij die gelooft, doodt geen wild, terwijl gij ter bedevaart
     zijt. En wie onder u het opzettelijk doodt diens vergoeding is een
     huisdier gelijk aan hetgeen hij heeft gedood - twee rechtvaardige
     mannen onder u zullen dat beoordelen; - hetwelk als offer naar de
     Kaba moet worden gebracht; of hij moet als boetedoening (een
     aantal) arme mensen voeden, of een gelijk aantal dagen vasten,
     opdat hij het gevolg van zijn daad zal ondergaan. Allah heeft
     vergeven wat voorbij is, maar wie er in terugvalt, hem zal Allah
     straffen. Allah is Machtig, de Meester der vergelding.

     96. De vangst uit zee en het eten ervan is wettig voor u als
     voorziening voor u zelf en de reizigers, doch zolang gij ter
     bedevaart zijt is het wild van het land u verboden. En vreest
     Allah, tot Wie gij zult worden verzameld.

     97. Allah heeft de Kaaba, het onschendbare Huis tot behoud van de
     mensheid gemaakt, alsook de heilige maand en het offer, en de
     kamelen met de halsbanden. Dit is, opdat gij zult begrijpen, dat
     Allah weet, wat in de hemelen en wat op aarde is en dat Allah
     kennis heeft van alle dingen.

     98. Weet, dat Allah streng is in het straffen en dat Allah (ook)
     Vergevensgezind, Genadevol is.

     99. Op de boodschapper rust slechts (de plicht van) het overbrengen
     (der boodschap). En Allah weet, wat gij openbaart en wat gij
     verbergt.

     100. Zeg: "De bozen en de goeden zijn niet gelijk, ofschoon de
     overvloed der bozen u in verwondering brengt. Vreest daarom Allah,
     o mensen van begrip, opdat gij moogt slagen.

     101. O, gij die gelooft, vraagt niet naar dingen die u, als zij u
     zullen worden geopenbaard, zullen mishagen; indien gij er naar
     vraagt terwijl de Koran wordt nedergezonden, zullen zij u worden
     onthuld. Allah heeft ze achterwege gelaten. En Allah is
     Vergevensgezind, Verdraagzaam.

     102. Vóór u stelde een volk vragen omtrent zo iets - naderhand
     werden zij er ongelovigen door.

     103. Allah heeft geen Bahira, Saiba, Wasila of Haam verordend, maar
     de ongelovigen verzinnen een leugen tegen Allah en de meesten
     hunner begrijpen dit niet.

     104. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Komt tot hetgeen Allah
     heeft geopenbaard en tot de boodschapper," zeggen zij: "Voor ons is
     datgene waarin wij onze vaderen zagen geloven, voldoende." Zelfs
     indien hun vaderen niets wisten en geen leiding hadden?

     105. O, gij die gelooft, past op uzelf. Hij die dwaalt kan u niet
     schaden wanneer gij juist geleid zijt. Tot Allah zult gij allen
     terugkeren, dan zal Hij u tonen wat gij gedaan hebt.

     106. O, gij die gelooft, wanneer de dood één uwer nadert, ten tijde
     dat gij een testament maakt, zal er een getuigenis zijn van twee
     uwer rechtvaardige mannen; of van twee anderen die niet van uit uw
     midden zijn indien gij door het land reist en de rampspoed des
     doods u overvalt. Indien gij twijfelt, houdt hen na het gebed en
     laat hen zweren bij Allah, zeggende: "Wij nemen hier geen waarde
     voor in ruil, hoewel hij een bloedverwant is, wij verbergen Allah's
     getuigenis niet, wij zouden in dat geval tot de zondaars behoren."

     107. Maar indien ontdekt wordt, dat de twee schuldig zijn aan zonde
     dan moeten twee anderen hun plaats innemen uit het midden van
     degenen, tegen wie de twee eersten hebben getuigd; en de laatste
     twee moeten bij Allah zweren en zeggen: "Waarlijk, ons getuigenis
     is oprechter dan de getuigenis van hen (de eersten) en wij zijn
     geen overtreders, want dan zouden wij inderdaad tot de
     onrechtvaardigen behoren."

     108. Dit zal hen eerder getuigenis doen afleggen naar de feiten, of
     hen doen vrezen, dat andere eden na hun eden zullen worden
     afgelegd. En vreest Allah en luistert. En Allah leidt het
     ongehoorzame volk niet.

     109. Gedenkt de dag, waarop Allah de boodschappers zal verzamelen
     en zeggen: "Hoe werd gij aangenomen?" Zij zullen zeggen: "Wij
     hebben geen kennis, Gij alleen zijt de Oerkenner van het
     verborgene."

     110. Wanneer Allah zal zeggen: "O Jezus, zoon van Maria, gedenk
     Mijn gunst aan u en uw moeder, toen Ik u met de geest van
     heiligheid versterkte, dat gij als kind en op middelbare leeftijd
     tot het volk spraakt en toen Ik u het Boek en de wijsheid en de
     Torah en het Evangelie onderwees en toen gij door Mijn gebod uit
     klei de vorm van een vogel maakte, dan er in blies en het een vogel
     werd door Mijn gebod; en toen gij de blinden en de melaatsen door
     Mijn gebod hebt genezen en de doden opgewekt; en toen Ik de
     kinderen Israëls er van weerhield, (u te doden), toen gij met
     duidelijke tekenen tot hen kwaamt en degenen onder hen die
     verwierpen, zeiden: "Dit is niets, dan klaarblijkelijke tovenarij."

     111. "En toen Ik de discipelen bezielde om in Mij en Mijn
     boodschapper te geloven, zeiden zij: "Wij geloven en getuigt Gij,
     dat wij ons hebben onderworpen."

     112. Toen de discipelen zeiden: "O, Jezus, zoon van Maria, is uw
     Heer bij machte, ons een (met voedsel) gedekte tafel van de hemel
     neder te zenden?", antwoordde hij: "Vreest Allah, als gij gelovigen
     zijt."

     113. Zij zeiden: "Wij verlangen zeer, er van te mogen eten zodat
     ons hart gerustgesteld moge worden en wij mogen weten dat gij de
     waarheid tot ons hebt gesproken en wij daarvan getuigen mogen
     zijn."

     114. Jezus, de zoon van Maria, zeide: "O Allah, onze Heer, zend ons
     een (met voedsel) gedekte tafel van de hemel neder, opdat het voor
     de eersten en de laatsten onzer een feest moge zijn en een teken
     van U en tot onderhoud van ons, want Gij zijt de Beste der
     onderhouders."

     115. Allah zeide: "Waarlijk, Ik zal haar (de tafel) tot u
     nederzenden, maar wie uwer nadien ondankbaar wordt, zal Ik zó
     straffen als Ik geen ander onder de volkeren gestraft heb."

     116. En wanneer Allah zal zeggen: "O Jezus, zoon van Maria, hebt
     gij tot de mensen gezegd: 'Beschouwt mij en mijn moeder als twee
     Goden naast Allah,'? zal hij antwoorden: "Heilig zijt Gij! Ik zou
     nooit kunnen zeggen, waarop ik geen recht had. Indien ik het had
     gezegd zoudt Gij het zeker hebben geweten. Gij weet, wat in mijn
     innerlijk is en ik weet niet, wat in U is. Gij zijt de Kenner van
     het onzienlijke.

     117. Ik zeide niets tot hen, dan hetgeen Gij mij hebt geboden:
     "Aanbidt Allah, mijn Heer en uw Heer." En ik was getuige van hen,
     zolang ik in hun midden verbleef, maar nadat Gij mij deedt sterven,
     waart Gij de Bewaker over hen en Gij zijt Getuige van alle dingen.

     118. Indien Gij hen straft, zijn zij Uw dienaren en indien Gij hen
     vergeeft, zijt Gij zeker de Almachtige, de Alwijze.

     119. Allah zal zeggen: "Dit is een dag waarop waarachtigheid de
     waarachtigen zal baten. Voor hen zijn tuinen, waar doorheen
     rivieren stromen; zij zullen daarin voor eeuwig vertoeven." Allah
     heeft behagen in hen en zij hebben behagen in Hem, dit is de grote
     zegepraal.

     120. Aan Allah behoort het koninkrijk der hemelen en der aarde en
     wat daartussen is en Hij heeft macht over alle dingen.


     -------------------------------------------------------------------
     -----

     6. Het Vee (Al-An'aam)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 165 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. Alle lof komt Allah toe, Die de hemelen en de aarde schiep en de
     duisternis en het licht deed ontstaan; toch stellen de ongelovigen
     gelijken naast hun Heer.

     2. Hij is het, Die u uit klei schiep en daarna een termijn
     bepaalde. De vastgestelde termijn is bij Hem. Toch twijfelt gij.

     3. En Hij is Allah in de hemelen en op aarde. Hij kent uw innerlijk
     en uw uiterlijk en Hij weet, wat gij verdient.

     4. En er komt van de tekenen van hun Heer geen teken tot hen of zij
     wenden zich er van af.

     5. Zij hebben de waarheid verloochend toen deze tot hen kwam, maar
     de tijdingen waarover zij spotten zullen hen weldra bereiken.

     6. Zien zij niet, hoeveel geslachten Wij vóór hen hebben
     vernietigd? Wij hadden hun zulke macht op de aarde gegeven als Wij
     u niet hebben geschonken en Wij zonden wolken over hen die
     regelmatig regen deden neerstromen en Wij deden rivieren onder hen
     vloeien; daarna vernietigden Wij hen vanwege hun zonden en deden
     een ander geslacht na hen ontstaan.

     7. En al hadden Wij u een boek op perkament nedergezonden en al
     hadden zij het met hun handen betast, zouden de ongelovigen toch
     hebben gezegd: "Dit is niets dan klaarblijkelijke tovenarij."

     8. Zij zeggen: "Waarom is er geen engel tot hem (de Profeet)
     nedergezonden?" En indien Wij een engel zenden dan wordt de zaak
     afgedaan en er wordt hun geen uitstel gegeven.

     9. En als Wij een engel hadden aangesteld, zouden Wij hem als mens
     hebben doen voorkomen en zo zouden Wij hetgeen zij verwarren, voor
     hen nog verwarder hebben gemaakt.

     10. En voorzeker de boodschappers vóór u werden ook bespot, zo trof
     diegenen die bespotten, de straf voor hetgeen zij bespotten.

     11. Zeg: "Gaat op aarde rond en ziet, wat het einde was der
     loochenaars."

     12. Zeg: "Aan wie behoort hetgeen in de hemelen en op aarde is?"
     Zeg: "Aan Allah." Hij heeft het op Zich genomen, barmhartigheid te
     tonen. Voorzeker Hij zal u op de Dag der Opstanding verzamelen,
     daaraan is geen twijfel. Zij, die hun zielen hebben tekort gedaan,
     geloven niet.

     13. Aan Hem behoort wat in nacht en dag bestaat. En Hij is de
     Alhorende, Alwetende.

     14. Zeg: "Zal ik een andere Beschermer nemen, dan Allah, de
     Schepper der hemelen en der aarde, Die voedt en niet wordt gevoed?"
     Zeg: "Het is mij bevolen, de eerste te zijn die zich onderwerpt."
     En behoort niet tot de afgodendienaren.

     15. Zeg: "Ik vrees, als ik mijn Heer niet gehoorzaam, de straf van
     de grote Dag."

     16. Van wie deze straf op die Dag is afgewend, Allah heeft hem
     inderdaad barmhartigheid betoond. En dat is een klaarblijkelijke
     overwinning.

     17. En als Allah u door schade treft, is er niemand die dit kan
     afwenden dan Hij; en als Hij u met weldaad omringt - Hij heeft
     macht over alle dingen.

     18. Hij is de Oppermachtige over Zijn dienaren en Hij is de
     Alwijze, en van alles op de hoogte.

     19. Zeg: "Wie is het gewichtigst als getuige?" Zeg: "Allah is
     getuige tussen u en mij. En deze Koran is mij geopenbaard, opdat ik
     u en wie hij bereikt, moge waarschuwen. Getuigt gij werkelijk dat
     er andere goden buiten Allah zijn?" Zeg: "Ik getuig niet." Zeg:
     "Hij is de ene God en ik heb niets uitstaande met datgene wat gij
     met Hem vereenzelvigt."

     20. Degenen, wie Wij het Boek gaven, erkennen hem (de Profeet),
     zoals zij hun kinderen erkennen. Maar zij, die hun ziel hebben
     tekort gedaan, willen niet geloven.

     21. En wie is onrechtvaardiger dan hij, die een leugen tegen Allah
     uitdenkt of Zijn tekenen verloochent? Voorzeker, de
     onrechtvaardigen zullen niet slagen.

     22. (Gedenk) de Dag, waarop Wij hen allen zullen verzamelen, dan
     zullen Wij zeggen tot degenen, die afgoderij pleegden: "Waar zijn
     uw mededingers, die gij beweerdet (te bezitten)?"

     23. Dan zal hun antwoord niet anders zijn dan dat zij zeggen: "Bij
     Allah, onze Heer; wij waren geen afgodendienaren."

     24. Zie, hoe zij tegen zichzelven liegen en hoe hetgeen zij
     plachten te verzinnen voor hen verloren is gegaan.

     25. Er zijn sommigen hunner, die naar u luisteren, maar Wij hebben
     sluiers om hun hart gelegd en hun oren verstopt, zodat zij niet
     begrijpen. En al zagen zij elk teken, zouden zij er toch niet in
     geloven; wanneer zij tot u komen redetwisten zij met u, en de
     ongelovigen zeggen: "Dit zijn niets dan fabelen der ouden."

     26. En zij verbieden (anderen) en blijven er zelt verre van. En zij
     deren niemand dan zichzelven, zij bemerken het echter niet.

     27. En als gij het slechts zoudt kunnen zien, wanneer zij voor het
     Vuur zullen worden gebracht! Zij zullen dan zeggen: "O, mochten wij
     slechts worden teruggezonden, dan zouden wij de tekenen van onze
     Heer niet meer verloochenen en wij zouden tot de gelovigen
     behoren."

     28. Neen, hetgeen zij voorheen plachten te verbergen is hun
     duidelijk geworden. En als zij zouden worden teruggezonden zoudden
     zij gewis tot hetgeen hen was verboden terugkeren; Voorzeker zij
     zijn leugenaars.

     29. En zij zeggen: "Er is niets dan ons leven van deze wereld en
     wij kunnen niet worden opgewekt."

     30. En wanneer gij het slechts zoudt kunnen zien, wanneer zij voor
     hun Heer zullen worden gebracht, zal Hij zeggen: "Is dit niet de
     waarheid?" Zij zullen antwoorden: "Ja zeker, bij onze Heer." Hij
     zal zeggen: "Ondergaat dan de straf, omdat gij placht te
     verwerpen."

     31. Voorzeker, zij, die de ontmoeting met Allah verloochenen,
     benadelen zich, totdat het uur onverwachts over hen komt, en zij
     zullen zeggen: "O, wij hebben wroeging, vanwege onze tekortkoming
     hierin." En zij zullen hun lasten op hun ruggen dragen. Ziet toe,
     wat zij dragen is zeker slecht.

     32. Het wereldse leven is niets dan een spel en een ijdel vermaak.
     Doch voor degenen die God vrezen, is het tehuis van het Hiernamaals
     beter. Wilt gij dan niet begrijpen?

     33. Wij weten zeer goed dat hetgeen zij zeggen u verdriet doet,
     doch zij verloochenen u (profeet) niet, maar het zijn de tekenen
     van Allah die de boosdoeners verwerpen.

     34. Gewis, de boodschappers vóór u werden ook verloochend en
     gekweld, niettemin bleven zij geduldig in datgene, waarvoor zij
     waren verloochend; totdat onze hulp tot hen kwam. Er is niemand die
     de woorden van Allah kan veranderen. En er zijn reeds tijdingen
     omtrent die boodschappers tot u gekomen.

     35. En als hun afkeer u onverdraaglijk is, breng hun dan een teken,
     indien gij een opening in de aarde of een ladder naar de hemelen
     kunt vinden. En indian Allah wilde zou Hij hen zeker onder één
     leiding hebben verzameld. Behoor dus niet tot de onwetenden.

     36. Alleen degenen die luisteren, kunnen aannemen. De doden zal
     Allah opwekken en dan zullen zij tot Hem worden teruggebracht.

     37. En zij zeggen: "Waarom is er over hem geen teken van zijn Heer
     nedergezonden?" Zeg: "Voorzeker, Allah heeft de macht om een teken
     neder te zenden." Maar de meesten hunner beseffen het niet.

     38. En er is geen beest dat op de aarde kruipt, noch een vogel die
     op zijn vleugels vliegt, of zij vormen gemeenschappen, zoals gij.
     Wij hebben niets uit het Boek weggelaten. Dan zullen zij tot hun
     Heer tezamen worden gebracht.

     39. Zij, die Onze tekenen verloochenen, zijn doof en stom, in de
     duisternis. Allah laat wie Hij wil dwalen en Hij plaatst op het
     rechte pad wie Hij wil.

     40. Zeg: "Wat denkt gij? Als de straf van Allah, of het uur over u
     komt, zult gij dan iemand anders aanroepen, dan Allah, als gij
     waarachtig zijt?"

     41. "Neen, Hem alleen zult gij aanroepen; dan zal Hij datgene
     verwijderen waarvoor gij Hem aanroept als Hij dat wil en gij zult
     uw afgoderij vergeten.

     42. Wij zonden inderdaad tot de volkeren die vóór u waren, (een
     profeet) toen troffen Wij hen (die volkeren) met armoede en
     tegenspoed opdat zij zich mochten verootmoedigen.

     43. Waarom verootmoedigden zij zich niet toen Onze straf over hen
     kwam? Maar hun hart was verhard en Satan deed hun schoon schijnen
     al hetgeen zij verrichtten.

     44. Toen zij dan hetgeen waarvoor zij waren gewaarschuwd vergaten,
     openden Wij hun de poorten van alle dingen (der wereld) totdat zij
     verheugd werden over hetgeen hun was gegeven, dan grepen Wij hen
     onverwachts aan en zie, zij werden wanhopig.

     45. Zo werd de levensader van de mensen, die slecht handelden,
     afgesneden. Alle lof komt Allah toe, de Heer der Werelden.

     46. Zeg: "Wat denkt gij? Als Allah uw gehoor en gezicht zou
     wegnemen en uw hart zou verzegelen, wie is dan God buiten Allah die
     het u kon teruggeven? Zie, hoe Wij de tekenen verklaren, toch
     wenden Zij zich af.

     47. Zeg: "Wat denkt gij? Als de straf van Allah onverwachts of
     openlijk tot u komt, zal iemand anders dan het onrechtvaardige volk
     vernietigd worden?"

     48. Wij zenden de boodschappers alleen als dragers van blijde
     tijding en als waarschuwers. Over degenen, die geloven en zich
     verbeteren, zal geen vrees komen noch zullen zij treuren.

     49. En degenen, die Onze tekenen verloochenen, hen zal straf raken,
     omdat zij niet gehoorzaam waren.

     50. Zeg: "Ik zeg niet tot u, dat ik de schatten van Allah bezit,
     noch dat ik het onzienlijke ken, noch zeg ik tot u: 'Ik ben een
     engel'; ik volg slechts hetgeen mij wordt geopenbaard." Zeg:
     "Kunnen de blinde en de ziende gelijk zijn? Wilt gij dan niet
     nadenken?"

     51. Waarschuw daarmede degenen die vrezen, dat zij tot hun Heer
     worden verzameld, dat zij buiten Hem vriend noch bemiddelaar
     hebben, opdat zij (God) mogen vrezen.

     52. En verdrijf niet degenen die hun Heer morgen en avond
     aanroepen, Zijn aangezicht zoekend. Gij zijt volstrekt niet
     verantwoordelijk voor hen, noch zijn zij enigermate
     verantwoordelijk voor u. Zoudt gij hen verdrijven, dan zult gij tot
     de onrechtvaardigen behoren.

     53. En op deze wijze hebben Wij sommigen hunner door anderen
     beproefd, zodat zij kunnen zeggen: "Zijn dezen het, die Allah onder
     ons heeft begunstigd?" Kent Allah degenen die dankbaar zijn niet
     het beste?

     54. Wanneer degenen die in Onze tekenen geloven, tot u komen, zeg
     dan: "Vrede zij u." Uw Heer heeft barmhartigheid op zich genomen;
     dus wie uwer in onwetendheid kwaad doet en daarna berouw heeft en
     zich verbetert, (voor hem) is Hij Vergevensgezind, Genadevol.

     55. En zo zetten Wij de tekenen uiteen opdat de weg der schuldigen
     openbaar worde.

     56. Zeg: "Het is mij verboden degenen, die gij naast Allah
     aanroept, te aanbidden. Zeg: "Ik wil uw boze neigingen niet volgen.
     In dat geval zal ik tot de dwalenden behoren en niet tot hen die
     het rechte pad volgen."

     57. Zeg: "Ik ben op de rechte weg van mijn Heer en gij verloochent
     die. Maar wat gij verhaast is niet in mijn macht. De beslissing
     berust slechts bij Allah. Hij zet de waarheid uiteen en Hij is de
     beste der seheidsrechters."

     58. Zeg: "Als hetgeen gij verhaast in mijn macht was, zou de zaak
     voorzeker tussen u en mij reeds zijn beslist. En Allah kent de
     onrechtvaardigen met beste.

     59. En bij Hem zijn de sleutels van het onzienlijke; niemand kent
     dit, behalve Hij. En Hij weet wat op het land en wat in de zee is.
     En er valt geen blad zonder dat Hij het weet, noch is er een korrel
     in de duisternis der aarde, noch iets dat groen of droog is, zonder
     dat het in een duidelijk Boek is vermeld.

     60. Hij is het, Die uw ziel in de nacht neemt en weet hetgeen gij
     overdag doet; daarna wekt Hij u weder op, opdat de vastgestelde
     termijn moge worden voltooid. Dan is uw terugkeer tot Hem. Daarna
     zal Hij u inlichten over hetgeen gij deedt.

     61. Hij is oppermachtig over Zijn dienaren en Hij zendt bewakers
     over u, totdat, wanneer de dood tot een uwer komt, Onze
     boodschappers zijn ziel wegnemen; zij falen daarin niet.

     62. Dan worden zij tot Allah, hun ware Heer teruggebracht.
     Voorzeker, de beslissing ligt in Zijn handen; en Hij verrekent het
     snelst."

     63. Zeg: "Wie verlost u van de rampen van het land en van de zee
     wanneer gij Hem in nederigheid en in het geheim aanroept?
     (zeggende): 'Indien Hij ons hiervan redt zullen wij zeker tot de
     dankbaren behoren."

     64. Zeg: "Allah verlost u van deze en van elke andere nood en toch
     schrijft gij deelgenoten (medegoden) aan Hem toe."

     65. Zeg: "Hij heeft macht om u van boven of van onder u straf toe
     te zenden, u in groepen te verdelen en elkander geweld aan te laten
     doen." Zie, hoe Wij de tekenen uiteenzetten opdat zij mogen
     begrijpen.

     66. En uw volk heeft het verworpen, ofschoon het de waarheid is.
     Zeg: "Ik ben geen voogd over u."

     67. Er is voor elke profetie een vastgestelde tijd en gij zult het
     weldra te weten komen.

     68. Wanneer gij degenen ziet, die Onze tekenen bespotten, wendt u
     dan van hen af, totdat zij een ander gesprek beginnen. En als Satan
     het u doet vergeten zit dan niet, nadat het in uw herinnering
     opkomt, met het onrechtvaardige volk bijeen.

     69. En degenen die God vrezen, zijn in het geheel niet
     verantwoordelijk voor hen, behalve voor de vermaning, opdat zij
     behoed zullen worden.

     70. Laat degenen die hun geloof tot een spel en tijdverdrijf hebben
     gemaakt en wie het wereldse leven heeft bedrogen, met rust. En
     waarschuw hiermee, opdat een ziel niet moge worden overgeleverd
     voor hetgeen zij heeft gedaan. Zij zal naast Allah geen helper of
     bemiddelaar hebben. En indien zij (zelfs) alles als losprijs zou
     aanbieden, zal deze van haar niet worden aanvaard. Dezen zijn het,
     die zijn overgeleverd voor hetgeen zij verdienden. Zij zullen een
     drank van kokend water en een smartelijke straf ontvangen, omdat
     zij verwerpen.

     71. Zeg: "Zullen wij naast Allah datgene aanroepen wat ons noch
     bevoordelen noch schaden kan, dan worden wij, nadat Allah ons heeft
     geleid, van het rechte pad verwijderd, zoals iemand die de bozen
     hebben neergeveld op de aarde in een toestand van verbijstering en
     die metgezellen heeft die hem tot de weg roepen, zeggende: 'Kom tot
     ons'?" Zeg: "De leiding van Allah is voorzeker de enige leiding en
     het is ons bevolen ons aan de Heer der Werelden te onderwerpen."

     72. En: "Onderhoudt het gebed en vreest Hem, tot Wie gij zult
     worden verzameld."

     73. En Hij is het, Die de hemelen en de aarde in werkelijkheid
     schiep. En de dag, waarop Hij zegt: "Wees", wordt het. Zijn woord
     is werkelijkheid; en aan Hem behoort het koninkrijk op de Dag
     waarop de bazuin zal worden geblazen. De Kenner v an het
     onzichtbare en het zichtbare. Hij is de Alwijze, de Al- kennende.

     74. Toen Abraham tot zijn vader Azar zeide: "Neemt gij afgoden tot
     Goden? Ik zie u en uw volk in duidelijke dwaling."

     75. Zo toonden Wij Abraham het koninkrijk der hemelen en der aarde,
     opdat hij tot de vastgelovenden zou behoren.

     76. En toen de nacht over hem kwam, zag hij een ster. Hij zeide:
     "Dit is mijn Heer." Maar toen zij onderging, zeide hij: "Ik heb de
     dingen, die ondergaan niet lief."

     77. En toen hij de maan zag glanzen, zeide hij: "Dit is mijn Heer."
     Maar toen zij onderging zeide hij: "Had mijn Heer mij niet geleid
     dan zou ik zeker tot het dwalende volk behoren."

     78. En toen hij de zon zag stralen zeide hij: "Dit is mijn Heer.
     Dit is de grootste" Maar toen zij onderging, zeide hij: "O, mijn
     volk, ik heb niets uitstaande met uw afgoden."

     79. "Ik heb mijn aangezicht oprecht gewend tot Hem, Die de hemelen
     en de aarde schiep en ik behoor niet tot de afgodendienaren."

     80. En zijn volk redetwistte met hem. Hij zeide: "Redetwist gij met
     mij omtrent Allah, terwijl Hij mij recht heeft geleid? En ik vrees
     hetgeen gij met Hem vereenzelvigt niet, tenzij mijn Heer iets
     wenst. Mijn Heer omvat alle dingen in Zijn kennis. Wilt gij er dan
     geen lering uit trekken?"

     81. "En hoe kan ik uw afgoden vrezen, terwijl gij zelf uw afgoderij
     niet vreest waarvoor Allah u geen gezag heeft nedergezonden? Wie
     van de twee partijen is dan veiliger, als gij dat weet?"

     82. Zij die geloven en hun geloof niet met onrechtvaardigheid
     vermengen - dezen zijn het, die vrede zullen hebben want zij zijn
     recht geleid.

     83. En dit is onze bewijsgrond die Wij Abraham tegen zijn volk
     gaven. Wij verheffen graadsgewijze, wie Wij willen. Voorzeker, Uw
     Heer is Alwijs, Alwetend.

     84. En Wij gaven hem Izaäk en Jacob; Wij leidden elk hunner en
     voordien leidden Wij Noach en van zijn afstammelingen: David,
     Salomo, Job, Jozef, Mozes en Aäron. Zo belonen Wij de goeden.

     85. En Zacharia, Johannes, Jezus en Elias. Elk hunner behoorde tot
     de deugdzamen.

     86. En Ismaël, Elisa, Jonas en Lot; elk hunner verhieven Wij boven
     de volkeren.

     87. En van hun vaderen en hun kinderen en hun broederen verkozen
     Wij enigen en leidden hen op het rechte pad.

     88. Dit is de leiding van Allah, Hij leidt daarmede van Zijn
     dienaren, wie Hij wil. En, indien zij iets naast Hem hadden
     aanbeden, zou voorzeker al hetgeen zij plachten te doen, verloren
     zijn gegaan.

     89. Dezen zijn het, wie Wij het Boek en de heerschappij en het
     profetenambt gaven. Maar nu dezen er ondankbaar voor zijn, hebben
     Wij deze aan een volk toevertrouwd dat er niet ondankbaar voor zal
     zijn.

     90. Dezen zijn het, die Allah juist heeft geleid; volgt daarom hun
     leiding. Zeg: "Ik vraag u er geen beloning voor. Dit is niets dan
     een vermaning aan alle volkeren."

     91. En zij schatten de juiste waarde van Allah niet wanneer zij
     zeggen: "Allah heeft aan niemand iets geopenbaard." Zeg: "Wie
     openbaarde het Boek dat Mozes bracht als licht en leiding voor de
     mensen - dat gij op papieren schrijft, en bekend maakt, terwijl gij
     toch veel verbergt en (waardoor) aan u is onderwezen, hetgeen gij
     noch uw vaderen wisten?" - Zeg: "Allah". Laat hen dan met rust om
     zich met hun ledig spel te vermaken.

     92. En dit Boek vol zegeningen, hebben Wij geopenbaard,
     vervullende, hetgeen er aan voorafging, opdat gij de moeder der
     steden (Mekka) en wat er omheen is zoudt waarschuwen. En degenen
     die in het Hiernamaals geloven, geloven er in en zij waken over hun
     gebed.

     93. En wie is onrechtvaardiger dan hij die een leugen over Allah
     uitdenkt of zegt: "Het is mij geopenbaard," terwijl hem niets is
     geopenbaard en die zegt: "Ik zal iets nederzenden dat gelijk is aan
     hetgeen Allah heeft nedergezonden?" O, kondet gij het waarnemen,
     wanneer de onrechtvaardigen in doodsstrijd zijn en de engelen hun
     handen uitstrekken, (zeggende): "Geeft uw zielen op. Deze dag zal u
     de straf der schande worden toegekend, voor hetgeen gij ten
     onrechte tegen Allah zeidet en omdat gij u hoogmoedig van Zijn
     tekenen afwenddet.

     94. Nu zijt gij één voor één tot Ons gekomen zoals Wij u eerst
     schiepen en gij hebt, hetgeen Wij u schonken achter u gelaten en
     Wij zien de bemiddelaren, waarvan gij beweerdet dat zij deelgenoten
     waren in uw zaken, niet bij u. Voorzeker is nu (de band) tussen u
     afgesneden en hetgeen gij placht te beweren is verloren gegaan.

     95. Voorwaar, het is Allah die de graankorrel en de dadelpit doet
     uitspruiten. Hij brengt de levenden uit de doden voort en is de
     Voortbrenger van doden uit de levenden. Dat is Allah, waarheen
     wordt gij dan afgewend?

     96. Hij doet de dag aanbreken en Hij heeft de nacht voor rust
     ingesteld en de zon en de maan voor het uitrekenen (der
     jaargetijden). Dat is de ordening van de Almachtige, de Alwetende.

     97. Hij is het, Die de sterren voor u heeft gemaakt, opdat gij
     daardoor de juiste richting in de duisternissen van het land en van
     de zee moogt volgen. Wij hebben de tekenen uitgelegd aan een volk,
     dat kennis bezit.

     98. En Hij is het, Die u van uit één ziel heeft voortgebracht en er
     is een verblijfplaats en een bewaarplaats voor u. Wij hebben de
     tekenen verklaard aan een volk dat begrijpt.

     99. En Hij is het, Die water uit de wolken nederzendt en daardoor
     elke soort van groei voortbrengt. En evenzo brengen Wij daarmee
     groen, waarvan Wij korenaren voortbrengen. En er komen uit de
     scheden van de dadelpalm laaghangende trossen. En Wij (brengen er)
     wijngaarden en de olijf en de granaatappel (mee voort) van gelijke
     en ongelijke soort. Kijkt naar het fruit ervan, wanneer het vrucht
     zet en naar het rijpen daarvan. Hierin zijn voorzeker tekenen voor
     een volk dat (wil) geloven.

     100. En zij houden de djinn voor deelgenoten van Allah ofschoon Hij
     dezen schiep; en zij dichten Hem, zonder kennis, zonen en dochters
     toe. Heilig is Hij en verheven boven hetgeen zij Hem toeschrijven.

     101. Wondere Schepper der hemelen en der aarde. Hoe kan Hij een
     zoon hebben, wanneer Hij geen gemalin heeft? Hij heeft alles
     geschapen; en Hij is de Kenner van alle dingen.

     102. Zo is Allah, uw Heer. Er is geen God naast Hem, (Hij is) de
     Schepper aller dingen, aanbidt Hem Want Hij is de Voogd over alles.

     103. Ogen kunnen Hem niet bereiken; maar Hij bereikt de ogen. Want
     Hij is de Ontastbare, de Alwetende.

     104. "Er zijn inderdaad bewijzen van uw Heer tot u gekomen, wie dus
     ziet het is voor hemzelf en wie blind wordt het is tegen hemzelf.
     En ik ben geen bewaker over u."

     105. En zo zetten Wij de tekenen uiteen, zodat zij zeggen: "Gij
     hebt het geleerd (van iemand)", en opdat Wij het aan een volk dat
     kennis heeft, mogen duidelijk maken.

     106. Volg, hetgeen u van uw Heer is geopenbaard: er is geen God
     naast Hem; en wend u van de afgodendienaren af.

     107. En als Allah had gewild, zouden zij geen goden hebben
     opgericht. Wij hebben u (de Profeet) geen bewaker over hen gemaakt,
     noch zijt gij voogd over hen.

     108. En scheldt degenen, die zij naast Allah aanroepen niet uit,
     anders zullen zij uit nijd in hun onwetendheid Allah uitschelden.
     Zo hebben Wij voor elk volk hun daden schoon doen schijnen. Dan
     zullen zij tot hun Heer terugkeren en Hij zal hen inlichten over
     hetgeen zij plachten te doen.

     109. En zij zweren hun sterkste eden bij Allah, dat, indien er een
     teken tot hen zou komen, zij er gewis in zouden geloven. Zeg:
     "Voorzeker, de tekenen zijn bij Allah." En wat weet gij: Wanneer de
     tekenen komen, zullen zij stellig niet geloven.

     110. En Wij zullen hun hart en ogen in verwarring brengen, omdat
     zij er voor de eerste keer niet in geloofden en Wij zullen hen in
     hun overtreding blindelings laten dwalen.

     111. En zelfs al zonden Wij engelen tot hen neder en al spraken de
     doden tot hen en Wij verzamelden voor hen alle dingen van
     aangezicht tot aangezicht, zij zouden er niet in geloven, tenzij
     Allah dit wilde. Maar de meesten hunner gedragen zich onwetend.

     112. Op dezelfde wijze hebben Wij een vijand voor elke profeet
     gemaakt, bozen van onder de mensen en de djinn. Zij fluisteren
     elkander vergulde woorden in om te bedriegen - en als uw Heer had
     gewild, zouden zij het niet hebben gedaan; laat hen daarom met rust
     met hetgeen zij verzinnen.

     113. En opdat de harten dergenen die niet in het Hiernamaals
     geloven er zich toe neigen en zij er tevreden mee mogen zijn en dat
     zij mogen verdienen hetgeen zij willen verdienen.

     114. Zal ik als rechter iemand anders zoeken dan Allah, terwijl Hij
     het is, Die u het Boek heeft nedergezonden dat uitvoerig is
     verklaard? En degenen, wie Wij het Boek gaven weten dat het van uw
     Heer is nedergezonden met de waarheid; behoort daarom niet tot
     degenen die twijfelen.

     115. En het woord van uw Heer is in waarheid en rechtvaardigheid
     vervuld. Niemand kan Zijn woorden veranderen; Hij is de Alhorende,
     de Alwetende.

     116. En als gij het merendeel dergenen die op aarde zijn, volgt,
     zullen zij u van Allah's weg doen afdwalen. Zij volgen slechts
     vermoedens en zij doen niets dan gissen.

     117. Voorzeker, uw Heer weet het beste wie van Zijn weg afdwaalt en
     Hij kent degenen, die recht geleid zijn.

     118. Eet daarom van hetgeen waarover de naam van Allah is
     uitgesproken als gij in Zijn tekenen gelooft.

     119. En welke reden hebt gij, dat gij niet van datgene zoudt eten,
     waarover de naam van Allah is uitgesproken, terwijl Hij u reeds
     heeft uitgelegd wat Hij u heeft verboden, - met uitzondering van
     datgene waartoe gij gedwongen zijt. En voorzeker, velen misleiden
     door hun boze neigingen zonder kennis. Waarlijk, uw Heer kent de
     overtreders het beste.

     120. En schuwt openlijke, alsmede geheime zonden. Gewis, degenen
     die zonden begaan, zal voor hetgeen zij doen, worden vergolden.

     121. En eet niet van hetgeen, waarover de naam van Allah niet is
     uitgesproken, want dat is zeker ongehoorzaamheid. En de bozen
     sporen hun vrienden aan opdat zij met u mogen redetwisten. Als gij
     hen gehoorzaamt zult gij inderdaad afgodendienaren zijn.

     122. Is hij, die dood was en wie Wij het leven gaven en voor wie
     Wij een licht maakten waardoor hij onder de mensen wandelt, gelijk
     aan hem, wiens toestand zodanig is dat hij in de duisternissen
     verblijft waaruit hij niet kan wegkomen? Zo werd voor de
     ongelovigen schoonschijnend gemaakt hetgeen zij deden.

     123. En zo hebben Wij in elke stad de groten tot haar schuldigen
     gemaakt zodat zij er in samenspannen en zij smeden slechts tegen
     hun eigen ziel, maar zij bemerken het niet.

     124. En wanneer er tot hen een teken komt, zeggen zij: "Wij zullen
     niet geloven voordat ons hetzelfde is gegeven als hetgeen Allah's
     boodschappers is gegeven." Allah weet het beste waar Zijn
     boodschapte plaatsen. Vernedering bij Allah en een strenge straf
     zal de overtreders voorzeker treffen, wegens hetgeen zij beramen.

     125. Wie Allah ook wenst te leiden, Hij verruimt zijn hart voor de
     Islam en wie Hij wenst te laten dwalen, zijn hart maakt Hij eng en
     gesloten alsof hij een hoogte aan het beklimmen was. Zo legt Allah
     degenen die niet geloven, onreinheid op.

     126. En dit is het rechtleidende pad van uw Heer. Wij hebben de
     tekenen inderdaad verduidelijkt voor een volk dat er lering uit wil
     trekken.

     127. Voor hen is het Huis van Vrede (het Paradijs) bij hun Heer en
     Hij is hun Vriend, wegens hetgeen zij doen.

     128. De Dag, waarop Hij hen allen tezamen zal verzamelen, (zal Hij
     zeggen): "O, gezelschap van djinn, gij hebt een grote hoeveelheid
     mensen tot u getrokken." En hun vrienden onder de mensen zullen
     zeggen: "Onze Heer, wij hebben van elkander geprofiteerd, maar nu
     hebben wij de termijn welke Gij voor ons hebt vastgesteld bereikt."
     Hij zal zeggen: "Het Vuur is uw tehuis waarin gij zult vertoeven,
     behalve wat Allah moge behagen." Voorzeker, uw Heer is Alwijs,
     Alwetend.

     129. En op dezelfde wijze maken Wij sommigen der onrechtvaardigen
     tot vrienden voor de anderen, voor hetgeen zij verdienen.

     130. O, gezelschap van djinn en mensen. Kwamen er niet uit uw
     midden boodschappers tot u die u Mijn tekenen verhaalden en die u
     voor de ontmoeting van deze Dag waarschuwden? Zij zullen zeggen:
     "Wij getuigen tegen onszelven." Het wereldse leven bedroog hen. En
     zij zullen tegen zichzelf getuigen, dat zij ongelovigen waren.

     131. Dit komt, omdat uw Heer de steden niet onrechtvaardig wilde
     vernietigen, terwijl de mensen er van onbewust waren.

     132. En er zijn voor allen graden overeenkomstig hetgeen zij doen
     en uw Heer is niet onopmerkzaam jegens hetgeen zij doen.

     133. En uw Heer is Onafhankelijk, Barmhartig. En als Hij het wil,
     kan Hij u wegnemen en u doen opvolgen wie Hij wil, zoals Hij u uit
     het nageslacht van andere mensen deed ontstaan.

     134. Hetgeen u is beloofd, zal voorzeker geschieden en gij kunt het
     niet voorkomen.

     135. Zeg: "O mijn volk, handel naar uw vermogen, ik handel ook. Gij
     zult weldra weten voor wie de uiteindelijke beloning van het tehuis
     zal zijn." Waarlijk de onrechtvaardigen slagen nooit.

     136. En zij hebben Allah een deel van de oogsten en van het vee
     aangewezen, dat Hij heeft voortgebracht en zij zeggen: "Dit is voor
     Allah en dit is voor onze goden," zoals zij het zich denken. Maar
     hetgeen voor hun afgoden is, bereikt Allah niet, terwijl hetgeen
     voor Allah is, hun afgoden wel bereikt. Slecht is hetgeen zij
     oordelen.

     137. Op dezelfde manier hebben voor velen der afgodendienaren hun
     afgoden het doden hunner kinderen schoonschijnend gemaakt, opdat
     zij hen mogen vernietigen en verwarring in hun godsdienst doen
     ontstaan. En als Allah het wilde, zouden zij dit niet hebben
     gedaan, laat hen daarom met rust met hetgeen zij verzinnen.

     138. Zij zeggen: "Dit en dat vee en die en die oogsten zijn
     verboden, niemand zal er van eten, dan wie het ons belieft" - alzo
     beweren zij - en er is vee, welks ruggen verboden zijn en er is
     vee, waarover zij de naam van Allah niet uitspreken en zij bedenken
     een leugen over Hem. Hij zal hen weldra vergelden, hetgeen zij
     verzinnen.

     139. En zij zeggen: "Hetgeen in de baarmoeders van dit en dat vee
     is, is uitsluitend voor onze mannen en is onze vrouwen verboden,
     maar als het dood geboren wordt hebben zij allen er deel aan." Hij
     zal hen naar hun bewering belonen. Voorzeker, Hij is Alwijs,
     Alwetend.

     140. Zij, die hun kinderen door gebrek aan kennis uit domheid doden
     en hetgeen, waarvan Allah hen heeft voorzien, onwettig maken, een
     leugen over Allah smedende, zijn inderdaad afgedwaald - noch kunnen
     zij recht geleid worden.

     141. Hij is het, Die tuinen doet ontstaan, wel of niet gestut en de
     dadelpalm en de korenvelden, waarvan de vruchten van verschillende
     soorten zijn en de olijf en de granaatappel van gelijke en
     ongelijke soort. Eet de vruchten ervan wanneer zij vruchten dragen,
     maar betaalt op de dag van de oogst, wat Hem verschuldigd is en
     verkwist het niet. Voorzeker, Allah heeft de verkwisters niet lief.

     142. En Hij schiep onder het vee lastvee en slachtvee. Eet van
     hetgeen Allah u heeft voorzien en volgt de voetstappen van Satan
     niet. Voorzeker, hij is een openlijke vijand voor u.

     143. Acht, in paren: Twee van de schapen en twee van de geiten.
     Zeg: "Zijn het de twee mannelijke dieren, die Hij heeft verboden,
     of de twee vrouwelijke dieren, ofwel, hetgeen de baarmoeders der
     twee vrouwelijke dieren bevatten? Onderricht mij met zekerheid,
     indien gij waarachtig zijt."

     144. En twee der kamelen en twee der runderen. Zeg: "Zijn het de
     twee mannelijke dieren die Hij heeft verboden of de twee
     vrouwelijke dieren ofwel, hetgeen de baarmoeders der twee
     vrouwelijke dieren bevatten? Waart gij aanwezig toen Allah u dit
     oplegde? Wie is dan onrechtvaardiger dan hij die een leugen over
     Allah bedenkt om de mensen zonder kennis te doen dwalen?"
     Voorzeker, Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.

     145. Zeg: "Ik vind in hetgeen mij is geopenbaard niets, dat een
     eter is verboden te eten, met uitzondering van het gestorvene of
     vloeiend bloed of varkensvlees, want dit alles is onrein - of, wat
     in overtreding is, waarover een andere naam dan Allah's is
     aangeroepen. Maar wie door noodzaak wordt gedreven en niet begerig
     is noch de grens overschrijdt: uw Heer is dan voorzeker
     Vergevensgezind, Genadevol.

     146. Wij verboden de Joden alle dieren die klauwen hebben en Wij
     verboden hun het vet van runderen, schapen en geiten, anders dan
     wat hun ruggen of hun ingewanden dragen of hetgeen met een been is
     gemengd. Dit is de vergelding, welke Wij hun voor hun opstandigheid
     gaven. En Wij zijn voorzeker Waarachtig.

     147. En indien zij u verloochenen zeg: "Uw Heer is de Heer der
     alomvattende Barmhartigheid doch Zijn straf zal van het schuldige
     volk niet worden afgewend."

     148. Zij die afgoderij bedrijven, zullen zeggen: "Als Allah het had
     gewild hadden wij noch onze vaderen afgoderij bedreven, noch hadden
     wij iets onwettig verklaard." Op dezelfde wijze loochenden ook zij
     die vóór hen waren, totdat zij Onze straf ondergingen. Zeg: "Hebt
     gij enige kennis? Toont het ons dan. Gij volgt niets dan vermoedens
     en gij doet niets dan liegen."

     149. Zeg: "Van Allah is het afdoende bewijs. Als Hij had gewild zou
     Hij u zeker allen hebben geleid."

     150. Zeg: "Brengt uw getuigen die getuigenis willen afleggen, dat
     Allah dit heeft verboden.'' Als zij getuigen, getuig niet met hen,
     noch volg de boze neigingen van degenen die Onze tekenen
     verloochenen en van degenen, die niet in het Hiernamaals geloven en
     die medegoden aan hun Heer toeschrijven.

     151. Zeg: "Komt, ik zal u verkondigen, wat uw Heer heeft verboden;"
     n.l. dat gij iets met Hem vereenzelvigt en dat gij uw ouders niet
     goed behandelt en dat gij uw kinderen uit armoede doodt. - Wij zijn
     het, Die voor u en voor hen zorgen - en dat gij onbetamelijke daden
     hetzij openlijk of in het geheim begaat en dat gij een ziel ten
     onrechte doodt die Allah heilig heeft verklaard. Dit is, hetgeen
     Hij u heeft bevolen, opdat gij moogt begrijpen.

     152. Beheert het eigendom van de wees, voordat hij volwassen is,
     niet anders dan op de beste wijze. En geeft de volle maat en het
     volle gewicht met rechtvaardigheid. Wij belasten geen ziel boven
     haar vermogen. En leeft, wanneer gij spreekt, rechtvaardigheid na,
     zelfs wanneer het een bloedverwant betreft en vervult het verbond
     van Allah. Dit is, hetgeen Hij u vermaant, opdat gij er lering uit
     moogt trekken.

     153. En dit is het rechte pad dat tot Mij leidt. Volgt het daarom
     en volgt geen andere wegen opdat zij u niet van Mijn weg afleiden.
     Hiertoe vermaant Hij u, opdat gij vroom moogt zijn.

     154. En Wij gaven Mozes het Boek, als voltooiing van de gunst aan
     hem die goed wilde doen en een uitleg van alle dingen en een
     leidraad en een barmhartigheid, opdat zij in de ontmoeting van hun
     Heer mochten geloven.

     155. En dit is een Boek dat Wij hebben nedergezonden, vol van
     zegeningen. Volgt het daarom en hoedt u, opdat u barmhartigheid mag
     worden betoond.

     156. Opdat gij niet zoudt zeggen: "Het Boek was alleen geopenbaard
     voor twee volkeren die vóór ons leefden, en wij waren inderdaad met
     de inhoud er van onbekend."

     157. Of ingeval gij zoudt zeggen: "Voorzeker, als ons het Boek was
     nedergezonden, zouden wij beter zijn geleid dan zij." Er is nu een
     duidelijk bewijs, leiding en barmhartigheid van uw Heer tot u
     gekomen. Wie is onrechtvaardiger dan hij die de tekenen van Allah
     verwerpt en er zich van afkeert? Wij zullen degenen, die zich van
     Onze tekenen afwenden met een vreselijke straf vergelden omdat zij
     zich hebben afgewend.

     158. Verwachten zij niets anders dan dat engelen tot hen zouden
     komen, of dat hun Heer zou verschijnen of dat enige der tekenen van
     uw Heer zouden plaatshebben? Op de dag, wanneer enige der tekenen
     van uw Heer zullen verschijnen, zal het geloven geen ziel baten die
     voorheen niet geloofde noch iets goeds door haar geloof verdiende.
     Zeg: "Wacht, Wij wachten ook."

     159. Degenen, die scheiding in hun godsdienst maken en zich in
     secten verdelen - gij hebt met hen niets uitstaande. Hun zaak rust
     in Allah's handen dan zal Hij hen bekend maken met hetgeen zij
     deden.

     160. Wie een goede daad verricht zal tienmaal zoveel ontvangen,
     maar wie een slechte daad verricht zal alleen een daaraan gelijke
     vergelding ontvangen; hun zal geen onrecht worden aangedaan.

     161. Zeg: "Wat mij betreft, mijn Heer heeft mij op het rechte pad
     geleid - een goed geloof, de godsdienst van Abraham, de oprechte.
     En hij behoorde niet tot de afgodendienaren."

     162. Zeg: "Mijn gebed en mijn offer, mijn leven en mijn dood zijn
     gewijd aan Allah, de Heer der Werelden."

     163. "Hij heeft geen gelijken. Zo is mij bevolen en ik ben de
     eerste der Moslims."

     164. Zeg: "Zal ik een andere Heer begeren buiten Allah, terwijl Hij
     de Heer aller dingen is?" En geen ziel handelt dan voor zichzelf
     alleen, noch draagt een lastdrager de last van anderen. Dan zal uw
     terugkeer tot uw Heer zijn en Hij zal u verklaren, waarover gij
     twisttet.

     165. En Hij is het, die u op aarde tot opvolgers maakte en Hij
     heeft sommigen uwer in rang boven anderen verheven, opdat Hij u
     door hetgeen Hij u heeft gegeven, moge beproeven. Voorzeker, uw
     Heer is vlug in het straffen en voorzeker, Hij is Vergevensgezind,
     Genadevol.


     -------------------------------------------------------------------
     -----

     7. De Verheven Plaatsen (Al-Aa'raaf)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 206 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. Alif Laam Miem Saad.

     2. (Dit is) een (volmaakt) Boek, dat aan u is geopenbaard - laat er
     daarom in uw hart geen twijfel zijn om er mede te waarschuwen; -
     dit is een aanmaning voor de gelovigen.

     3. Volgt hetgeen u van uw Heer is nedergezonden en volgt geen
     andere vrienden, dan Hem. Hoe gering is de lering, die gij trekt.

     4. Hoeveel steden hebben Wij vernietigd! Onze straf overviel hen
     gedurende de nacht of tijdens de middagslaap.

     5. Toen Onze Straf over hen kwam, was hun roep niet anders dan dat
     zij zeiden: "Wij waren inderdaad onrechtvaardigen."

     6. En Wij zullen degenen, tot wie de boodschappers waren gezonden
     zeker ter verantwoording roepen; en Wij zullen de boodschappers ook
     ondervragen.

     7. Dan zullen Wij hen zeker met kennis doen weten; want Wij zijn
     nooit afwezig.

     8. En het wegen (der menselijke daden) zal op die Dag eerlijk zijn.
     Degenen, wier schalen zwaar zijn zullen slagen.

     9. En zij, wier schalen licht zullen zijn, deden hun zielen tekort,
     omdat zij ten opzichte van Onze tekenen onrechtvaardig waren.

     10. En Wij hebben u op aarde gevestigd en u daarop van middelen van
     bestaan voorzien. Hoe weinig dankbaar zijt gij!

     11. Wij schiepen u, daarna vormden Wij u; toen zeiden Wij tot de
     engelen: "Onderwerpt u aan Adam" en zij onderwierpen zich, behalve
     Iblies; hij behoorde niet tot degenen die zich onderwierpen.

     12. (Allah) zeide: "Wat belette u, u te onderwerpen, toen Ik u
     (dat) gebood?" Hij antwoordde: "Ik ben beter dan hij. Gij hebt mij
     uit vuur en hem uit klei geschapen.

     13. (Allah) zeide: "Verwijder u van hier - het is niet aan u, hier
     hoogmoedig te zijn. Ga heen, gij behoort stellig tot degenen, die
     vernederd zullen worden."

     14. Hij zeide: "Geef mij uitstel tot aan de Dag waarop zij zullen
     worden opgewekt."

     15. (Allah) zeide: "U is uitstel verleend."

     16. Hij antwoordde: "Welnu, daar gij mij liet dwalen zal ik hen
     voorzeker in de weg gaan zitten op Uw rechte pad."

     17. "Dan zal ik mij gewis vóór hen en achter hen en van hun rechter
     en van hun linker zijde tonen en Gij zult de meesten hunner niet
     dankbaar vinden."

     18. (Allah) zeide: "Ga heen, veracht en verworpen. Wie hunner u ook
     zal volgen, Ik zal voorzeker de hel met u allen vullen."

     19. "O, Adam, vertoef met uw vrouw in de tuin en eet, wat gij wilt,
     maar nadert deze boom niet, anders zult gij tot de onrechtvaardigen
     behoren."

     20. Maar Satan fluisterde hun (boze ingevingen) in opdat hij hun
     naaktheid zou openbaren die voor hen verborgen was, en zeide: "Uw
     Heer heeft u deze boom alleen verboden, opdat gij geen engelen of
     eeuwig- levenden zoudt worden."

     21. En hij zwoer tot hen: "Ik ben voor u zeker een oprechte
     raadgever."

     22. Zo deed hij hen door bedrog vallen. En toen zij van de boom
     proefden werd hun naaktheid hun duidelijk en zij begonnen zich te
     bedekken met bladeren uit de tuin. En hun Heer riep hen en zeide:
     "Verbood Ik u die boom niet en zeide Ik niet tot u: 'Voorwaar,
     Satan is een openlijke vijand voor u'?"

     23. Zij antwoordden: "Onze Heer, wij hebben onszelf onrecht
     aangedaan en als Gij ons niet vergeeft en ons niet genadig zijt,
     zullen wij zeker tot de benadeelden behoren.

     24. Hij zeide: "Gaat heen, sommigen uwer zullen de vijanden van
     anderen zijn. En er is voor u een verblijfplaats op aarde en een
     voorziening voor een bepaalde tijd."

     25. Hij zeide: "Gij zult daarop leven en sterven en gij zult
     daarvandaan worden opgewekt."

     26. O kinderen van Adam! Wij hebben u inderdaad kleding
     nedergezonden om uw naaktheid te bedekken, ook om sierlijk te zijn,
     doch het kleed van godsvrucht is het beste. Dit is een teken van
     Allah, opdat zij er lering uit mogen trekken.

     27. O kinderen van Adam, laat Satan u niet verleiden, zoals hij uw
     ouders uit het paradijs verdreef en hen van hun kleding beroofde,
     opdat hij hun hun naaktheid mocht tonen. Waarlijk, hij ziet u, hij
     en zijn stam, vanwaar gij hen niet ziet. Voorzeker, Wij hebben de
     duivelen vrienden gemaakt voor hen, die niet geloven.

     28. En wanneer zij een slechte daad begaan, zeggen zij: "Wij zagen
     dit onze vaderen doen en Allah heeft het ons bevolen." Zeg: "Allah
     legt nooit slechte daden op. Zegt gij van Allah, hetgeen gij niet
     weet?"

     29. Zeg: "Mijn Heer heeft rechtvaardigheid bevolen. En dat gij uw
     aandacht behoorlijk richt, ter gelegenheid van aanbidding en Hem
     aanroept in zuivere gehoorzaamheid aan Hem. Zoals Hij u deed
     ontstaan, zo zult gij wederkeren.

     30. Sommigen heeft Hij geleid en bij anderen werd dwaling hun deel.
     Zij hebben buiten Allah de bozen tot vrienden genomen en zij denken
     dat zij recht geleid zijn.

     31. O, kinderen van Adam, let op uw uiterlijk ter gelegenheid van
     aanbidding en eet en drinkt, maar verkwist niet. Hij heeft de
     verkwisters zeker niet lief.

     32. Zeg: "Wie heeft de tooi van Allah, die Hij voor Zijn dienaren
     heeft voortgebracht en zuiver voedsel, verboden?" Zeg: "Zij zijn
     ook voor de gelovigen in het tegenwoordige leven en voor hen alleen
     op de Dag der Opstanding." Zo verklaren Wij de tekenen aan een volk
     dat begrip heeft.

     33. Zeg: "Mijn Heer heeft slechte daden, hetzij openlijk of in het
     geheim verboden en zonde en ongerechtvaardigde opstand; en dat gij
     datgene met Allah vereenzelvigt, waarvoor Hij u geen gezag heeft
     nedergezonden en dat gij van Allah dingen zegt, die gij niet weet.

     34. En er is voor elk volk een termijn en wanneer hun tijd is
     gekomen kunnen zij geen uur uitstel krijgen, noch kunnen zij
     vooruitlopen.

     35. O, kinderen van Adam, als boodschappers vanuit uw midden tot u
     komen, die Mijn tekenen aan u voordragen, dan, wie Allah zal vrezen
     en goede daden verrichten, over hen zal geen vrees komen, noch
     zullen zij treuren.

     36. Maar zij, die Onze tekenen verloochenen en er zich hoogmoedig
     van afkeren - dezen zullen de bewoners van het Vuur zijn, zij
     zullen daarin vertoeven.

     37. Wie is dan onrechtvaardiger dan hij, die een leugen over Allah
     uit, of Zijn tekenen verloochent? Dezen zijn het, die hun lot
     zullen ondergaan zoals het verordend is, als Onze boodschappers hen
     zullen bezoeken om hun zielen weg te nemen; zij zullen hen vragen:
     "Waar is hetgeen gij naast Allah aanriept?" Zij zullen antwoorden:
     "Het is verloren geraakt voor ons," en zij zullen tegen zichzelven
     getuigen, dat zij ongelovig waren.

     38. Hij zal zeggen: "Gaat onder de volkeren van djinn en mensen die
     vóór u heengingen, het Vuur binnen." Steeds wanneer een volk er
     binnengaat zal het zijn zustervolk vervloeken, totdat, wanneer zij
     er allen opeenvolgend in zijn aangekomen, de laatsten over de
     eersten hunner zullen zeggen: "Onze Heer, dezen deden ons dwalen,
     geef hun daarom een dubbele straf van het Vuur." Hij (Allah) zal
     zeggen: "Er is voor iedereen het dubbele, maar gij weet het niet.''

     39. En de eersten hunner zullen tot de laatsten zeggen: "Gij zijt
     niet boven ons verheven, smaakt daarom de straf voor al hetgeen gij
     deedt."

     40. Voorzeker, voor hen die Onze tekenen verloochenen en er zich
     hoogmoedig van afwenden, zullen de poorten van de Hemel niet worden
     geopend, noch zullen zij in het paradijs komen; eer zou een kameel
     door het oog van een naald gaan. En zo vergelden Wij de daden der
     schuldigen.

     41. Zij zullen de hel tot bed en bedekkingen hebben. En zo
     vergelden Wij de onrechtvaardigen.

     42. Maar, die geloven en goede werken verrichten - Wij belasten
     geen ziel boven haar vermogen - dezen zullen de bewoners van het
     paradijs zijn, zij zullen daarin vertoeven.

     43. Welke wrok er ook in hun hart moge zijn, wij zullen deze van
     hen verwijderen. Er zullen rivieren voor hen vloeien. En zij zullen
     zeggen: "Alle lof komt Allah toe, Die ons hiertoe heeft geleid. En
     als Allah ons niet had terechtgewezen, hadden wij geen leiding
     kunnen vinden. De boodschappers van onze Heer brachten inderdaad de
     waarheid." En er zal hen worden toegeroepen: "Dit is het paradijs,
     dat u als erfdeel is gegeven, voor hetgeen gij deedt."

     44. De bewoners van het paradijs zullen naar de bewoners van de hel
     roepen: "Wij hebben bevonden waar te zijn, wat onze Heer ons
     beloofde. Hebt gij ook bevonden, waar te zijn wat uw Heer u
     beloofde?" Zij zullen zeggen: "Ja." Dan zal er een woordvoerder
     onder hen verkondigen: "De vloek van Allah rust op de
     onrechtvaardigen,

     45. Die anderen van het pad van Allah weerhielden, het oneffen
     wensende, en die het Hiernamaals verwierpen."

     46. En er zal een scheiding tussen beiden zijn; en er zullen op de
     verheven plaatsen mannen zijn die allen aan hun merktekenen
     herkennen. En zij zullen tot de bewoners van het paradijs roepen:
     "Vrede zij over u.'' Dezen zullen het paradijs nog niet zijn
     binnengegaan, maar zij hopen het.

     47. En wanneer hun ogen naar de bewoners van het Vuur zijn gericht,
     zullen zij zeggen: "Onze Heer, plaats ons niet onder het
     onrechtvaardige volk."

     48. En de bewoners van de verheven plaatsen zullen tot de mensen
     die zij aan hun merktekenen herkennen roepen: "Uw aantal, noch
     datgene waarover gij hoogmoedig waart, heeft u kunnen helpen."

     49. Zijn dezen het aangaande welke gij hebt gezworen dat Allah hun
     geen barmhartigheid zou schenken? "Gaat het paradijs binnen, er zal
     geen vrees over u komen, noch zult gij treuren,"

     50. En de bewoners van het Vuur zullen tot de bewoners van het
     paradijs roepen: "Giet wat water over ons uit of iets, waarmnee
     Allah u heeft voorzien." Zij zullen antwoorden: "Allah heeft
     voorzeker dit voor de ongelovigen verboden."

     51. Degenen, die hun godsdienst tot tijdverdrijf en tot vermaak
     namen en wie het leven van de wereld had bedrogen, Wij zullen hen
     deze Dag vergeten, zoals zij de ontmoeting op deze dag vergaten en
     zoals zij Onze tekenen verwierpen.

     52. En Wij hebben hun voorzeker een Boek gebracht, dat Wij met
     kennis hebben uiteengezet, als leiding en barmhartigheid voor een
     volk dat gelooft.

     53. Wachten zij slechts op (een andere) verklaring daarvan? De Dag,
     waarop deze komen zal, zullen degenen die het voorheen vergaten,
     zeggen: "De boodschappers van onze Heer brachten inderdaad de
     waarheid, zullen wij dan enige bemiddelaars hebben, die voor ons
     zullen bemiddelen? Of konden wij worden teruggezonden (naar de
     aarde), opdat wij anders mochten doen, dan hetgeen wij deden?" Zij
     deden hun ziel inderdaad tekort en hetgeen zij verzonnen is voor
     hen verloren gegaan.

     54. Voorzeker, uw Heer is Allah, Die de hemelen en de aarde in zes
     dagen schiep; daarna zette Hij Zich op deTroon neder. Hij doet de
     nacht de dag bedekken, die hem snel opvolgt. De zon en de maan en
     de sterren zijn door Zijn gebod in dienst gesteld. Voorwaar, van
     Hem is de schepping en het gebod. Gezegend is Allah, de Heer der
     Werelden.

     55. Roept uw Heer in nederigheid en in het verborgene aan. Hij
     heeft de overtreders zeker niet lief.

     56. En schept geen wanorde op aarde, nadat zij is geordend en roept
     Hem met vrees en hoop aan. Voorzeker, de Barmhartigheid van Allah
     is de goeden nabij.

     57. En Hij is het, Die de winden als blijde tijdingen voor Zijn
     barmhartigheid uitzendt; totdat, wanneer zij zware wolken dragen,
     Wij ze naar een dor land drijven, daarna zenden Wij er water uit
     neder, dan brengen Wij alle soorten vruchten voort; zo wekken Wij
     de doden op, opdat gij er lering uit moogt trekken.

     58. En het goede land - de plantengroei komt er in overvloed van
     voort door het gebod van zijn Heer - en hetgeen slecht is levert
     alleen schaarste op. Zo wisselen Wij de tekenen af voor een volk
     dat dankbaar is.

     59. Wij zonden Noach tot zijn volk en hij zeide: "O, mijn volk,
     aanbidt Allah, gij hebt geen god naast Hem. Ik vrees voor u de
     straf van de grote Dag."

     60. De leiders van zijn volk antwoordden: "Wij zien dat gij in
     openlijke dwaling verkeert."

     61. Hij zeide: "O, mijn volk, er is in mij geen dwaling, doch ik
     ben een boodschapper van de Heer der Werelden."

     62. "Ik breng u de boodschappen van mijn Heer over en geef u
     oprechte raad en ik weet van Allah wat gij niet weet."

     63. "Verwondert gij u, dat er een aanmaning van uw Heer tot u is
     gekomen door een man uit uw midden opdat hij u moge waarschuwen en
     opdat gij rechtvaardig moogt worden en opdat u barmhartigheid moge
     worden betoond?"

     64. Maar zij verloochenden hem; Wij redden hem en degenen die met
     hem in de ark waren en Wij verdronken degenen, die Onze tekenen
     verwierpen. Zij waren inderdaad een verblind volk.

     65. En tot (het volk van) Aad (zonden Wij) hun broeder Hoed. Hij
     zeide: "O mijn volk, aanbidt Allah, gij hebt geen andere god naast
     Hem. Wilt gij dan niet (God) vrezen?"

     66. De ongelovige leiders van zijn volk zeiden: "Wij zien u als een
     dwaze en wij denken, dat gij tot de leugenaars behoort."

     67. Hij antwoordde: "O, mijn volk, er is in mij geen dwaasheid,
     maar ik ben een boodschapper van de Heer der Werelden."

     68. "Ik breng u de woorden van mijn Heer en ik ben voor u een
     eerlijke raadgever."

     69. "Verwondert gij u, dat er een waarschuwing van uw Heer tot u is
     gekomen door een man uit uw midden, opdat hij u moge waarschuwen? "
     Hij maakte u na het volk van Noach tot erfgenamen en deed u
     overvloedig in kracht toenemen. Gedenkt daarom de gunsten van
     Allah, opdat gij moogt slagen."

     70. Zij zeiden: "Zijt gij tot ons gekomen opdat wij Allah alleen
     moeten aanbidden en de goden die onze vaderen aanbaden zullen
     verlaten? Breng ons dan hetgeen waarmede gii ons bedreigt, als gij
     oprecht zigt."

     71. Eij antwoordde: "Straf en toorn van uw Heer hebben u reeds
     getroffen. Redetwist gij met mij over namen, die gij hebt genoemd -
     gij en uw vaderen - waarvoor Allah geen gezag heeft nedergezonden?
     Wacht dan, ik ben met u onder de wachtenden."

     72. En Wij redden hem en degenen, die met hem waren door Onze
     barmhartigheid en Wij sneden de levenswortel af van degenen die
     Onze tekenen verloochenden. En dezen waren geen gelovigen.

     73. Naar de Samoed (kwam) hun broeder Salih. Hij zeide: "O mijn
     volk, aanbidt Allah; gij hebt geen andere god naast Hem. Voorwaar
     er is een duidelijk bewijs van uw Heer tot u gekomen; deze kamelin
     is van Allah, een teken voor u. Laat haar daarom met rust opdat zij
     zich van Allah's aarde moge voeden en doet haar geen leed, anders
     zal een pijnlijke straf u bereiken."

     74. En herinnert u, toen Hij u na (het volk van) Aad tot opvolgers
     maakte en u vestigde in het land; gij bouwdet paleizen in de
     vlakten en gij hieuwt huizen uit de bergen. Gedenkt daarom de
     gunsten van Allah en wandelt niet op aarde, onheil stichtend.

     75. De leiders van zijn volk, die aanmatigend waren, zeiden tot de
     gelovigen, die zij zwak achtten: "Weet gij zeker, dat Salih een
     door zijn Heer gezondene is?" Zij antwoordden: "Wij geloven
     voorzeker in hetgeen, waarmede hij gezonden is."

     76. Degenen die aanmatigend waren zeiden: "Voorwaar, wij geloven
     niet in hetgeen waarin gij gelooft."

     77. Toen verlamden zij de kamelin en overtraden het gebod van hun
     Heer en zeiden: "O, Salih, breng ons hetgeen, waarmede gij ons hebt
     bedreigd, als gij tot de boodschappers behoort."

     78. De aardbeving overviel hen en zij lagen uitgestrekt op de grond
     in hun huizen.

     79. Toen wendde Salih zich van hen af en zeide: "O, mijn volk, ik
     bracht u de boodschap van mijn Heer en bood u oprechte raad aan,
     maar gij houdt niet van oprechte raadgevers."

     80. En Lot, toen hij tot zijn volk zeide: "Pleegt gij een
     gruweldaad zoals niemand ter wereld ooit vóór u pleegde?"

     81. "Gij nadert met wellust mannen, in plaats van vrouwen. Neen,
     gij zijt een volk dat de perken te buiten gaat."

     82. Het antwoord van zijn volk was slechts: "Verdrijft hen uit uw
     stad, want zij zijn mannen die zich rein willen houden."

     83. Wij redden hem en zijn familie, met uitzondering van zijn
     vrouw, zij behoorde tot de achterblijvenden.

     84. En Wij deden een regen van stenen over hen komen. Ziet nu wat
     het einde was van de schuldigen.

     85. En tot Midian hun broeder Shoaib. Hij zeide: "O, mijn volk,
     aanbidt Allah, gij hebt geen god naast Hem. Er is inderdaad een
     duidelijk teken van uw Heer tot u gekomen. Geeft daarom volle maat
     en ruim gewicht en vermindert het aan de mensen verschuldigde niet
     en schept geen wanorde op aarde nadat zij geordend is. Dit is beter
     voor u, als gij gelovigen zijt."

     86. "En wacht niet op de wegen om degenen die in Hem geloven te
     bedreigen en van het pad van Allah af te houden en het oneffen te
     maken. En gedenkt, hoe gij weinigen waart en Hij u
     vermenigvuldigde. En ziet wat het einde was van de onruststokers."

     87. "En als er een groep onder u is die gelooft in hetgeen waarmede
     ik ben gezonden en een andere groep die dit niet gelooft, wacht dan
     geduldig totdat Allah onder ons richt. Want Hij is de beste
     Rechter."

     88. De leidende mannen van zijn volk die aanmatigend waren,
     antwoordden: "Wij zullen u, o Shoaib, en de gelovigen met u zeker
     uit onze stad verdrijven tenzij gij tot onze godsdienst
     terugkeert." Hij zeide: "Zelfs al zijn wij er afkerig van?"

     89. En indien wij tot uw godsdienst terugvallen, nadat Allah ons er
     van heeft gered, dan hebben wij voorzeker een leugen aangaande
     Allah verzonnen. En het past ons niet er naar te willen terugkeren,
     behalve, wanneer Allah, onze Heer, dit zou willen. Onze Heer omvat
     alle dingen in Zijn kennis. Wij hebben in Allah ons vertrouwen
     gelegd. Oordeel daarom, onze Heer, tussen ons en ons volk in
     waarheid en Gij zijt de beste Rechter.

     90. En de leidende mannen van zijn volk die niet geloofden, zeiden:
     "Als gij Shoaib volgt, zult gij zeker verliezers zijn."

     91. Daarom greep de aardbeving hen en zij lagen uitgestrekt op de
     grond in hun huizen.

     92. Degenen, die Shoaib verloochenden werden (zo vernietigd) alsof
     zij er nooit in hadden gewoond. Degenen, die Shoaib van leugen
     beschuldigden - zij waren de verliezers.

     93. Daarna wendde hij zich van hen af en zeide: "O mijn volk, ik
     heb u inderdaad de boodschap van mijn Heer overgebracht en ik gaf u
     oprechte raad. Hoe moet ik dan om een ongelovig volk treuren?"

     94. En Wij zonden nimmer een profeet naar een stad zonder dat Wij
     het volk er van met tegenspoed en lijden troffen, opdat zij zouden
     verootmoedigen.

     95. Daarna verwisselden Wij het boze met het goede, totdat zij
     groeiden en zeiden: "Lijden en geluk wedervoeren onze vaderen ook."
     Dan grepen Wij hen plotseling terwijl zij er niet aan dachten.

     96. En indien de mensen van die steden hadden geloofd en
     rechtvaardig waren geweest, zouden Wij zeker zegeningen van de
     hemel en van de aarde voor hen hebben gezonden, maar zij
     verloochenden (onze profeet); daarom grepen Wij hen vanwege hun
     daden.

     97. Zijn de bewoners der steden veilig voor de komst van Onze straf
     over hen, 's nachts, terwijl zij slapen?

     98. Of zijn de bewoners dezer steden veilig voor Onze straf die
     over hen zou kunnen komen, des daags terwijl zij zich vermaken?

     99. Zijn zij dan veilig voor Allah's voornemen? En niemand waant
     zich veilig voor Allah's voornemen, dan het volk dat te gronde
     gaat.

     100. Doet het degenen, die de aarde beerven na haar (vroegere)
     bewoners niet inzien, dat, indien Wij het willen, Wij hen om hun
     zonden treffen en hun hart verzegelen, zodat zij niet meer horen?

     101. Zo waren de steden wier verhaal Wij u hebben verteld. En
     voorzeker hun boodschappers kwamen met duidelijke tekenen tot hen.
     Doch zij wilden niet geloven omdat zij voorheen reeds loochenden.
     Zo zegelt Allah het hart der ongelovigen.

     102. Wij vonden in de meesten hunner geen (trouw aan het) verbond
     en Wij bevonden dat de meesten hunner overtreders waren.

     103. Toen zonden Wij na hen (de vorige boodschappers) Mozes met
     Onze tekenen naar Pharao en zijn leiders, maar zij geloofden er
     niet in. Ziet hoe het einde was van de onruststokers.

     104. En Mozes zeide: "O, Pharao, ik ben waarlijk een boodschapper
     van de Heer der Werelden."

     105. "Ik mag slechts de waarheid over Allah spreken. Ik ben met een
     duidelijk teken van uw Heer tot u gekomen; zend daarom de kinderen
     Israëls met mij mee."

     106. Hij antwoordde: "Als gij inderdaad met een teken zijt gekomen
     breng het naar voren als gij tot de waarachtigen behoort."

     107. Hij (Mozes) wierp zijn stok neder en ziet, het was duidelijk
     een slang.

     108. En hij haalde zijn hand tevoorschijn en ziet, zij was wit
     (geworden) voor de toeschouwers.

     109. De leiders van het volk van Pharao zeiden: "Dit is gewis een
     vaardige tovenaar."

     110. "Hij wil u uit uw land zetten. Wat raadt gij nu aan?"

     111. Zij zeiden: "Geef hem en zijn broeder tijd en zend (intussen)
     omroepers de steden in,

     112. Die elke vaardige tovenaar tot u zullen brengen."

     113. En de tovenaars kwamen tot Pharao en zeiden: "Wij zullen
     natuurlijk als wij de overhand krijgen een beloning ontvangen."

     114. Hij (Pharao) antwoordde: "Ja en gij zult tot de gunstelingen
     behoren."

     115. Zij zeiden: "O Mozes zult gij of zullen wij het eerst werpen?"

     116. Hij antwoordde: "Werpt gij." En toen zij wierpen, betoverden
     zij de ogen der mensen en deden hen vrezen en toonden hun grote
     toverkunst.

     117. En Wij bezielden Mozes en zeiden: "Werp uw stok neder" en
     ziet, deze slokte al hetgeen zij getoverd hadden op.

     118. Zo werd de waarheid bevestigd en bleek wat zij deden ijdel te
     zijn.

     119. Zo werden zij verslagen en vernederd.

     120. En de tovenaars werden bewogen zich neder te werpen.

     121. En zeiden: "Wij geloven in de Heer der Werelden."

     122. "De Heer van Mozes en Aäron."

     123. Pharao zeide: "Hebt gij vóór ik het u toestond in Hem geloofd?
     Dit is voorzeker een complot dat gij in de stad hebt gesmeed, opdat
     gij haar bewoners er uit moogt verdrijven maar gij zult het weldra
     te weten komen."

     124. "Ik zal gewis uw handen en uw voeten aan tegengestelde zijden
     (rechts en links) doen afsnijden. Dan zal ik u allen tezamen laten
     kruisigen."

     125. Zij antwoordden: "Wij zullen voorzeker naar onze Heer
     terugkeren."

     126. En gij neemt alleen wraak op ons omdat wij in de tekenen van
     onze Heer hebben geloofd toen zij ons getoond werden. Onze Heer,
     stort standvastigheid over ons uit en doe ons sterven terwijl wij
     Moslims zijn."

     127. En de leiders van het volk van Pharao zeiden: "Wilt gij Mozes
     en zijn volk in het land wanorde laten scheppen en u en uw goden
     laten verzaken?" Hij antwoordde: "Wij zullen hun zonen doden en hun
     vrouwen sparen. Zeker wij hebben macht over hen."

     128. Mozes zeide tot zijn volk: "Zoekt de hulp van Allah en weest
     geduldig. Voorzeker, de aarde behoort aan Allah. Hij geeft haar als
     erfdeel aan wie Zijner dienaren Hij wil en de uiteindelijke
     overwinning is voor de godvrezenden.

     129. Zij antwoordden: "Wij werden vervolgd, voordat gij tot ons
     kwaamt en nadat gij tot ons zijt gekomen." Hij (Mozes) zeide:
     "Waarschijnlijk gaat uw Heer uw vijand vernietigen en u tot
     stedehouders in het land maken, dan zal Hij zien hoe gij handelt."

     130. En Wij straften het volk van Pharao door droogte en met
     schaarste van vruchten, opdat zij er lering uit mochten trekken.

     131. Wanneer er goeds tot hen kwam zeiden zij: "Dit komt ons toe."
     En als hen kwaad overkwam, schreven zij de tegenspoed toe aan Mozes
     en zijn metgezellen. Let op! Hun tegenspoed was eveneens van Allah.
     Maar de meesten hunner weten het niet.

     132. En zij zeiden (tot Mozes): "Welk teken gij ons ook moogt
     brengen om er ons mede te betoveren, wij zullen stellig niet in u
     geloven."

     133. Toen zonden Wij de storm en de sprinkhanen en de luizen en de
     kikvorsen en bloed over hen - als duidelijke tekenen, doch zij
     gedroegen zich hoogmoedig en waren een schuldig volk.

     134. En toen de straf op hen viel, zeiden zij: "O, Mozes, bid voor
     ons tot uw Heer, zoals Hij u heeft beloofd. Als gij de plaag van
     ons verwijdert, zullen wij u zeker geloven en wij zullen de
     kinderen Israëls voorzeker met u laten gaan.

     135. Maar toen Wij de straf van hen verwijderden voor een bepaalde
     termijn, die zij moesten voleindigen, ziet, toen braken zij (hun
     beloften.)

     136. Wij straften hen derhalve en verdronken hen in zee, omdat zij
     Onze tekenen verloochenden en er geen acht op sloegen.

     137. En Wij deden de mensen die voor zwak werden gehouden de
     oostelijke en westelijke gedeelten van het land, welke Wij
     zegenden, erven. En het genadevolle woord van uw Heer werd voor de
     kinderen Israëls vervuld omdat zij geduldig waren geweest; en Wij
     vernietigden al hetgeen Pharao en zijn volk hadden gebouwd en al
     hetgeen zij hadden opgericht.

     138. En Wij deden de kinderen Israëls door de zee trekken en zij
     kwamen tot een volk dat aan zijn afgoden was gehecht. Zij zeiden:
     "O, Mozes, maak ons een god zoals dit (volk) goden heeft." Hij
     antwoordde: "Gij zijt zeker een onwetend volk."

     139. "Wat dezen betreft, al hetgeen waarmede zij zich bezig houden,
     zal worden vernietigd en al hetgeen zij doen zal vergeefs zijn."

     140. Hij zeide (verder): "Zal ik u een andere god dan Allah zoeken,
     terwijl Hij u boven de volkeren heeft verheven?"

     141. Toen Wij u van Pharao's volk verlosten dat u aan een marteling
     onderwierp en uw zonen doodde en uw vrouwen spaarde. En daarin lag
     voor u een zware beproeving van uw Heer.

     142. En Wij maakten met Mozes een overeenkomst van dertig nachten
     en vulden ze met tien nachten aan. Aldus werd de periode, die door
     zijn Heer was vastgesteld tot veertig nachten aangevuld. En Mozes
     zeide tot zijn broeder Aäron: "Wees mijn plaatsvervanger onder mijn
     volk in mijn afwezigheid en beheer wel en volg de weg der
     onruststokers niet."

     143. En toen Mozes op Onze vastgestelde tijd kwam en zijn Heer tot
     hem sprak, zeide hij: "Mijn Heer, toon U aan mij, opdat ik U moge
     aanschouwen." Hij (Allah) antwoordde: "Gij zult Mij stellig niet
     kunnen aanschouwen, maar kijk naar de berg en als deze op zijn
     plaats blijft, dan zult gij Mij wel kunnen zien." En toen zijn Heer
     Zich op de berg openbaarde, brak deze in stukken en Mozes viel
     bewusteloos neder. En toen hij tot zichzelf kwam, zeide hij:
     "Heilig zijt Gij, ik wend mij tot U en ik ben de eerste der
     gelovigen."

     144. Allah zeide: "O, Mozes, Ik heb u door Mijn boodschappen en
     Mijn woord boven de volkeren uitverkoren. Houd u daarom vast aan
     hetgeen Ik u heb gegeven en behoor tot de dankbaren."

     145. En Wij schreven op de tafelen allerhande raad en uitleg voor
     alles. Houd u er aan en beveel uw volk, dit alles stipt op te
     volgen. Ik zal u weldra de verblijfplaats der overtreders tonen.

     146. Ik zal voorzeker degenen, die ten onrechte trots handelen op
     aarde weldra van Mijn tekenen afkeren; en hoewel zij alle tekenen
     zien, zullen zij er niet in geloven, en als zij het pad der
     rechtvaardigheid zien zullen zij dit als weg niet aanvaarden, maar
     indien zij het pad der dwaling zien, zullen zij deze als weg wel
     inslaan. Dat komt, omdat zij Onze tekenen verloochenden en er
     onachtzaam op waren.

     147. En zij, die Onze tekenen en de laatste Ontmoeting verloochenen
     - hun werken zullen verloren gaan. Zullen zij worden beloond,
     anders dan voor hetgeen zij deden?

     148. En het volk van Mozes maakte van hun sieraden in zijn
     afwezigheid het lichaam van een kalf - dat een loeiende toon
     voortbracht. Zagen zij niet, dat het niet tot hen kon spreken, noch
     hen naar een goede weg leiden? Zij namen het, (als hun god) en zij
     waren overtreders.

     149. Toen zij wroeging gevoelden en zagen, dat zij inderdaad
     gedwaald hadden, zeiden zij: "Als onze Heer ons geen barmhartigheid
     betoont en ons vergeeft, zullen wij gewis tot de verliezers
     behoren.''

     150. En toen Mozes verontwaardigd en bedroefd tot zijn volk
     terugkeerde, zeide hij: "Hetgeen gij in mijn afwezigheid deedt, was
     slecht. Hebt gij u gehaast vóór het gebod van uw Heer?" En hij
     legde de tafelen neder en greep zijn broeders haar en sleepte hem
     naar zich toe. Hij (Aäron) zeide: "Zoon van mijn moeder, het volk
     achtte mij inderdaad zwak en wilde mij doden. Laat zich de vijanden
     daarom niet over mij verblijden en plaats mij niet bij het
     onrechtvaardige volk."

     151. Hij (Mozes) zeide: "Mijn Heer, vergeef mij en mijn broeder en
     laat ons tot Uw barmhartigheid toe want Gij zijt de
     Allergenadigste.

     152. Voorzeker, degenen die het kalf aanbaden zal de toorn van hun
     Heer en de vernedering in het tegenwoordig leven treffen En zo
     bejegenen Wij degenen, die een leugen verzinnen.

     153. Doch diegenen die kwaad doen en daarna berouw tonen en
     geloven, voorzeker uw Heer is dan Vergevensgezind, Genadevol.

     154. Toen Mozes' toorn was gekalmeerd, nam hij de tafelen en er was
     leiding en barmhartigheid in het geschrift voor degenen, die hun
     Heer vrezen.

     155. En Mozes koos voor Onze ontmoeting zeventig mannen van zijn
     volk. Maar toen de aardbeving hen achterhaalde, zeide hj: "Mijn
     Heer, als het U had behaagd, kondet, Gij hen en mij voordien reeds
     hebben vernietigd. Wilt Gij ons verdelgen voor hetgeen de dommen
     onder ons hebben gedaan? Dit is niets dan een beproeving van U. Gij
     laat daardoor dwalen wie Gij wilt en Gij leidt wie Gij wilt. Gij
     zijt onze Beschermer , vergeef one daarom en toon ons
     barmhartigheid en Gij zijt de Beste Vergevensgezinde."

     156. "En verorden het goede voor ons in deze wereld en in het
     Hiernamaals; wij zijn tot U gekomen." Allah antwoordde: "Ik zal
     Mijn straf opleggen aan wie Ik wil, maar Mijn barmhartigheid omvat
     alle dingen. Zo zal Ik het verordenen voor degenen die Mij vrezen
     en de Zakaat betalen en voor hen die in Onze tekenen geloven."

     157. "Hun, die de boodschapper, de reine profeet volgen, die zij in
     de Torah en het Evangelie beschreven vinden, legt hij het goede op
     en verbiedt het kwade, veroortooft hun de goede dingen en verbiedt
     de slechte en ontheft hen van de last en de kluisters die hen
     bonden. Zij, die in hem geloven en hem eren en ondersteunen en het
     licht dat met hem is nedergezonden volgen, zullen gewis slagen.

     158. Zeg: "O mensdom, ik ben u allen tot een boodschapper van
     Allah, aan Wie het koninkrijk der hemelen en der aarde behoort. Er
     is geen God naast Hem. Hij geeft het leven en doet sterven. Gelooft
     daarom in Allah en Zijn boodschapper, de reine Profeet, die in
     Allah en Zijn woorden gelooft en volgt hem opdat gij recht geleid
     moogt worden."

     159. Er is een deel van het volk van Mozes dat tot waarheid
     aanspoort en daarmede rechtvaardig handelt.

     160. En Wij verdeelden hen in twaalf stammen, als afzonderlijke
     volkeren. En Wij openbaarden aan Mozes, toen zijn volk om drinken
     vroeg: "Sla de rots met uw staf" en er ontsprongen twaalf bronnen
     aan: elke stam kende zijn drinkplaats. En Wij deden wolken hen
     overschaduwen en Wij zonden Manna en kwartels voor hen neder. "Eet
     van de goede dingen, waarmede Wij u hebben voorzien." En zij deden
     Ons geen onrecht aan, maar zij schaadden zichzelf.

     161. En toen er tot hen werd gezegd: "Woont in deze stad en eet
     ervan waar gij ook wilt en zegt: 'God, verlicht onze last', en gaat
     de poort in nederigheid binnen, Wij zullen u uw tekortkomingen
     vergeven. Wij zullen meer geven aan hen die goed doen."

     162. Maar de onrechtvaardigen onder hen vervingen het woord door
     een ander dat niet tot hen was gesproken. Daarom zonden Wij een
     kastijding van de hemel over hen neder omdat zij onrechtvaardig
     waren.

     163. En vraag hun omtrent de stad, die aan de zee lag. Toen zij de
     Sabbath ontheiligden verscheen vis op hun Sabbath aan de
     oppervlakte van het water, maar de dag waarop zij geen Sabbath
     hielden kwam zij niet tot hen. Zo beproefden Wij hen omdat zij
     overtreders waren.

     164. Toen een gedeelte hunner zeide: "Waarom predikt gij tot een
     volk dat Allah wil vernietigen of met een strenge kastijding gaat
     straffen?" Het andere deel antwoordde: "Als een verontschuldiging
     tegenover uw Heer en opdat zij rechtvaardig mogen worden."

     165. En toen zij de vermaning vergaten redden Wij degenen die het
     kwade verboden en grepen de onrechtvaardigen met een strenge straf
     aan, omdat zij verkeerd handelden.

     166. En toen zij overtraden, hetgeen hun was verboden, zeiden Wij
     tot hen: "Weest verachte apen."

     167. En toen verkondigde uw Heer dat Hij dezulken zou zenden, die
     hen (de Joden) met een marteling zouden kwellen tot de dag der
     Opstanding. Voorzeker, uw Heer is vlug in vergelding en Hij is
     Vergevensgezind, Genadevol.

     168. En Wij verdeelden hen in groepen over de aarde. Er zijn onder
     hen rechtvaardigen en er zijn onrechtvaardigen. Wij beproefden hen
     door voor- en tegenspoed, opdat zij zich mochten bekeren.

     169. Na hen kwam er een boos geslacht dat het Boek erfde. Zij namen
     de goederen van deze wereld en zeiden: "Het zal ons worden
     vergeven." Maar als meer dergelijke goederen tot hen kwamen zouden
     zij deze ook hebben genomen. Werd de belofte in het Boek, dat zij
     van Allah slechts de waarheid zouden spreken, niet van hen
     afgenomen? En hebben zij hetgeen er in staat, niet gelezen? En het
     tehuis van het Hiernamaals is beter voor degenen, die (God) vrezen.
     Begrijpt gij dat niet?

     170. En die zich aan het Boek vasthouden en in het gebed volhardend
     zijn - voorzeker Wij doen de beloning der goeden niet verloren
     gaan.

     171. Toen Wij de berg (Sinaï) boven hen deden schudden alsof hij
     een losse bedekking was, dachten zij, dat deze op hen zou vallen;
     Wij zeiden: "Houdt u aan hetgeen Wij u hebben gegeven vast en
     gedenkt wat er in staat, opdat gij moogt worden behouden."

     172. En toen uw Heer van Adams kinderen een nageslacht uit hun
     lendenen voortbracht, en hen deed getuigen over henzelf: "Ben ik uw
     Heer niet?" antwoordden zij: "Ja, wij getuigen" zodat gij op de Dag
     der Opstanding niet zoudt zeggen: "Wij waren ons hiervan zeker niet
     bewust."

     173. Of gij zolldt zeggen: "Het waren alleen onze vaderen die
     afgoderij bedreven en wij waren een geslacht na hen. Wilt Gij ons
     dan vernietigen om hetgeen de leugenaars deden?"

     174. En zo verklaren Wij de tekenen opdat zij zich mogen bekeren.

     175. En vertel hun het verhaal van de man die Wij Onze tekenen
     gaven, maar hij wendde zich af, daarom volgde Satan hem en hij werd
     verleid.

     176. En indien Wij wilden, konden Wij hem er door verheffen doch
     hij verkoos de aarde en volgde zijn begeerten, hij is als een hond:
     als gij hem achtervolgt laat deze zijn tong (uit de bek) hangen en
     indien gij hem met rust laat steekt hij ook zijn tong uit. Dit is
     het geval van de mensen, die Onze tekenen verloochenen. Vertel
     daarom deze gelijkenis opdat zij mogen nadenken.

     177. Slecht is de toestand van een volk dat Onze tekenen
     verloochent, het handelt onjuist tegen zichzelf.

     178. Wie Allah leidt is op het rechte pad. En wie Hij laat dwalen,
     zal tot de verliezers behoren.

     179. Voorwaar, Wij hebben menige djinn en mens geschapen wier einde
     de hel zal zijn. Zij hebben harten maar begrijpen er niet mede en
     zij hebben ogen maar zij zien er niet mede en zij hebben oren maar
     zij horen er niet mede. Zij zijn als vee, neen zij dwalen nog meer
     (dan dit), zij zijn de achtelozen.

     180. Aan Allah behoren alle goede eigenschappen. Roept Hem daarbij
     aan. En laat degenen, die ten opzichte van Zijn eigenschappen van
     de rechte weg afwijken, met rust. Hun zal worden vergolden naar
     hetgeen zij hebben bedreven.

     181. En er is onder hen die Wij hebben geschapen een volk, dat de
     mensen met waarheid leidt en rechtvaardig oordeelt.

     182. En degenen, die Onze tekenen verwerpen zullen Wij geleidelijk
     aangrijpen, op een wijze die zij niet verwachten.

     183. Ik geef hun uitstel. Mijn plan is voorzeker machtig.

     184. Hebben zij er niet over nagedacht dat er in hun metgezel
     (Mohammed) geen krankzinnigheid is? Hij is slechts een duidelijk
     waarschuwer.

     185. Hebben zij het koninkrijk der hemelen en der aarde en alle
     dingen die Allah geschapen heeft, niet bekeken? En dat hun termijn
     waarschijnlijk reeds naderbij is gekomen? In welk woord zullen zij
     dan daarna geloven?

     186. En wie Allah laat dwalen, voor hem kan er geen gids zijn. Hij
     laat dezulken in hun koppigheid blindelings zwerven.

     187. Vragen zij u omtrent het uur, wanneer het zal plaatsvinden?
     Zeg: "De kennis daarvan is slechts bij mijn Heer. Niemand dan Hij
     kan het op zijn tijd openbaren. Het rust zwaar op de hemel en op de
     aarde. Het zal slechts onverwacht tot u komen. Zij ondervragen u of
     gij er goed van op de hoogte zijt. Zeg: "De kennis er van is
     slechts bij Allah, maar de meeste mensen weten het niet."

     188. Zeg: "Ik heb buiten hetgeen Allah wil, geen macht over goed of
     kwaad voor mijzelf. En als ik het onzienlijke kende zou ik een
     overvloed van goed hebben bemachtigd en het kwade zou mij niet
     hebben gedeerd. Ik ben slechts een waarschuwer en een drager van
     goede tijding voor een volk dat gelooft."

     189. Hij is het, Die u uit een enkele ziel heeft geschapen en
     daaruit haar gade maakte, opdat deze troost in haar mocht vinden.
     En nadat hij haar bekend heeft, draagt zij een lichte last en gaat
     er mede rond. En wanneer deze zwaar wordt, bidden zij beiden tot
     Allah hun Heer: "Als Gij ons een goed kind geeft, zullen wij zeker
     tot de dankbaren behoren."

     190. Maar als Hij hun een welgeschapen kind geeft, schrijven zij
     deelgenoten aan Hem toe, betreffende hetgeen Hij hun beiden heeft
     gegeven. Maar Allah is verheven boven hetgeen zij met Hem
     vereenzelvigen.

     191. Vereenzelvigen zij met Allah degenen die niets scheppen
     terwijl deze zelf geschapen zijn?

     192. En zij kunnen anderen geen hulp verlenen noch kunnen zij
     zichzelf helpen.

     193. En als gij hen tot leiding roept zullen zij u niet volgen. Het
     is gelijk of gij hen roept of zwijgt.

     194. Voorwaar, degenen die gij naast Allah aanroept zijn dienaren,
     zoals gij. Roept hen dan aan en laat hen u verhoren als gij
     waarheid spreekt.

     195. Hebben zij voeten waarmede zij lopen of hebben zij handen
     waarmede zij vasthouden, of hebben zij ogen waarmede zij zien of
     hebben zij oren waarmede zij horen? Zeg: "Roept de deelgenoten aan.
     Smeedt plannen tegen mij (profeet) en geeft mij geen uitstel"

     196. Waarlijk, mijn Beschermer is alleen Allah Die het Boek (de
     Koran) heeft geopenbaard. En Hij is de Beschermer der goeden.

     197. En zij, die gij naast Hem aanroept hebben geen macht om u te
     helpen noch kunnen zij zichzelf helpen.

     198. En als gij hen tot leiding uitnodigt horen zij u niet. En gij
     ziet hen naar u kijken maar zij zien niet.

     199. Neig u tot vergiffenis en spoor tot vriendelijkheid aan en
     wend u van de onwetenden af.

     200. En als een boze ingeving van Satan u (tot het kwade)
     aanspoort, zoek dan uw toevlucht bij Allah; voorzeker, Hij is
     Alhorend, Alwetend.

     201. Degenen die (God) vrezen, wanneer hen een boze neiging van
     Satan overvalt, gedenken Allah en ziet, zij zijn ziende.

     202. En hun broederen trachten hen te doen toenemen in dwaling,
     doch zij falen niet.

     203. En wanneer gij hun geen teken brengt, zeggen zij: "Waarom
     verzint gij het niet? " Antwoord: "Ik volg alleen hetgeen mij van
     mijn Heer wordt geopenbaard." Dit zijn de bewijzen van uw Heer en
     een leiding en een barmhartigheid voor een volk, dat gelooft.

     204. En wanneer de Koran wordt voorgedragen, luistert er naar en
     weest stil, opdat u barmhartigheid moge geschieden.

     205. En gedenk uw Heer, 's morgens en 's avonds in uw gedachte met
     nederigheid en vrees en zonder luidruchtigheid van spraak en behoor
     niet tot de onachtzamen.

     206. Waarlijk, degenen die dicht bij uw Heer zijn wenden zich niet
     met trots van Zijn aanbidding af doch zij verheerlijken Hem en
     werpen zich voor Hem neder.

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     8. De Oorlogsbuit (Al-An'faal)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard nà de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 75 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. Zij vragen u omtrent de oorlogsbuit. Antwoord: "De oorlogsbuit
     behoort aan Allah en de boodschapper. Vreest daarom Allah en regelt
     (uw geschillen) onderling inschikkelijk en gehoorzaamt Allah en
     Zijn boodschapper als gij gelovigen zijt."

     2. Ware gelovigen zijn slechts degenen wier hart vol vrees klopt,
     wanneer de naam van Allah wordt genoemd en wanneer Zijn tekenen hun
     worden voorgelezen, doet dit hen in geloof toenemen en op hun Heer
     vertrouwen.

     3. Die het gebed houden en van hetgeen, waarmede Wij hen hebben
     voorzien, mededelen,

     4. Dezen zijn de ware gelovigen. Voor hen zijn graden bij hun Heer,
     vergiffenis en een waardige voorziening.

     5. Toen uw Heer u in waarheid van uw huis deed weggaan, was een
     gedeelte van de gelovigen er afkerig van.

     6. Zij redetwistten met u over de waarheid nadat deze was bekend
     gemaakt alsof zij zienderogen tot de dood werden gedreven.

     7. En toen Allah u één der twee partijen beloofde dat zij de uwe
     zou zijn, wenstet gij, dat de partij zonder wapenen de uwe zou
     worden, maar Allah wilde door Zijn Woorden de waarheid bevestigen
     en de levenswortel der ongelovigen afsnijden.

     8. Opdat Hij de waarheid mocht bevestigen en de leugen teniet mocht
     doen, ofschoon de schuldigen er afkerig van zijn.

     9. Toen gij de hulp van uw Heer afsmeektet en Hij u antwoordde: "Ik
     zal u met duizend engelen helpen die elkander opvolgen."

     10. Allah gaf het slechts als verblijdend nieuws en opdat uw hart
     daardoor mocht worden gerustgesteld. Want hulp komt alleen van
     Allah; voorzeker, Allah is Almachtig, Alwijs.

     11. Toen Hij slaap over u deed komen als beveiliging van Hem en
     water van de wolken over u nederzond, opdat Hij u daardoor mocht
     reinigen en het vuil van Satan van u mocht verwijderen en opdat Hij
     uw hart mocht sterken en u mocht doen volhouden.

     12. Toen uw Heer aan de engelen openbaarde: "Ik ben met u;
     versterkt de gelovigen. Ik boezem ontzag in de harten der
     ongelovigen. Slaat daarom hun hoofd af en slaat alle toppen van hun
     vingers af."

     13. Dit is, omdat zij zich tegen Allah en Zijn boodschapper hebben
     verzet. En wie tegen Allah en Zijn boodschapper strijdt, (wete)
     Allah is voorzeker streng in vergelding.

     14. Dat is (uw straf), ondergaat haar daarom en weet dat er voor de
     ongelovigen de straf van het Vuur is.

     15. O, gij die gelooft, wanneer gij degenen die niet geloven, op u
     af ziet komen wendt hun dan niet uw rug toe.

     16. En wie op die dag zijn rug toekeert, tenzij hij voor het
     gevecht manoeuvreert of om plaats te nemen bij een andere groep,
     doet inderdaad de toorn van Allah over zich komen en de hel zal
     zijn tehuis zijn en dat is een slechte verblijfplaats.

     17. Gij dooddet hen niet, doch Allah was het, Die hen doodde. En
     gij wierpt niet toen gij wierpt, maar Allah was het die wierp,
     opdat Hij de gelovigen een grote gunst van Zich mocht bewijzen.
     Voorzeker, Allah is Alhorend, Alwetend.

     18. Dit (geschiedde) en voorzeker is Allah degene, Die het plan van
     de ongelovigen verijdelt.

     19. Als gij een oordeel zoekt, dan is het oordeel reeds tot u
     gekomen. En als gij ophoudt, zal het beter voor u zijn, maar als
     gij terugkeert, zullen Wij ook terugkeren. En uw partij zal u in
     het geheel niet baten hoe talrijk zij ook moge zijn en Allah is
     voorzeker met de gelovigen.

     20. O, gij die gelooft, gehoorzaamt Allah en Zijn boodschapper en
     wendt u niet van hem af, terwijl gij hoort.

     21. En weest niet zoals degenen, die zeggen: "Wij horen," maar zij
     horen niet.

     22. Voorzeker, erger dan de beesten zijn in de ogen van Allah de
     doven en de stommen die niet willen begrijpen.

     23. Als Allah enig goed in hen had ontdekt, zou Hij hen voorzeker
     hebben doen horen. En als Hij hen zou hebben laten horen hadden zij
     zich in afkerigheid afgewend.

     24. O, gij die gelooft, geeft gehoor aan Allah en de boodschapper
     wanneer Hij u roept, opdat Hij u leven moge geven en weet, dat
     Allah tussen een man en zijn hart komt en dat Hij het is tot Wie
     gij zult worden vergaderd.

     25. En behoedt u voor het onheil, dat niet alleen degenen, die
     onder u kwaad doen zal treffen. En weet, dat Allah streng is in het
     straffen.

     26. En gedenkt, toen gij weinigen waart en zwak werd geacht in het
     land en toen gij vreesdet, dat de mensen u weg zouden voeren, hoe
     Hij u beschermde en sterkte met Zijn hulp en u voorzag van goede
     dingen, opdat gij dankbaar mocht zijn.

     27. O, gij die gelooft, weest Allah en de boodschapper niet ontrouw
     en weest niet ontrouw aan het u toevertrouwde tegen beter weten in.

     28. En weet, dat uw bezittingen en uw kinderen slechts een
     beproeving zijn en dat voorzeker bij Allah een grote beloning is.

     29. O, gij die gelooft, als gij Allah vreest zal Hij u een
     onderscheiding verlenen en uw tekortkomingen voor u bedekken en u
     vergeven; Allah is Heer van grote Genade.

     30. Toen smeedden de ongelovigen tegan u plannen, opdat zij u
     gevangen mochten nemen of doden of verbannen. En zij maakten
     plannen en Allah maakte plannen en Allah is het best in staat
     plannen te verijdelen.

     31. En wanneer Onze verzen worden voorgelezen aan hen, zeggen zij:
     "Wij hebben het gehoord. Als wij willen kunnen wij gewis iets
     dergelijks uiten. Dit zijn niets dan fabelen der ouden."

     32. En toen zij zeiden: "O Allah, als dit inderdaad de waarheid van
     U is, doe dan stenen uit de hemel over ons regenen of geef ons een
     (andere) smartelijke straf."

     33. Maar Allah zal hen niet straffen zolang gij onder hen zijt noch
     zal Allah hen straffen indien zij om vergiffenis vragen.

     34. Waarom zal Allah hen niet straffen, wanneer zij de mensen
     beletten de heilige moskee binnen te gaan en er geen bewakers van
     zijn? De bewakers er van zijn alleen de godvruchtigen, maar de
     meesten hunner beseffen het niet.

     35. En hun gebed in het Huis (de Kaaba) is niet anders dan fluiten
     en klappen in de handen. "Ondergaat daarom de straf omdat gij
     placht te verwerpen."

     36. Voorzeker, de ongelovigen besteden hun rijkdommen om anderen
     van de weg van Allah af te leiden. Zij zullen doorgaan ze te
     verspillen maar daarna zullen zij spijt hebben en worden
     overwonnen. En zij die verwerpen zullen in de hel worden verzameld.

     37. Zodat Allah de bozen van de goeden moge scheiden en de bozen
     bij elkander moge drijven en hen allen tezamen moge ophopen en hen
     dan in de hel moge werpen. Dit zijn de verliezers.

     38. Zeg tot degenen die niet geloven, dat als zij ophouden (u te
     vervolgen), hetgeen voorby is hen zal worden vergeven en indien zij
     er weer in vervallen, voorwaar, dan is er akeeds het voorbeeld van
     vroegere volkeren.

     39. En bestrijdt hen totdat er geen vervolging is en de godsdienst
     geheel voor Allah wordt. Maar als zij ophouden dan ziet Allah
     voorzeker hetgeen zij doen.

     40. En als zij terugvallen weet dan, dat Allah uw Beschermer is,
     een uitstekende Beschermer en een uitstekende Helper.

     41. En weet, dat wat gij ook als buit neemt, er een vijfde van voor
     Allah, de boodschapper, de verwanten, de wezen, de armen en de
     reiziger is, - indien gij in Allah gelooft en in hetgeen Wij aan
     Onze dienaar op de dag der onderscheiding nederzonden, de dag
     waarop de twee legers elkander ontmoetten. En Allah heeft macht
     over alle dingen.

     42. Toen gij op de nabijzijnde kant waart en zij zich op de andere
     zijde bevonden en de karavaan beneden u was; en indien gij een
     onderlinge afspraak hadt gemaakt, zoudt gij ten opzichte van die
     afspraak zeker (van mening) hebben verschild. Maar (dit gebeurde)
     zodat Allah hetgeen gedaan moest worden tot stand zou brengen,
     zodat hij die zou omkomen door een duidelijk teken zou sterven en
     dat hij die zou leven door een even duidelijk teken zou blijven
     leven. En voorzeker, Allah is Alhorend, Alwetend.

     43. Gedenk de tijd toen Allah hen (de vijanden) in uw ogen als
     weinigen toonde; had Hij hen u als velen getoond, dan zoudt gij
     voorzeker hebben geweifeld en met elkander over de zaak getwist;
     maar Allah bewaarde u; voorzeker, Hij heeft volle kennis over
     hetgeen in het innerlijk is.

     44. En toen Hij hen in de tijd van uw ontmoeting als weinigen in uw
     ogen deed voorkomen en u als weinigen in hun ogen deed voorkomen,
     zodat Allah hetgeen gedaan moest worden tot stand mocht brengen. En
     tot Allah worden alle dingen teruggebracht.

     45. O, gij die gelooft, blijft standvastig wanneer gij een leger
     (van ongelovigen) ontmoet en gedenkt Allah vaak, opdat gij moogt
     slagen.

     46. En gehoorzaamt Allah en Zijn boodschapper en redetwist niet met
     elkander, anders zult gij laf worden en uw kracht zal vergaan. En
     weest geduldig, voorzeker Allah is met de geduldigen.

     47. En weest niet zoals degenen die pochend uit hun huizen kwamen
     om door de mensen te worden gezien en om anderen van het pad van
     Allah af te leiden; en Allah omvat al hetgeen zij doen.

     48. Toen deed Satan hun hun daden schoon schijnen en zeide:
     "Niemand onder de mensen zal deze dag de overhand over u hebben
     want ik ben uw metgezel." Maar toen de twee legers elkander in het
     zicht kwamen, wendde hij zich af en zeide: "Voorzeker, ik heb niets
     met u uitstaande, waarlijk, ik zie wat gij niet ziet, ik vrees
     Allah en Allah is streng in het straffen."

     49. Toen de huichelaars en degenen in wier hart een ziekte is,
     zeiden: "Hun (Moslims) geloof heeft dezen bedrogen." Maar wie zijn
     vertrouwen in Allah legt: voorzeker Allah is Almachtig, Alwijs.

     50. O, hadt gij het slechts kunnen zien, wanneer de engelen de ziel
     der ongelovigen wegnemen, hun gezicht en hun rug treffende:
     "Ondergaat de straf van het branden.

     51. Dit komt door hetgeen uw handen hebben gewrocht; Allah is in
     het geheel niet onrechtvaardig voor Zijn dienaren."

     52. Zoals het volk van Pharao en degenen die vóór hen waren; zij
     verwierpen de tekenen van Allah, daarom strafte Allah hen voor hun
     zonden. Voorzeker, Allah is Machtig, Streng in het straffen.

     53. Dit is omdat Allah nooit een gunst die Hij een volk heeft
     bewezen zal veranderen totdat zij, wat in hun hart is, veranderen.
     En voorzeker Allah is Alhorend, Alwetend.

     54. Zoals het volk van Pharao en degenen, die vóór hen waren; zij
     verloochenden de tekenen van hun Heer daarom vernietigden Wij hen
     voor hun zonden. En Wij verdronken het volk van Pharao want zij
     waren allen onrechtvaardig.

     55. Voorzeker, in de ogen van Allah zijn zij, die (de waarheid)
     verwerpen erger dan beesten want zij willen niet geloven:

     56. Degenen met wie gij een verbond sluit, daarna schenden zij dit
     verbond telkens weer en zij vrezen niet.

     57. Als gij hen in de oorlog ontmoet, jaagt dan degenen die achter
     hen zign vrees aan wegens hen, opdat zij er lering uit mogen
     trekken.

     58. En als gij ontrouw van een volk vreest verstoot hen dan op
     gelijke wijze. Voorzeker, Allah heeft de ongelovigen niet lief.

     59. En laat de ongelovigen niet denken dat zij een voorsprong
     hebben. Voorzeker, zij kunnen Ons niet ontkomen.

     60. En maakt aan de grens alle mogelijke strijdkrachten en
     vastgehouden paarden voor hen gereed, waarmede gij de vijand van
     Allah en uw vijand en anderen buiten hen, die gij niet kent, doch
     die Allah kent, moogt afschrikken. En wat gij ook voor de zaak van
     Allah besteedt, het zal u ten volle worden terugbetaald en u zal
     geen onrecht worden aangedaan.

     61. En als zij tot vrede neigen, neigt u er dan ook toe en legt uw
     vertrouwen in Allah. Voorzeker Hij is Alhorend, Alwetend.

     62. En als zij u willen bedriegen is Allah voorzeker (als Helper)
     toereikend voor u. Hij is het, Die u heeft versterkt met Zijn hulp
     en met die der gelovigen,

     63. en Hij heeft hun harten verenigd. Indien gij al hetgeen op
     aarde is had besteed, kondet gij hun harten niet hebben verzoend,
     maar Allah heeft hen verenigd. Voorzeker, Hij is Almachtig, Alwijs.

     64. O profeet, Allah is toereikend voor u en voor diegenen der
     gelovigen die u volgen.

     65. O profeet, spoor de gelovigen aan om te vechten. Als er twintig
     onder u zijn die stand houden, zullen zij tweehonderd overwinnen en
     als er honderd uwer zijn zullen zij duizend der ongelovigen
     verslaan, omdat zij een volk zijn dat niet wil begrijpen.

     66. Maar nu heeft Allah uw last verlicht, want Hij weet dat er
     zwakheid in u is. Als er daarom honderd uwer zijn die standvastig
     zijn, zullen zij tweehonderd overweldigen en als er duizend uwer
     zijn zullen zij door het gebod van Allah twee duizend overwinnen.
     En Allah is met degenen die standvastig zijn.

     67. Een profeet kan geen gevangenen maken voordat hij tot geregeld
     vechten in het land komt. Gij wenst de goederen van deze wereld
     terwijl Allah het Hiernamaals voor u wenst. En Allah is Almachtig,
     Alwijs.

     68. En indien er geen gebod van Allah was geweest zou u voorzeker
     een grote rampspoed zijn overkomen voor hetgeen gij naamt.

     69. Eet van de buit die gij ontvangt als wettig en goed en vreest
     Allah. Voorzeker, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.

     70. O profeet, zeg tot de gevangenen die in uw handen zijn: "Als
     Allah enig goed in uw hart vindt, zal Hij u beter geven dan hetgeen
     van u is weggenomen en zal Hij u vergeven". Allah is
     Vergevensgezind, Genadevol.

     71. Maar als zij voornemens zijn u ontrouw te worden, zijn zij
     reeds voorheen Allah ontrouw geweest, daarom gaf Hij u macht over
     hen. Allah is Alwetend, Alwijs.

     72. Voorzeker, degenen die hebben geloofd en hun huizen verlieten
     en met hun bezittingen en hun persoon voor de zaak van Allah hebben
     gestreden en degenen die schuilplaats verstrekten en hielpen, zijn
     vrienden van elkander. Maar degenen die geloven en die hun huizen
     niet verlieten, gij zijt in het geheel niet verantwoordelijk voor
     hun bescherming tenzij zij hun huizen verlaten. Maar als zij hulp
     inzake het geloof zoeken dan is het uw plicht hen te helpen behalve
     tegen een volk, met hetwelk gij een verbond hebt. Allah ziet, wat
     gij doet.

     73. De ongelovigen zijn vrienden van elkander. Als gij niet
     ingrijpt zal er onheil en grote wanorde in het land komen.

     74. En degenen die geloven en hun huizen verlaten en die streden
     voor de zaak van Allah en degenen die hun schuilplaats verstrekken
     en hen helpen zijn de ware gelovigen. Er is voor hen vergiffenis en
     een waardige voorziening.

     75. En degenen die naderhand zullen geloven en hun huizen verlaten
     en tezamen met u strijden, zullen tot u behoren; en bloedverwanten
     staan nader tot elkander in het Boek van Allah. Voorzeker, Allah is
     de Oerkenner van alle dingen.


     -------------------------------------------------------------------
     -----

     9. Berouw (At-Taubah)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard nà de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 129 strofen.

     1. Dit is de verklaring van ontheffing door Allah en zijn
     boodschapper tegenover degenen der afgodendienaren met wie gij een
     verdrag hebt gesloten.

     2. Gaat daarom in het land rond voor vier maanden en weet, dat gij
     Allah niet kunt ontsnappen en dat Allah de ongelovigen zal
     vernederen.

     3. En dit is een verklaring van Allah en Zijn boodschapper aan de
     mensen op de dag van de grote bedevaart, dat Allah alsmede Zijn
     boodschapper niets uitstaande hebben met de afgodendienaren. Als
     gij daarom berouw toont zal het beter voor u zijn, maar indien gij
     u afwendt, weet dan, dat gij Allah niet kunt ontsnappen. En geeft
     tijding van een pijnlijke straf aan de ongelovigen.

     4. Met uitzondering van diegenen der afgodendienaren met wie gij
     een verbond hebt gesloten en die in niets hebben gefaald, noch
     iemand tegen u hebben geholpen. Vervult daarom aan dezen het
     verbond tot hun bepaalde termijn. Voorzeker, Allah heeft de
     godvruchtigen lief.

     5. Wanneer de heilige maanden voorbij zijn, doodt dan de
     afgodendienaren waar gij hen ook vindt en grijpt hen en belegert
     hen en loert op hen uit elke hinderlaag. Maar als zij berouw hebben
     en het gebed houden en de Zakaat betalen, laat hun weg dan vrij.
     Voorzeker, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.

     6. En als één der afgodendienaren u om bescherming vraagt, schenk
     hem dan bescherming dat hij het woord van Allah moge horen; voer
     hem dan naar de plaats, waar hij veilig is. Dit is omdat zij een
     volk zijn dat niet weet.

     7. Hoe kan er een verbond bestaan voor de afgodendienaren met Allah
     en Zijn boodschapper, met uitzondering van hen, met wie gij in de
     heilige Moskee een verbond hebt gesloten? Zolang zij daarom getrouw
     jegens u zijn, weest getrouw jegens hen. Voorzeker, Allah heeft de
     godvruchtigen lief.

     8. Hoe kan het zijn dat wanneer zij de overhand over u hebben, zij
     geen band van verwantschap en verbond tegenover u in acht zullen
     nemen? Zij behagen u met hun mond terwijl hun hart dit weigert en
     de meesten hunner overtreden.

     9. Zij verkopen de tekenen van Allah voor een geringe prijs en
     keren (mensen) van Zijn weg af. Slecht is inderdaad hetgeen zij
     doen.

     10. Zij nemen geen band van verwantschap of verbond betreffende een
     gelovige in acht, en zij zijn overtreders.

     11. Maar als zij berouw tonen en het gebed houden en de Zakaat
     betalen worden zij uw broeders in het geloof. Wij leggen de tekenen
     uit aan een volk dat wil begrijpen.

     12. Maar indien zij na hun verbond hun eden breken en uw godsdienst
     smaden, bestrijdt dan de leiders van het ongeloof - waarlijk, hun
     eden zijn niets - opdat zij mogen ophouden.

     13. Wilt gij een volk niet bestrijden dat zijn eden heeft gebroken
     en plannen smeedde om de boodschapper te verdrijven en dat het
     eerste was om tegen u te beginnen? Vreest gij hen? Neen, Allah is
     het meest waardig, dat gij Hem zoudt vrezen als gij gelovigen zijt.

     14. Bestrijdt hen, Allah zal hen door uw handen straffen en
     vernederen en u tot een overwinning over hen helpen en het gemoed
     van een volk dat gelooft, verlichten.

     15. En Hij zal de nijd van hun hart wegnemen. Allah wendt Zich met
     barmhartigheid tot wie Hij wil. Allah is Alwetend, Alwijs.

     16. Denkt gij, dat gij met rust zoudt worden gelaten terwijl Allah
     diegenen uwer nog niet heeft onderscheiden die (voor Hem) strijden
     en niemand buiten Allah en Zijn boodschapper en de gelovigen tot
     boezemvriend nemen? -Allah is goed op de hoogte van hetgeen gij
     doet.

     17. De afgodendienaren kunnen de Moskeeën van Allah niet
     onderhouden, terwijl zij van ongeloof tegen zichzelf getuigen. Zij
     zijn het wier werken ijdel zullen zijn en zij zullen in het Vuur
     vertoeven.

     18. Alleen hij kan de Moskeeën onderhouden die in Allah en de
     laatste Dag gelooft en het gebed houdt en de Zakaat betaalt en
     niemand vreest behalve Allah. Dezen zijn het die tot de geleiden
     behoren.

     19. Acht gij het geven van dranken aan de bedevaartgangers en het
     bezoeken van de heilige Moskee gelijk aan de werken van hem die in
     Allah en de laatste Dag gelooft en voor de zaak van Allah strijdt?
     Zij zijn in de ogen van Allah niet gelijk. En Allah leidt het
     onrechtvaardige volk niet.

     20. Zij, die geloven en van hun woonplaatsen verhuizen en met hun
     bezit en met hun persoon voor de zaak van Allah strijden, hebben in
     de ogen van Allah de hoogste rang. Dezen zullen zegevieren.

     21. Hun Heer geeft hun blijde tijdingen van Zijn barmhartigheid en
     van welbehagen en van tuinen waarin een blijvende zaligheid voor
     hen zal zijn.

     22. Zij zullen daarin voor eeuwig vertoeven. Voorwaar er is bij
     Allah een grote beloning.

     23. O gij, die gelooft, neemt uw vaders en uw broeders niet tot
     vrienden als zij ongeloof boven geloof verkiezen. En wie onder u
     met hen bevriend is behoort tot de overtreders.

     24. Zeg: "Indien uw vaders en uw zonen en uw broeders en uw vrouwen
     en uw verwanten en de rijkdommen die gij verkregen hebt en de
     handel waarvan gij slapte vreest en de woningen waarvan gij houdt,
     u liever zijn, dan Allah en Zijn boodschapper en het streven voor
     Zijn zaak, wacht dan, tot Allah met Zijn oordeel komt; Allah leidt
     het ongehoorzame volk niet.

     25. Voorzeker, Allah heeft u op menig slagveld geholpen en op de
     dag van Honain, toen uw grote aantal u verheugde, maar dit baatte u
     niets en de aarde werd ondanks haar uitgestrektheid voor u te eng;
     toen hebt gij u vluchtende afgewend.

     26. Daarna zond Allah Zijn vrede over de boodschapper en over de
     gelovigen neder en Hij zond scharen, die gij niet zaagt en Hij
     strafte de ongelovigen. En dit is de vergelding voor hen die niet
     geloven.

     27. Daarna zal Allah Zich met Barmhartigheid wenden tot wie Hij wil
     en Allah is Vergevensgezind, Genadevol.

     28. O, gij die gelooft, de afgodendienaren zijn voorzeker onrein.
     Zij zullen daarom na (verloop van) dit jaar de heilige Moskee niet
     naderen. En als gij armoede vreest, zal Allah u als Hij wil, uit
     Zijn overvloed verrijken. Voorzeker, Allah is Alwetend, Alwijs.

     29. Bestrijdt diegenen onder de mensen van het Boek, die in Allah
     noch in de laatste Dag geloven, noch voor onwettig houden wat Allah
     en Zijn boodschapper voor onwettig hebben verklaard, noch de ware
     godsdienst belijden totdat zij de belasting met eigen hand betalen,
     terwijl zij onderdanig zign.

     30. En de Joden zeggen: "Ezra is de zoon van Allah" en de
     Christenen zeggen: "De Messias is de zoon van Allah." Dit is,
     hetgeen zij met hun mond zeggen. Zij spreken de woorden na van
     degenen die vóór hen ongelovig waren; Allah's vloek zij over hen,
     hoe zijn zij afgekeerd!

     31. Zij hebben naast Allah hun geleerde mannen en hun monniken tot
     Heren genomen. En ook de Messias, de zoon van Maria, hoewel hun was
     bevolen slechts de ene God te aanbidden. Er is geen God naast Hem.
     Hij is verheven boven hetgeen zij met Hem vereenzelvigen.

     32. Zij wensen het licht van Allah door hun mond te doven, maar
     Allah belet dit. Hij zal Zijn licht vervolmaken, zelfs al mogen de
     ongelovigen er een afkeer van hebben.

     33. Hij is het, Die Zijn boodschapper met leiding en de ware
     godsdienst heeft gezonden om deze te doen zegevieren boven alle
     godsdiensten, ofschoon de afgodendienaren er afkerig van zijn.

     34. O, gij die gelooft, velen der priesters en monniken verteren de
     rijkdommen der mensen door valse middelen en leiden de mensen van
     de weg van Allah af. En degenen, die goud en zilver ophopen en het
     niet voor de zaak van Allah besteden, deel hun het nieuws van een
     pijnlijke straf mee.

     35. Op de Dag, waarop het (geld) in het Vuur der hel verhit zal
     worden en hun voorhoofd, hun zijden en hun rug er mede zullen
     worden gebrandmerkt, (wordt hun gezegd:) "Dit is hetgeen gij voor
     uzelf hebt vergaard, ondergaat daarom nu (de gevolgen van) hetgeen
     gij voor uzelf verzameld hebt."

     36. Het aantal der maanden is volgens Allah's verordening twaalf
     sinds de tijd waarop Hij de hemelen en de aarde schiep. Vier
     hiervan zijn heilig. Dit is het juiste geloof. Doet u zelf dus
     hierin geen onrecht aan. En bestrijdt de afgodendienaren allen
     tezamen, zoals zij u bestrijden en weet, dat Allah met de
     rechtvaardigen is.

     37. Voorzeker, het uitstellen (van een heilige maand) is een
     toevoeging aan het ongeloof. Degenen, die niet geloven worden
     daardoor op een dwaalspoor gebracht. Het ene jaar staan zij het toe
     en het andere jaar verbieden zij het, opdat zij betreffende het
     aantal dat Allah heilig heeft gemaakt mogen overeenkomen, waardoor
     zij hetgeen Allah heeft verboden wettig maken. Het boze hunner
     daden werd voor hen schoonschijnend gemaakt. Allah leidt het
     ongelovige volk niet.

     38. O, gij die gelooft, waarom buigt gij ter aarde wanneer er tot u
     wordt gezegd: "Gaat op de weg van Allah voort?" Zijt gij met het
     tegenwoordige leven tevreden boven het Hiernamaals? Maar het
     genoegen van het tegenwoordige leven is vergeleken bij het
     Hiernamaals slechts nietig.

     39. Als gij niet voortgaat te vechten zal Hij u met een pijnlijke
     straf straffen en zal Hij een ander volk in uw plaats stellen en
     gij zult Hem in het geheel niet deren. Allah heeft macht over alle
     dingen.

     40. Als gij hem (de profeet) niet helpt, voorzeker Allah hielp hem,
     toen de ongelovigen hem verdreven - toen hij één van de twee was -
     en zij beiden in de grot waren en hij tot zijn metgezel zeide:
     "Treur niet, want Allah is met ons." Toen zond Allah Zijn vrede op
     hem neder en versterkte hem met scharen die gij niet zaagt en
     vernederde het woord van de ongelovigen en Allah's woord is het
     allerhoogste. En Allah is Almachtig, Alwijs.

     41. Gaat voort licht of zwaar, streeft met uw bezit en uw persoon
     voor de zaak van Allah. Dit is beter voor u als gij het slechts
     weet.

     42. Als het een onmiddellijke winst en een korte reis was geweest,
     zouden zij u zeker zijn gevolgd, maar de vermoeiende reis scheen
     hun te lang. Toch willen zij bij Allah zweren: "Als wij er toe in
     staat waren geweest, zouden wij zeker met u zijn gegaan." Zij doen
     hun ziel te gronde gaan en Allah weet dat zij leugenaars zijn.

     43. Allah vergeve het u! Waarom stondt gij het hun toe, voordat
     degenen die de waarheid spraken u bekend waren geworden en totdat
     gij de leugenaars had herkend?

     44. Degenen, die in Allah en de laatste Dag geloven zullen u niet
     om toestemming vragen om te worden vrijgesteld van het strijden met
     hun bezit en hun persoon. Allah kent de rechtvaardigen goed.

     45. Alleen degenen, die niet in Allah en de laatste Dag geloven en
     wier hart vol twijfel is, zullen u vragen om te worden vrijgesteld
     daar zij aarzelen in hun twijfel.

     46. Indien zij hadden willen vertrekken, zouden zij er zeker enige
     voorbereiding voor hebben gemaakt, maar Allah was afkerig van hun
     vertrek. Hij hield hen daarom terug en er werd gezegd: "Zit met de
     zittenden."

     47. En als zij met u waren gegaan, zouden zij u niets dan last
     hebben bezorgd en zij zouden zich heen en weer hebben gehaast,
     tweedracht tussen u zaaiende. En er zijn er onder u die naar hen
     geluisterd zouden hebben. En Allah kent de onrechtvaardigen goed.

     48. Voorzeker, zij zochten voordien reeds tweedracht te scheppen en
     zij smeedden complotten tegen u, totdat de waarheid kwam en het
     voornemen van Allah de overhand kreeg, ofschoon zij er afkerig van
     waren.

     49. En onder hen is hij die zegt: "Geef mij verlof en stel mij niet
     op de proef." Voorzeker, zij zijn reeds op de proef gesteld. De hel
     zal de ongelovigen zeker omvatten.

     50. Indien u iets goeds overkomt, verdriet het hen, maar als u een
     rampspoed overkomt, zeggen zij: "Wij hadden inderdaad onze
     voorzorgen genomen." En zij wenden zich juichend af.

     51. Zeg: "Niets kan ons overkomen, behalve hetgeen Allah voor ons
     heeft verordend. Hij is onze Beschermer. En in Allah zullen de
     gelovigen hun vertrouwen leggen."

     52. Zeg: "Gij verwacht voor ons niets dan een der beide goede
     dingen (overwinning, martelaarschap), terwijl wij betreffende u
     verwachten, dat Allah u een straf zal opleggen van Hemzelf of door
     onze handen. Wacht daarom, wij wachten ook met u."

     53. Zeg: "Besteedt vrijwillig of onwillig, het zal van u niet
     worden aangenomen. Gij zijt inderdaad een ongehoorzaam volk."

     54. En niets verhindert, dat hun gaven worden aangenomen behalve
     dat zij in Allah en de boodschapper niet geloven. En zij komen
     slechts in luiheid tot het gebed en zij geven niet, dan onwillig.

     55. Laat daarom hun rijkdommen noch hun kinderen uw verwondering
     opwekken. Allah wenst hen er slechts mede te straffen en hun ziel
     zal heengaan, terwijl zij ongelovigen Zijn.

     56. En zij zweren bij Allah dat zij inderdaad tot de uwen behoren,
     terwijl zij (in feite) niet tot de uwen behoren, toch zijn zij een
     volk dat vreest.

     57. Als zij een schuilplaats of grotten of zelfs een gat konden
     vinden om er binnen te gaan, zouden zij er zich zeker met grote
     spoed heenwenden.

     58. Er zijn onder hen die u inzake aalmoezen belasteren. Als hun
     ervan wordt gegeven zijn zij tevreden, maar als hun er niet van
     wordt gegeven, ziet, worden zij boos.

     59. Waren zij slechts tevreden geweest met hetgeen Allah en Zijn
     boodschapper hun hadden gegeven en hadden zij gezegd: "Allah is ons
     toereikend: Allah zal ons van Zijn overvloed geven evenals Zijn
     boodschapper. Voorzeker, tot Allah zijn wij geneigd."

     60. De aalmoezen zijn alleen voor de armen en de behoeftigen en
     voor degenen die daarbij werkzaam zijn en voor degenen wier hart
     verzoend is en voor de slaven en voor degenen die schuld hebben en
     voor de zaak van Allah en voor de reiziger: dit is een gebod van
     Allah. En Allah is Alwetend, Alwijs.

     61. En er zijn onder hen, die de profeet lastig vallen en zeggen:
     "Hij luistert naar iedereen." Zeg: "Zijn luisteren is goed voor u,
     hij gelooft in Allah en hij gelooft de gelovigen en hij is een
     barmhartigheid voor de gelovigen onder u." En zij, die de
     boodschapper van Allah lastig vallen, zullen een pijnlijke straf
     ontvangen.

     62. Zij zweren bij Allah om u te behagen, maar Allah en Zijn
     boodschapper zijn waardiger, dat zij hen zouden behagen, als zij
     gelovigen zijn.

     63. Weten zij niet, dat hem die Allah en Zijn Boodschapper vijandig
     gezind is het Vuur der hel wacht, waarin hij zal vertoeven? Dat is
     de grote vernedering.

     64. De huichelaars vrezen, dat een Soerah tegen hen zou worden
     geopenbaard die hen zou onderrichten over hetgeen in hun hart is.
     Zeg (tot hen): "Spot maar, voorzeker, Allah zal al hetgeen gij
     vreest aan het licht brengen."

     65. En indien gij hen ondervraagt, zullen zij beslist zeggen: "Wij
     spraken slechts ijdellijk (onder elkander) en vermaakten ons." Zeg:
     "Was het over Allah en Zijn tekenen en Zijn boodschapper dat gij
     spotte?"

     66. "Biedt geen verontschuldiging aan. Gij hebt, na te hebben
     geloofd, verworpen. Als Wij een deel uwer vergeven, zullen Wij een
     ander deel uwer straffen, omdat zij schuldig waren."

     67. De huichelaars, mannen en vrouwen zijn allen met elkander
     verbonden. Zij sporen aan tot het kwade en verbieden het goede en
     houden hun handen gesloten (om geen aalmoezen te geven). Zij
     vergaten Allah, daarom heeft Hij hen vergeten. Voorzeker, de
     huichelaars zijn ongehoorzaam.

     68. Allah belooft de huichelaars, mannen en vrouwen en de
     ongelovigen het Vuur der hel, waarin zij zullen vertoeven. Het zal
     hun genoeg zijn. Allah heeft hen vervloekt, en zij zullen een
     blijvende straf ontvangen.

     69. Evenals die vóór u waren: zij hadden meer macht dan gij en
     waren rijker in bezittingen en kinderen. Dezen genoten hun deel;
     gij zult dus uw deel genieten, zoals zij die voor u waren hun deel
     genoten. En gij spreekt ijdellijk, evenals zij ijdellijk spraken.
     Dezen zijn het wier werken in deze wereld en in het Hiernamaals
     verloren zijn gegaan. En zij zijn de verliezers.

     70. Heeft hen het verhaal niet bereikt van degenen, die vóór hen
     waren? Het volk van Noach en Aad en Samoed en het volk van Abraham
     en de bewoners van Midian en van de steden die verwoest werden? Hun
     boodschappers kwamen met duidelijke tekenen tot hen. Allah was het
     niet die hun onrecht aandeed, maar zij deden zichzelf onrecht aan.

     71. En de gelovigen, mannen en vrouwen, zijn vrienden van elkander.
     Zij sporen aan tot het goede en verbieden het kwade en houden het
     gebed en betalen de Zakaat en gehoorzamen Allah en Zijn
     boodschapper. Dezen zijn het, wie Allah barmhartigheid zal betonen.
     Voorzeker, Allah is Almachtig, Alwijs.

     72. Allah heeft de gelovigen, mannen en vrouwen tuinen beloofd waar
     doorheen rivieren stromen, heerlijke woonplaatsen in tuinen der
     eeuwigheid. En het behagen van Allah is het grootste. Dit is de
     grootste zegepraal.

     73. O profeet, strijd tegen de ongelovigen en de huichelaars. En
     wees streng jegens hen. Hun tehuis is de hel en deze is een boze
     bestemming.

     74. Zij zweren bij Allah, dat zij niets zeiden, maar voorzeker zij
     spraken het woord des ongeloofs en na de Islam te hebben aanvaard,
     verwierpen zij deze en zij besloten tot hetgeen zij niet konden
     volbrengen. Zij koesterden haat alleen omdat Allah en Zijn
     boodschapper hen uit Zijn overvloed hadden verrijkt. Als zij berouw
     tonen zal het beter voor hen zijn, maar indien zij zich afwenden
     zal Allah hen met een pijnlijke straf in deze wereld en in het
     Hiernamaals straffen en zij zullen op aarde vriend noch helper
     hebben.

     75. En er zijn onder hen die met Allah een verbond sloten. Zij
     zeiden: "Als Hij ons van Zijn overvloed geeft zullen wij beslist
     aalmoezen geven en tot de deugdzamen behoren."

     76. Maar toen Hij hun van Zijn overvloed gaf werden zij er vrekkig
     mede en wendden zich om en waren afkerig.

     77. Hij vergold het hun door huichelachtigheid in hun hart op te
     wekken tot aan de Dag, waarop zij Hem zullen ontmoeten, omdat zij
     hun belofte aan Allah braken en leugens uitten.

     78. Weten zij niet dat Allah hun geheimen alsook hun heimelijk
     overleg kent en dat Allah de Oerkenner is van het onzienlijke?

     79. Zij, die de gelovigen belasteren welke vrijwillig aalmoezen
     geven en hen die niets vinden (te geven) dan naar hun vermogen,
     bespotten: Allah zal hun spotternij vergelden en er is voor hen een
     pijnlijke straf.

     80. Of gij vergiffenis voor hen vraagt of dat gij geen vergiffenis
     voor hen vraagt - zelfs al vraagt gij zeventig maal vergiffenis
     voor hen - Allah zal hen toch niet vergeven. Dit is omdat zij in
     Allah en Zijn boodschapper niet geloven. Allah leidt het trouweloze
     volk niet.

     81. Zij die achter de boodschapper van Allah bleven verheugden zich
     over hun thuiszitten en waren er afkerig van met hun eigendommen en
     hun persoon voor de zaak van Allah te strijden. En zij zeiden:
     "Trekt niet uit in de hitte." Zeg: "Het Vuur der hel is heter."
     Konden zij dit slechts begrijpen!

     82. Laten zij weinig lachen en veel wenen als vergelding voor
     hetgeen zij deden.

     83. En als Allah u tot een gedeelte hunner terugzendt en zij u om
     toestemming vragen om uit te trekken (tot het gevecht), zeg dan:
     "Gij zult met mij niet uittrekken en gij zult nooit een vijand met
     mij bestrijden. Gij verkoost eerst thuis te blijven, zit daarom
     thans met degenen, die achterblijven.

     84. En bid voor geen enkele hunner die sterft, noch sta bij zijn
     graf, want zij verwierpen Allah en Zijn boodschapper en stierven,
     terwijl zij overtreders waren.

     85. Laat hun eigendommen en hun kinderen uw verwondering niet
     opwekken: Allah wenst hen daarmede in deze wereld te straffen; hun
     ziel zal hen verlaten, terwijl zij ongelovigen zijn.

     86. En wanneer een Soerah wordt geopenbaard: "Gelooft in Allah en
     strijdt tezamen met Zijn boodschapper," vragen de rijken onder hen
     u om toestemming en zeggen: "Laat ons achter, opdat vij bij de
     achterblijvers zijn."

     87. Zij stellen zich tevreden om met de achterblijvenden te zijn en
     hun hart is verzegeld, derhalve begrijpen zij niet.

     88. Maar de boodschapper en de gelovigen met hem, strijden met hun
     bezit en hun persoon en zij zijn het, die het goede zullen
     ontvangen en zij zullen slagen.

     89. Allah heeft tuinen voor hen bereid waar doorheen rivieren
     stromen; zij zullen daarin vertoeven. Dat is de opperste zegepraal.

     90. Van de woestijn-Arabieren kwamen er, uitvluchten zoekend opdat
     hun vrijstelling mocht worden verleend. En degenen, die logen
     jegens Allah en Zijn boodschapper, bleven thuis. En degenen hunner,
     die niet geloven, zal een pijnlijke straf treffen.

     91. Er rust op de zwakken en op de zieken en op degenen die niets
     vinden om weg te geven, geen schuld, indien zij oprecht zijn jegens
     Allah en Zijn boodschapper. Er rust geen blaam op degenen die goed
     doen; Allah is Vergevensgezind, Genadevol.

     92. Noch op degenen, die tot u kwamen en verzochten dat gij hun een
     rijdier zoudt verschaffen, en gij antwoorddet: "Ik kan niets vinden
     waarop ik u kan doen rijden." Zij gingen met hun ogen vol tranen
     terug uit spijt, dat zij niets konden vinden om hiertoe zelf bij te
     dragen.

     93. De aanleiding tot verwijt is alleen tegen degenen die u om
     verlof vragen, terwijl zij rijk zijn. Zij verkozen om met de
     achterblijvenden te zijn. En Allah heeft op hun hart een zegel
     gelegd, derhalve begrijpen zij niet.

     94. Zij zullen met uitvluchten tot u komen, wanneer gij tot hen
     wederkeert. Zeg: "Maakt geen verontschuldigingen, wij zullen u niet
     geloven. Allah heeft ons reeds omtrent uw gedrag ingelicht. En
     Allah en Zijn boodschapper zullen u uw gedrag weldra tonen, dan
     zult gij tot Hem die het onzienlijke en het zienlijke kent, worden
     teruggebracht en Hij zal u over al hetgeen gij deedt, inlichten.

     95. Zij zullen, wanneer gij tot hen weder keert, u bij Allah
     zweren, dat gij hen met rust moogt laten. Laat hen daarom alleen.
     Voorzeker, zij zijn onrein en hun huis is de hel, een vergelding
     voor wat zij deden.

     96. Zij zullen u zweren, opdat gij welwillend zult zijn. Maar zelfs
     al zoudt gij tevreden met hen zijn, zal Allah met het overtredende
     volk niet tevreden zijn.

     97. De woestijn-Arabieren zijn de hardnekkigsten in ongeloof en
     huichelarij en het meest geneigd de geboden, die Allah tot Zijn
     boodschapper heeft nedergezonden niet na te komen. Allah is
     Alwetend, Alwijs.

     98. Er zijn onder de woestijn-Arabieren, die hetgeen zij weggeven
     als boete beschouwen en wachten dat er rampspoed over u komt. Op
     hen zal echter de rampspoed rusten. En Allah is Alhorend, Alwetend.

     99. En er zijn onder de woestijn-Arabieren, die in Allah en de
     laatste Dag geloven en die hetgeen zij weggeven als middelen
     beschouwen tot Allah's nabijheid en tot de zegeningen van de
     profeet. Ziet toe! Het is stellig voor hen een middel tot Zijn
     nabijheid. Allah zal hen weldra tot Zijn barmhartigheid toelaten.
     Allah is Vergevensgezind, Genadevol.

     100. En de vooruitstrevenden en de eersten der Migranten en
     Hulpgevers en degenen, die hen in goedheid volgen, Allah heeft
     welbehagen in hen en zij hebben welbehagen in Hem; en Hij heeft
     voor hen tuinen bereid, waar doorheen rivieren stromen. Daarin
     zullen zij voor eeuwig vertoeven. Dat is de grote zegepraal.

     101. Van de u omringende woestijn-Arabieren zijn sommigen
     huichelaars evenals van het volk van Madina, dezen volharden in
     huichelarij. Gij kent hen niet; Wij kennen hen en Wij zullen hen
     hier dubbel straffen, daarna zullen zij aan een grote straf worden
     overgeleverd.

     102. En er zijn anderen, die hun fouten bekennen. Zij vermengden
     een goede met een slechte daad. Het kan zijn, dat Allah Zich met
     barmhartigheid tot hen zal wenden. Voorzeker, Allah is
     Vergevensgezind, Genadevol.

     103. Neem aalmoezen van hun rijkdommen aan opdat gij hen daardoor
     moogt reinigen en louteren. En bid voor hen; uw gebed is voor hen
     inderdaad een bron van geruststelling. En Allah is Alhorend,
     Alwetend.

     104. Weten zij niet, dat Allah berouw van Zijn dienaren aanneemt en
     aalmoezen aanvaardt en dat Allah Berouw-aanvaardend, Genadevol is?

     105. En zeg: "Werkt en Allah zal met Zijn boodschapper en de
     gelovigen uw werk zien. Weldra zult gij tot de Kenner van het
     onzienlijke en het zienlijke worden teruggebracht en dan zal Hij u
     inlichten over hetgeen gij hebt bedreven.

     106. En anderen wachten Allah's gebod af. Zal Hij hen bestraffen of
     Zich met barmhartigheid tot hen wenden? Allah is Alwetend, Alwijs.

     107. En degenen die een moskee hebben gebouwd om te schaden, om het
     ongeloof (te verbreiden) en om een splitsing onder de gelovigen te
     veroorzaken en als een hinderlaag voor hem, die voorheen tegen
     Allah en Zijn boodschapper oorlog voerde; zij zullen voorzeker
     zweren: "Wij bedoelden slechts het goede," maar Allah getuigt, dat
     zij leugenaars zijn.

     108. Sta er nooit in (voor het gebed). Een Moskee, die van het
     begin af op godsvrucht was gesticht is zeker waardiger dat gij er
     in zijt. Er zijn daarin mensen die gaarne gelouterd willen worden
     en Allah heeft degenen, die zich louteren lief.

     109. Is daarom hij, die zijn gebouw op godsvrucht en op Zijn
     behagen stichtte, beter of hij, die zijn gebouw op een
     afbrokkelende, door water aangetaste rand stichtte, dat met hem in
     het Vuur der hel zal storten? En Allah leidt het onrechtvaardige
     volk niet.

     110. Het gebouw dat zij hebben opgericht, zal een bron van onrust
     in hun hart blijven, tenzij hun hart in stukken wordt gescheurd.
     Allah is Alwetend, Alwijs.

     111. Voorzeker, Allah heeft van de gelovigen hun persoon en hun
     bezittingen gekocht in ruil voor het paradijs - zij vechten voor de
     zaak van Allah en zij doden en worden gedood - een onfeilbare
     belofte in de Torah en het Evangelie en de Koran. En wie is
     getrouwer aan zijn belofte, dan Allah? - Verheugt u dan in de
     verbintenis, die gij met Hem hebt gesloten en dat is de grote
     zegepraal.

     112. Die zich tot Allah bekeren, die aanbidden, die prijzen, die
     vasten, die zich nederbuigen, die zich ter aarde werpen, die tot
     het goede aansporen en het kwade verbieden, die de door Allah
     gestelde grenzen in acht nemen; breng aan de gelovigen blijde
     tijding.

     113. Het is de profeet en de gelovigen niet geoorloofd om
     vergiffenis te vragen voor de afgodendienaren, zelfs al waren dezen
     verwanten, nadat hun (de gelovigen) duidelijk is geworden, dat zij
     (afgodendienaren) het volk der hel zullen zijn.

     114. Het vragen om vergiffenis door Abraham voor zijn vader,
     geschiedde alleen wegens een belofte die hij hem had afgelegd, maar
     toen het hem duidelijk werd dat deze een vijand van Allah was, trok
     hij zich van hem terug. Voorzeker, Abraham was uiterst zachtmoedig,
     verdraagzaam.

     115. En Allah laat een volk niet dwalen nadat Hij het heeft geleid,
     voordat Hij hun heeft duidelijk gemaakt, waartegen zij zich behoren
     te behoeden. Voorzeker, Allah heeft kennis van alle dingen.

     116. Gewis, Allah is het, aan Wie het koninkrijk der hemelen en der
     aarde behoort. Hij schenkt het leven en veroorzaakt de dood. En gij
     hebt geen vriend of helper naast Allah.

     117. Allah heeft zich voorzeker met barmhartigheid tot de profeet
     gewend en tot de Migranten en de Hulpgevers, die deze (profeet) in
     het uur van nood volgden, nadat het hart van een gedeelte hunner
     bijna was bezweken. Toen vergaf Hij hen. Voorzeker, Hij is
     Liefderijk, Genadevol jegens hen.

     118. En (Hij heeft Zich met barmhartigheid) tot de drie die waren
     achtergelaten gewend, totdat de aarde met haar uitgestrektheid hun
     te eng werd en hun eigen leven voor hen te moeilijk en zij
     geloofden dat er tegen Allah geen schuilplaats is, behalve bij Hem.
     Toen wendde Hij Zich met barmhartigheid tot hen, opdat zij zich
     mochten bekeren. Voorzeker, Allah is Berouwaanvaardend, Genadevol.

     119. O gij die gelooft, vreest Allah en weest met de waarachtigen.

     120. Het betaamt het volk van Madinah en de hen omringende
     woestijn-Arabieren niet, dat zij achter de boodschapper van Allah
     zouden blijven, of dat zij hun eigen leven in plaats van het zijne
     zouden verkiezen. Dit is zo, omdat dorst, noch vermoeienis, noch
     honger hen in de weg van Allah teistert, noch betreden zij een
     spoor, dat de ongelovigen vertoornt, noch berokkenen zij een vijand
     enige schade, of er wordt daarmede voor hen een goede daad
     opgetekend. Voorzeker, Allah doet de beloning van degenen, die goed
     doen niet verloren gaan.

     121. En zij besteden geen som, groot of klein, noch doorkruisen zij
     een landstreek, of dit is voor hen opgetekend, opdat Allah hun de
     beste beloning moge geven voor hetgeen zij deden.

     122. Het is de gelovigen niet opgelegd, allen tezamen op te
     trekken. Waarom trekt dan niet van elke groep een deel hunner op,
     opdat zij in de godsdienst goed onderlegd mogen worden en opdat zij
     hun volk, wanneer zij tot hen terugkeren mogen waarschuwen, zodat
     zij gered mogen worden.

     123. O, gij die gelooft, bestrijdt de ongelovigen die in uw
     nabijheid zijn en laat hen hardheid in u vinden en weet, dat Allah
     met de godvruchtigen is.

     124. En wanneer er een Soerah wordt nedergezonden, zijn er sommigen
     hunner die zeggen: "Wie uwer heeft deze in geloof doen toenemen?"
     Maar de gelovigen doet dit in geloof toenemen en zij verheugen zich
     daarover.

     125. En voor degenen in wier hart een ziekte is, voegt het
     onreinheid bij onreinheid en zij sterven terwijl zij ongelovig
     zijn.

     126. Zien zij niet, dat zij elk jaar één- of tweemaal op de proef
     worden gesteld? Toch tonen zij geen berouw noch trekken zij er
     lering uit.

     127. En wanneer er een Soerah wordt nedergezonden kijken zij
     elkander aan zeggende: "Ziet iemand ons?" Dan wenden zij zich af.
     Allah heeft hun hart afgewend, omdat zij tot een volk behoren dat
     niet begrijpen wil.

     128. Voorzeker, een boodschapper is uit uw midden tot u gekomen;
     het is hard voor hem wat u pijn doet; hij is bezorgd voor uw
     welzijn, liefderijk en barmhartig voor de gelovigen.

     129. Maar indien zij zich afwenden zeg dan: "Allah is mij
     toereikend. Er is geen God naast Hem. In Hem leg ik mijn vertrouwen
     want Hij is de Heer van de grote heerschappij."


     -------------------------------------------------------------------
     -----

     10. Jonas (Joenos)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 109 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. Alif, Laam, Raa. Dit zijn de verzen van het Boek vol van
     Wijsheid.

     2. Is het vreemd voor de mensen, dat Wij een man uit hun midden
     openbaarden: "Waarschuw het mensdom en geef blijde tijding aan
     degenen die geloven, dat zij een ware rang bij hun Heer zullen
     hebben"? De ongelovigen zeggen: "Voorzeker, deze is een openlijke
     tovenaar."

     3. Voorwaar, Allah is uw Heer, Die de hemelen en de aarde in zes
     dagen schiep, en Hij zette Zich op de troon, alles regelend. Er is
     geen bemiddelaar, dan met Zijn goedkeuring. Dit is Allah, uw Heer,
     aanbidt Hem daarom. Wilt gij dan geen lering trekken?

     4. Tot Hem is uw aller terugkeer, dit is de ware belofte van uw
     Heer. Voorzeker, Hij begint de schepping, daarna zet Hij haar
     voort, opdat Hij degenen die geloven en goede werken doen met
     rechtvaardigheid moge belonen. En de ongelovigen zullen een drank
     van kokend water en een pijnlijke straf ontvangen, daar zij (de
     waarheid) verwierpen.

     5. Hij is het, Die de zon tot een stralend licht maakte en de maan
     tot een helder licht en er stadia voor verordende, zodat gij het
     getal der jaren en het berekenen (van de tijd) mocht kennen. Allah
     heeft dit niet dan in waarheid geschapen. Hij zet de tekenen uiteen
     voor een volk, dat wil weten.

     6. Voorwaar, in de wisseling van dag en nacht en in al hetgeen
     Allah in de hemelen en op aarde heeft geschapen zijn er tekenen
     voor een godvrezend volk.

     7. Voorzeker, die niet uitzien naar de ontmoeting met Ons en die
     met het leven dezer wereld tevreden zijn en er voldoening in vinden
     en degenen, die onoplettend op Onze tekenen zijn,

     8. Dezen zijn het, wier verblijfplaats het Vuur is, voor hetgeen
     zij verdienen.

     9. Maar degenen die geloven en goede werken doen, hun Heer zal hen
     wegens hun geloof leiden. Rivieren zullen voor hen stromen in de
     tuinen der zaligheid.

     10. Hun aanroep daarin zal zijn: "Heilig zijt Gij, O Allah!" en hun
     groet "Vrede". En het einde van hun aanroep zal zijn: "Alle lof
     komt Allah toe, de Heer der Werelden."

     11. En indien Allah het boze voor de mensen zou verhaasten, zoals
     Hij voor hen het goede verhaast, zou hun tijd reeds gekomen zijn.
     Maar Wij laten degenen die niet naar de ontmoeting met Ons uitzien,
     in opstand, blindelings dwalen.

     12. En wanneer de mens een moeilijkheid overkomt, bidt hij tot Ons,
     op zijn zijde liggende, of zittende, of staande, maar wanneer Wij
     zijn last van hem hebben verwijderd, gaat hij zijn gang, alsof hij
     Ons nooit vóór de verwijdering van zijn moeilijkheid had
     aangeroepen. Zo werd in de ogen der buitensporigen schoonschijnend
     gemaakt, wat zij deden.

     13. En Wij vernietigden de geslachten die vóór u bestonden toen zij
     kwaad verrichtten en er kwamen tot hen boodschappers met duidelijke
     tekenen, maar zij wilden niet geloven. Zo vergelden Wij het
     schuldige volk.

     14. En na hen hebben Wij u tot stedehouders op aarde gesteld, opdat
     Wij zien, hoe gij zoudt handelen.

     15. En wanneer hun Onze duidelijke tekenen worden voorgedragen,
     zeggen degenen, die niet naar de ontmoeting met Ons uitzien: "Breng
     een andere Koran dan deze, of verander hem." Zeg: "Het staat niet
     aan mij, hem te veranderen uit mijzelf. Ik volg slechts hetgeen mij
     is geopenbaard. Voorzeker, ik vrees, als ik mijn Heer niet
     gehoorzaam, de straf van de grote Dag."

     16. Zeg: "Als Allah het zo had gewild, zou ik u niet hebben
     voorgedragen (de Koran), noch zou Hij u deze bekend hebben gemaakt.
     Voorzeker, ik heb voordien een heel leven onder u doorgebracht.
     Wilt gij dan niet begrijpen?

     17. Wie is dan onrechtvaardiger, hij, die een leugen over Allah
     spreekt, of die Zijn tekenen verloochent? Voorzeker, de schuldigen
     zullen nooit slagen.

     18. En zij bidden buiten Allah om tot datgene wat hen schaden noch
     baten kan en zij zeggen: "Dezen zijn onze bemiddelaars bij Allah."
     Zeg: "Wilt gij Allah over iets, dat Hij in de hemelen of op aarde
     nog niet zou kennen, inlichten?" Heilig is Hij en hoog verheven
     boven al hetgeen zij met Hem vereenzelvigen.

     19. En het mensdom was slechts één gemeenschap, daarna verschilden
     zij en ware het Woord van uw Heer niet uitgegaan, voorzeker zou er
     over hun geschil beslist zijn.

     20. En zij zeggen: "Waarom is er geen teken van zijn Heer tot hem
     (de profeet) nedergezonden?" Zeg: "Het onzienlijke behoort alleen
     Allah toe. Wacht, ik ben met u onder de wachtenden."

     21. En wanneer Wij mensen barmhartigheid doen smaken nadat
     tegenspoed hen overviel, zie! zij beginnen tegen Onze tekenen
     plannen te smeden. Zeg: "Allah is vlugger in het maken van
     plannen." Voorzeker Onze boodschappers schrijven al hetgeen gij
     verzint op.

     22. Hij is het, Die u in staat stelt door het land en op zee te
     reizen, totdat, wanneer gij op de schepen zijt en zij met een mooie
     bries varen en (de opvarenden) er zich in verheugen, hen een
     geweldige wind achterhaalt en de golven van alle zijden over hen
     komen en zij overtuigd zijn dat zij verloren zijn; dan roepen zij
     Allah in oprechte aanbidding aan: "Als Gij ons hiervan redt, zullen
     wij zeker tot de dankbaren behoren."

     23. Maar wanneer Hij hen heeft gered, ziet, beginnen zij ten
     onrechte een opstand in het land te ontketenen. O, gij mensen,
     voorzeker uw opstand keert zich slechts tegen u zelf. Thans geniet
     gij het genoegen van het tegenwoordige leven. Daarna zal uw
     terugkeer tot Ons zijn en Wij zullen u inlichten over hetgeen gij
     deedt.

     24. De gelijkenis van het tegenwoordige leven is slechts als water,
     dat Wij uit de wolken nederzenden, daarna groeit hierdoor het gewas
     van de aarde weelderig, waarvan mensen en vee eten, totdat, wanneer
     de aarde haar sier ontvangt en er schoon uitziet en haar eigenaars
     denken, dat zij er macht over bezitten, Ons gebod bij dag of bij
     nacht tot haar komt, dan maken Wij haar tot een gemaaid veld, alsof
     er de vorige dag niets was geweest. Zo leggen Wij de tekenen uit
     aan een volk, dat nadenkt.

     25. En Allah roept naar het tehuis van Vrede en leidt wie Hij wil
     naar het rechte pad.

     26. Er zal voor degenen die goede daden verrichten het goede zijn
     en nog meer. Zwartheid noch schande zal hun gezicht bedekken. Dezen
     zullen de bewoners van het paradijs zijn, zij zullen daarin
     vertoeven.

     27. En degenen die boze daden verrichten, de vergelding van het
     kwaad zal het gelijke daaraan zijn en de schaamte zal hen bedekken.
     Zij zullen niemand hebben om hen tegen Allah te beschermen. (En het
     zal zijn) alsof hun gezicht met de duisternis van de nacht bedekt
     ware. Dezen zullen de bewoners van het Vuur zijn, zij zullen daarin
     vertoeven.

     28. En de Dag waarop Wij hen allen zullen verzamelen, zullen Wij
     tot de afgodendienaren zeggen: "Blijft ter plaatse, gij en uw
     deelgenoten." Daarna zullen Wij hen ver van elkander scheiden en
     hun deelgenoten zullen zeggen: "Voorzeker gij placht ons niet te
     aanbidden."

     29. "Allah is nu toereikend als Getuige tussen u en ons. Wij waren
     zeker van uw aanbidden onbewust."

     30. Daarna zal iedere ziel ondervinden wat zij heeft gedaan. En zij
     zullen tot Allah, hun ware Meester worden teruggebracht en al
     hetgeen zij plachten te verzinnen zal verloren gaan.

     31. Zeg: "Wie voorziet u van voedsel van de hemel en de aarde? Of
     wie is het, die macht heeft over de oren en de ogen? En wie brengt
     de levenden uit de doden en de doden uit de levenden voort? En wie
     bestuurt het al?" Zij zullen zeggen: "Allah." Zeg: "Wilt gij dan
     niet Zijn bescherming zoeken?"

     32. Zo is Allah, uw ware Heer. Wat is er buiten de waarheid anders,
     dan dwaling? Waarheen wordt gij dan afgewend?

     33. Zo is het woord van uw Heer bewaarheid tegen degenen, die
     overtraden omdat zij niet geloofden.

     34. Zeg: "Is er één uwer afgoden die de schepping voortbrengt en
     deze daarna voortzet?" Zeg: "Allah is het, Die de schepping
     voortbrengt, en deze voortzet. Hoe zijt gij dan afgewend?"

     35. Zeg: "Is er één uwer afgoden, die tot de waarheid leidt?" Zeg:
     "Allah is het, Die tot de waarheid leidt. Is daarom Hij, Die tot de
     waarheid leidt waardiger om te worden gevolgd, ofwel hij, die zelf
     de weg niet vindt, tenzij hij wordt geleid? Wat is er met u? Hoe
     oordeelt gij?"

     36. En de meesten hunner volgen niets dan vermoeden. Voorzeker
     vermoeden baat niet tegen de waarheid. Waarlijk, AIlah weet goed
     wat zij doen.

     37. En deze Koran kon door niemand buiten Allah worden
     voortgebracht. Integendeel, hij is de vervulling van datgene wat er
     vóór was en is een uiteenzetting van de Wet door de Heer der
     Werelden, daaraan is geen twijfel.

     38. Of zeggen zij: "Hij (de profeet) heeft het verzonnen"? Zeg:
     "Brengt dan een hieraan gelijke Soerah voort en roept buiten Allah
     wie gij kunt (om hulp aan), als gij waarachtig zijt."

     39. Neen, zij loochenen datgene waarvan zij de kennis niet konden
     omvatten, noch is de uiteindelijke betekenis er van tot hen
     gekomen. Zo deden ook degenen, die vóór hen waren. Maar ziet, wat
     het einde was van de overtreders.

     40. En er zijn sommigen onder hen die er in geloven en er zijn
     sommigen onder hen die er niet in geloven en uw Heer kent de
     onruststokers goed.

     41. En indien zij u van leugen besehuldigen, zeg dan: "Aan mij mijn
     werk en aan u uw werk. Gij hebt niets uitstaande met hetgeen ik doe
     noch heb ik iets uitstaande met hetgeen gij doet."

     42. En er zijn sommigen onder hen die naar u luisteren. Maar kunt
     gij de doven doen horen, zelfs al willen zij niet begrijpen?

     43. En er zijn sommigen onder hen die naar u kijken. Maar kunt gij
     de blinden leiden, zelfs al willen zij niet zien?

     44. Voorzeker, Allah doet de mensen in het geheel geen onrecht aan,
     maar de mensen doen hun eigen ziel onrecht aan.

     45. En de Dag, waarop Hij hen zal verzamelen, zal het hun
     toeschijnen, alsof zig slechts een uur van een dag (in de wereld)
     hadden vertoefd. Zij zullen elkander herkennen. Verliezers zijn
     zeker degenen die de ontmoeting met Allah loochenen en geen leiding
     willen volgen.

     46. En als Wij u sommige der dingen, waarmede Wij hen hebben
     bedreigd, tonen, of als Wij u doen sterven, dan is tot Ons hun
     terugkeer en Allah is Getuige van al hetgeen zij doen.

     47. Voor elk volk is er een boodschapper. Wanneer daarom hun
     boodschapper komt, wordt er met rechtvaardigheid onder hen
     geoordeeld en hun wordt geen onrecht aangedaan.

     48. En zij zeggen: "Wanneer zal deze belofte worden vervuld, als
     gij de waarheid spreekt?"

     49. Zeg: "Ik heb voor mij zelf geen macht over schade of voordeel,
     behalve, wat Allah wil. Er is voor elk volk een vastgestelde
     termijn; wanneer hun termijn is verlopen kunnen zij hem geen uur
     uitstellen, noch kunnen zij hem vervroegen.

     50. Zeg: "Vertelt mij, als Zijn straf bij dag of nacht over u komt,
     hoe zullen dan de schuldigen weg kunnen lopen?"

     51. "Zult gij dan, wanneer het u overvalt er in geloven?" Nu?
     Terwijl gij dit wilde verhaasten?"

     52. Dan zal er tot degenen die kwaad deden worden gezegd:
     "Ondergaat de blijvende straf. Er wordt u niets vergolden dan
     hetgeen gij verdiendet."

     53. En zij vragen u: "Is dit de waarheid?" Zeg: "Ja, bij mijn Heer,
     het is zeker waar en gij kunt het niet verijdelen."

     54. En indien elke ziel die onrechtvaardig handelt al hetgeen op
     aarde is, zou bezitten, zou zij er zich voorzeker mede trachten
     vrij te kopen. En wanneer zij de straf zien zullen zij hun spijt
     tonen. Er zal met rechtvaardigheid over hen worden gericht en hun
     zal geen onrecht worden aangedaan.

     55. Ziet toe! aan Allah behoort al hetgeen in de hemelen en op
     aarde is en weet, dat Allah's belofte waar is. Maar de meesten
     hunner beseffen het niet.

     56. Hij geeft leven en doet sterven en tot Hem zult gij worden
     teruggebracht.

     57. O mensdom! Er is van uw Heer een vermaning tot u gekomen en
     genezing voor wat in de harten is en een leiding en barmhartigheid
     jegens de gelovigen.

     58. Zeg: "Dit alles is door de genade van Allah en door Zijn
     barmhartigheid; laat hen er zich daarom in verheugen. Dat is beter,
     dan hetgeen zij vergaren."

     59. Zeg: "Hebt gij overwogen, dat Allah u een voorziening heeft
     nedergezonden en dat gij daarna een gedeelte er van onwettig en een
     gedeelte er van wettig verklaardet?" Vraag (hen): "Heeft Allah u
     dat toegestaan, of verzint gij leugens tegen Allah?"

     60. Wat denken degenen die leugens tegen Allah verzinnen van de Dag
     der Opstanding? Voorzeker, Allah is genadevol tegenover het
     mensdom, maar de meesten hunner zijn niet dankbaar.

     61. In welke toestand gij u bevindt, of gij de Koran voordraagt, of
     iets anders doet; Wij zijn uw getuigen, terwijl gij u er in
     verdiept. Er is voor uw Heer zelfs geen gewicht van een atoom op
     aarde of in de hemel verborgen. En er is niets dat kleiner of
     groter is, of het staat in het duidelijke Boek vermeld.

     62. Ziet! voorzeker, de vrienden van Allah zullen geen vrees
     hebben, noch zullen zij treuren.

     63. Zig die geloven en zich aan rechtvaardigheid houden,

     64. Er zijn voor hen blijde tijdingen in het tegenwoordige leven en
     het Hiernamaals. De woorden van Allah kennen geen verandering - dat
     is inderdaad de opperste zegepraal.

     65. En laat hun woorden u niet verdrieten. Voorzeker, alle macht
     behoort Allah. Hij is Alhorend, Alwetend.

     66. Ziet! voorzeker, van Allah is al hetgeen in de hemelen en op
     aarde bestaat. Wat volgen zij die buiten Allah afgoden aanroepen?
     Zij volgen slechts een vermoeden en doen niets dan gissen.

     67. Hij is het, Die de nacht voor u heeft gesteld, opdat gij er in
     moogt rusten en de dag vol van licht. Voorzeker, daarin zijn
     tekenen voor een volk, dat luistert.

     68. Zij zeggen: "Allah heeft een zoon tot Zich genomen. Heilig is
     Hij, Hij is Zichzelf genoeg. Aan Hem behoort wat in de hemelen en
     op aarde is. Gij hebt hier geen gezag over. Zegt gij over Allah wat
     gij niet weet?

     69. Zeg: "Degenen, die over Allah een leugen verzinnen, zullen niet
     slagen."

     70. Zij zullen in deze wereld tijdelijk genieten, daarna zal hun
     terugkeer tot Ons zijn, dan zullen Wij hen een strenge straf doen
     ondergaan, omdat zij niet geloofden.

     71. En verkondig hun het verhaal van Noach, toen hij tot zijn volk
     zeide: "O, mijn volk, als mijn houding en mijn vermaning door de
     tekenen van Allah u aanstoot geven - ik leg mijn vertrouwen in
     Allah - breng dan al uw plannen en uw afgoden bijeen; laat dan uw
     handelwijze duidelijk blijken, komt dan tegen mij op en geeft mij
     geen uitstel.

     72. Maar als gij u terugtrekt vraag ik van u geen beloning. Mijn
     beloning is bij Allah alleen en het is mij bevolen tot de Moslims
     te behoren.

     73. Maar zij verloochenden hem; daarom redden Wij hem en degenen
     die met hem in de ark waren. En dezen maakten Wij tot de
     stedehouders, terwijl Wij degenen die Onze tekenen verloochenden
     lieten verdrinken. Zie! hoe het einde was van degenen, die werden
     gewaarschuwd.

     74. Toen zonden Wij na hem andere boodschappers naar hun volk en
     deze kwamen tot hen met duidelijke bewijzen. Maar dezen wilden in
     datgene niet geloven wat zij voorheen hadden verloochend. Zo
     verzegelen Wij het hart der overtreders.

     75. Dan zonden Wij na hen Mozes en Aäron met Onze tekenen naar
     Pharao en zijn leiders, maar zij handelden aanmatigend. En zij
     waren een misdadig volk.

     76. En toen de waarheid van Ons tot hen kwam, zeiden zij: "Dit is
     gewis duidelijke tovenarij."

     77. Mozes zeide: "Zegt gij dit van de waarheid nadat zij tot u is
     gekomen? Is dit tovenarij? Maar tovenaars slagen nooit."

     78. Zij antwoordden: "Zijt gij tot ons gekomen, opdat wij ons mogen
     afwenden van hetgeen wij onze vaderen zagen volgen zodat er voor u
     beiden grootheid in het land zou zijn? Maar wij zullen in u niet
     geloven."

     79. En Pharao zeide: "Brengt mij elke bedreven tovenaar."

     80. En toen de tovenaars kwamen, zeide Mozes tot hen: "Werpt
     hetgeen gij wildet werpen."

     81. En toen zij wierpen zeide Mozes: "Wat gij hebt gebracht is
     slechts bedrog. Voorzeker, Allah zal het ijdel maken. Voorwaar,
     Allah laat het werk der kwaadstichters niet gedijen."

     82. En Allah bevestigt de waarheid door Zijn woorden, zelfs al zijn
     de sehuldigen afkerig.

     83. En niemand geloofde Mozes, dan enige jongelingen van onder zijn
     volk, uit vrees voor Pharao en zijn leiders, in geval hij hen zou
     vervolgen. En waarlijk. Pharao was een tiran in het land en
     behoorde tot de buitensporigen.

     84. En Mozes zeide: "O mijn volk, indien gij in Allah hebt geloofd
     stelt dan uw vertrouwen in Hem, als gij Moslims zijt."

     85. En zij antwoordden: "Wij leggen ons vertrouwen in Allah: Onze
     Heer, maak ons niet tot voorwerp van vervolging voor het
     onrechtvaardige volk.

     86. En red ons door Uw barmhartigheid van de ongelovigen."

     87. Wij openbaarden aan Mozes en zijn broeder: "Neemt gij beiden
     huizen voor uw volk in Egypte en bouwt uw huizen tegenover elkaar
     en houdt het gebed. En geeft de gelovigen blijde tijdingen."

     88. En Mozes zeide: "Onze Heer, Gij hebt Pharao en zijn leiders
     versieringen en rijkdommen in het tegenwoordige leven geschonken,
     zodat zij, Onze Heer, van Uw pad afleiden. Onze Heer, vernietig hun
     bezittingen en verhard hun hart, want zij zullen niet geloven
     voordat zij de pijnlijke straf zien."

     89. Allah zeide: "Uw gebed is aanvaard. Weest gij beiden daarom
     bestendig en volgt niet het pad der onwetenden."

     90. En Wij brachten de kinderen Israëls over de zee; Pharao en zijn
     scharen vervolgden hen op een onrechtvaardige en aanvallende wijze,
     totdat hij toen hij bijna verdronk, zeide: "Ik geloof dat er geen
     God is dan Hij, in Wie de kinderen Israëls geloven en ik behoor tot
     de Moslims."

     91. Nu? Terwijl gij voordien ongehoorzaam waart en tot de
     onruststokers behoordet?

     92. Heden zullen Wij uw lichaam redden, opdat gij een teken moogt
     zijn voor degenen die na u komen. En waarlijk, het merendeel der
     mensen is achteloos ten opzichte van Onze tekenen.

     93. En Wij wezen de kinderen Israëls een uitstekend tehuis aan en
     Wij voorzagen hen van goede dingen en zij verschilden niet van
     mening voordat de kennis tot hen kwam. Voorzeker, uw Heer zal op de
     Dag der Opstanding onder hen richten over hetgeen waarin zij
     verschilden.

     94. En als gij over hetgeen Wij tot u hebben nedergezonden
     twijfelt, vraagt dan degenen die het Boek vóór u hebben gelezen.
     Inderdaad, de waarheid is van uw Heer tot u gekomen; behoor daarom
     niet tot de twijfelaars.

     95. En behoor niet tot degenen, die de tekenen van Allah
     verloochenen, anders zult gij tot de verliezers behoren.

     96. Degenen tegen wie het woord van uw Heer van kracht is geworden,
     willen niet geloven.

     97. Zelfs al werd elk teken hun getoond, voordat zij de smartelijke
     straf hebben gezien.

     98. Waarom heeft, behalve het volk van Jonas geen stad geloofd,
     zodat hun geloof hen zou hebben kunnen helpen? Toen zij geloofden,
     verwijderden Wij de straf der schande in het tegenwoordige leven
     van hen en Wij lieten hen voor een wijle genieten.

     99. En indien uw Heer had gewild, zouden allen die op aarde zijn,
     zeker tezamen hebben geloofd. Wilt gij de mensen dan dwingen,
     gelovigen te worden?

     100. Doch geen ziel kan geloven zonder verlof van Allah. En Hij
     werpt onreinheid over degenen die hun verstand niet gebruiken.

     101. Zeg: "Overweeg, wat in de hemelen en op aarde gebeurt." Maar
     tekenen, noch waarschuwers baten een volk dat niet wil geloven.

     102. Verwachten zij iets anders dan het gelijke (oordeel) van de
     dagen dergenen, die vóór hen stierven? Zeg: "Wacht daarom, ik ben
     met u onder de wachtenden."

     103. Dan redden Wij Onze boodschappers en de gelovigen. Zo is het
     aan Ons, de gelovigen te redden.

     104. Zeg: "O gij mensen, als gij over mijn godsdienst in twijfel
     verkeert, (weet) dan dat ik niet aanbid degenen die gij naast Allah
     aanbidt, maar ik aanbid Allah Die u doet sterven en het is mij
     geboden tot de gelovigen te behoren.

     105. En wend uw aangezicht oprecht tot deze godsdienst en behoor
     niet tot de afgodendienaren.

     106. En roep naast Allah niet datgene aan, dat u bevoordelen noch
     schaden kan. En indien gij dat toch doet, dan zult gij zeker tot de
     onrechtvaardigen behoren.

     107. En als Allah u door het kwade treft, is er niemand die dit kan
     verwijderen dan Hij; en als Hij het goede voor u wenst, is er
     niemand die Zijn genade kan beletten. Hij kent haar toe aan diegene
     van Zijn dienaren, die Hem behaagt. En Hij is de Vergevensgezinde,
     de Genadevolle.

     108. Zeg: "O, gij mensen, nu is de waarheid van uw Heer tot u
     gekomen. Wie daarom die leiding volgt, volgt haar ten bate van zijn
     eigen ziel en wie dwaalt, dwaalt slechts tot haar nadeel. En ik ben
     geen bewaker over u."

     109. En volg hetgeen u is geopenbaard en wees standvastig, totdat
     Allah oordeelt. En Hij is de beste Rechter.


     -------------------------------------------------------------------
     -----

     11. Hoed

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 123 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. Alif Laam Raa. Dit is een Boek, waarvan de verzen onherroepelijk
     zijn gemaakt en bovendien zijn zij in bijzonderheden uitgelegd,
     door de Alwijze, de Alwetende.

     2. (Daarom) aanbidt slechts Allah. Voorzeker, ik (Mohammed) ben
     voor u een waarschuwer en drager van blijde tijdingen van Hem.

     3. En vraagt vergiffenis aan uw Heer en wendt u tot Hem, Hij zal u
     voor een vastgestelde periode van het goede voorzien. En Hij
     schenkt Zijn genade aan ieder die zich hiervoor verdienstelijk
     maakt. En als gij u afwendt dan vrees ik, voorzeker, voor u de
     straf van de grote Dag.

     4. Uw terugkeer is tot Allah en Hij heeft macht over alle dingen.

     5. Let op, zij verbergen hun vijandschap voor Hem in hun innerlijk.
     Ja, wanneer zij zich met hun kleding bedekken, weet Hij wat zij
     verbergen en wat zij tonen. Voorzeker, Hij weet goed wat in het
     innerlijk is.

     6. En er is geen schepsel dat op aarde kruipt, of zijn voorziening
     berust bij Allah, Hij kent zijn tehuis en zijn verblijfplaats.
     Alles staat in een duidelijk Boek.

     7. En Hij is het, Die de hemelen en de aarde in zes dagen schiep en
     Zijn troon rustte op water, opdat Hij u moge beproeven wiens gedrag
     het beste is. En indien gij (Profeet) zegt: "Voorzeker, gij zult na
     de dood worden opgewekt," zullen de ongelovigen zeggen: "Dit is
     niets dan een zuiver bedrog."

     8. En als Wij hun straf tot een bepaalde tijd uitstellen, zeggen
     zij: "Wie weerhoudt haar?" Ziet toe! de dag waarop zij over hen
     komt zal niemand haar kunnen afwenden, en hetgeen zij plachten te
     bespotten zal op hen nederkomen.

     9. Wanneer Wij de mens Onze barmhartigheid doen smaken en deze
     daarna van hem wegnemen, wordt hij voorwaar wanhopig en ondankbaar.

     10. En als Wij, nadat tegenspoed hem heeft geraakt, voorspoed doen
     smaken, zal hij voorzeker zeggen: "De rampspoed is van mij
     geweken." Ziet! hij wordt jubelend en aanmatigend.

     11. Maar degenen die geduldig zijn en goede werken verrichten,
     zullen vergiffenis en een grote beloning ontvangen.

     12. (Zij verbeelden zich dat) gij misschien een gedeelte van
     hetgeen is geopenbaard, zult opgeven; uw hart wordt er door
     benauwd, omdat zij zeggen: "Waarom is er tot hem geen schat
     nedergezonden of waarom is er geen engel met hem gekomen?"
     Voorwaar, gij zijt slechts een waarschuwer en Allah is Voogd over
     alle dingen.

     13. Zeggen zij: "Hij heeft dit (de Koran) verzonnen?" Antwoord:
     "Breng dan tien dergelijke verzonnen hoofdstukken voort en roept
     buiten Allah wie gij kunt, als gij waarachtig zijt."

     14. En indien zij uw (uitdaging) niet aannemen, weet dan, dat het
     met Allah's kennis is geopenbaard en dat er geen God is behalve
     Hij. Zult gij u dan onderwerpen?

     15. Wie het tegenwoordige leven en de schoonheden er van wenst, Wij
     zullen hen volgens hun werken in dit leven ten volle belonen en zij
     zullen daarin niet tekort worden gedaan.

     16. Dezen zijn degenen, die in het Hiernamaals niets dan het Vuur
     zullen ontvangen en hetgeen zij in dit leven verrichtten zal teniet
     gaan en hetgeen zij doen is vergeefs.

     17. Is hij dan (aan hen gelijk), die een duidelijk bewijs van zijn
     Heer bezit en wie een groot getuige van Hem volgt, en die
     voorafgegaan is door het Boek van Mozes, als richtsnoer en tot
     barmhartigheid? Dezen geloven in hem. En wie van de volkeren hem
     verwerpt, het Vuur zal zijn bestemming zijn. Koester dus geen
     twijfel daaromtrent. Voorzeker dit is de waarheid van uw Heer, maar
     de meeste mensen willen niet geloven.

     18. En wie is onrechtvaardiger dan hij, die een leugen tegen Allah
     smeedt? Zulken zullen voor hun Heer worden gebracht en de getuigen
     zullen zeggen: "Dezen zijn degenen die tegen hun Heer logen." Ziet
     toe! de vloek van Allah rust op de onrechtvaardigen,

     19. Die van het pad van Allah afleiden, het krom wensend. En zij
     geloven niet in het Hiernamaals.

     20. Dezen kunnen in de wereld de straf niet ontvluchten, noch
     hebben zij enige vrienden naast Allah. De straf zal voor hen worden
     verdubbeld. Zij deden geen moeite om te horen, of te zien.

     21. Dezen zijn het, die hun ziel hebben te kort gedaan en hetgeen
     zij verzinnen, zal falen.

     22. Zij zijn ongetwijfeld degenen, die in het Hiernamaals de
     grootste verliezers zullen zijn.

     23. Voorwaar, die geloven en goede werken verrichten en die hun
     Heer gehoorzamen, zijn de bewoners van de Hemel, waarin zij zullen
     vertoeven.

     24. Het geval van de beide partijen is als de blinde en de dove, de
     ziende en de horende. Staat het geval van beiden gelijk? Wilt gij
     dan geen lering (hieruit) trekken?

     25. Wij zonden Noach tot zijn volk zeggende: "Waarlijk, ik ben voor
     u een duidelijke waarschuwer,

     26. Dat gij niemand dan Allah zult aanbidden. Anders vrees ik voor
     u de straf van een pijnlijke dag."

     27. De leiders der ongelovigen onder zijn volk antwoordden: "Wij
     zien in u slechts een man zoals wij en wij zien dat niemand u heeft
     gevolgd, behalve de minsten en de eenvoudigen van geest onder ons.
     En wij zien u niet uitmunten boven ons; neen, wij geloven dat gij
     een leugenaar zijt."

     28. Hij (Noach) zeide: "O, mijn volk, zeg mij, als ik mij op een
     duidelijk bewijs van mijn Heer beroep en Hij mij grote
     barmhartigheid heeft geschonken, die voor u duister is gemaakt,
     moeten wij u dit opdringen, terwijl gij er afkerig van zijt?"

     29. "O, mijn volk, ik vraag u er geen geld voor. Mijn beloning is
     alleen bij Allah. En ik wil de gelovigen niet verdrijven, zij
     zullen voorzeker hun Heer ontmoeten. Maar ik beschouw u als een
     volk, dat onwetend handelt."

     30. "O, mijn volk, wie zou mij tegen Allah helpen als ik hen zou
     verdrijven? Wilt gij dan geen lering hieruit trekken?"

     31. "En ik zeg u niet: 'Ik bezit de schatten van Allah', noch ken
     ik het onzienlijke, noch zeg ik: 'Ik ben een engel'." "Noch zeg ik
     over degenen, die gij minacht dat Allah hun geen goeds zal
     schenken. Allah weet het best, wat in hun innerlijk is. Anders zou
     ik zeker tot de onrechtvaardigen behoren."

     32. Zij antwoordden: "O Noach, gij hebt inderdaad met ons getwist
     en veel getwist, breng ons nu de straf waarmede gij ons hebt
     gedreigd, als gij waarachtig zijt."

     33. Hij zeide: "Alleen Allah zal deze over u brengen als Hij wil,
     en gij kunt niets verijdelen."

     34. "En als ik u raad geef zal mijn raad u niet baten als Allah u
     wenst te vernietigen. Hij is uw Heer en tot Hem zult gij worden
     teruggebracht."

     35. Zeggen zij: "Hij heeft het verzonnen?" Zeg: "Als ik het heb
     verzonnen, zal mijn zonde op mij rusten doch ik heb niets
     uitstaande met hetgeen gij begaat."

     36. En er werd aan Noach geopenbaard: "Niemand onder uw volk zal
     geloven, dan degenen die reeds hebben geloofd; treur daarom niet
     over hetgeen zij doen.

     37. En bouw de ark voor Onze ogen en volgens Onze voorschriften op.
     En roep Mij omtrent de onrechtvaardigen niet aan. Zij zullen zeker
     worden verdronken.''

     38. En hij was de ark aan het bouwen en steeds wanneer de leiders
     van zijn volk hem voorbijgingen, bespotten zij hem. Hij zeide: "Als
     gij ons bespot, zullen wij u (later) bespotten zoals gij (ons) nu
     doet,

     39. Dan zult gij weten wie het is, over wie een vernederende straf
     komt en op wie een blijvende straf zal rusten.

     40. Toen Ons gebod kwam en de bronnen der aarde spoten, zeiden Wij:
     "Scheept twee paar van alles in, en uw familie - met uitzondering
     van degenen, tegen wie het woord reeds is uitgegaan - en de
     gelovigen." En met hem geloofden slechts weinigen.

     41. En hij (Noach) zeide: "Scheept u in. In naam van Allah zij haar
     vaart en haar ankeren. Mijn Heer is voorzeker Vergevensgezind,
     Genadevol."

     42. En zij bewoog zich met hen op golven als bergen voort. En Noach
     riep tot zijn zoon, die zich afzijdig hield: "O mijn zoon, scheep u
     met ons in en wees niet met de ongelovigen."

     43. Hij antwoordde: "Ik zal mijn toevlucht weldra op een berg
     zoeken, die mij tegen het water zal beschermen." Hij antwoordde:
     "Er is deze dag geen beschermer tegen het gebod van Allah, met
     uitzondering van degenen wie Hij barmhartigheid toont." En een golf
     kwam tussen beiden, hij behoorde tot de drenkelingen.

     44. En er werd gezegd: " O, aarde, slok op uw water en o, hemel,
     houd op (met regenen)." En het water werd tot zakken gebracht en
     het gebod was vervuld. En de Ark kwam op (de berg) Al-Djoedie te
     rusten. En er werd gezegd: "Vervloekt zij het onrechtvaardige
     volk."

     45. En Noach riep zijn Heer aan en zeide: "Mijn Heer, mijn zoon is
     voorwaar van mijn familie en Uw belofte is voorzeker waar en Gij
     zijt de Rechter der rechters."

     46. Hij (God) zeide: "O, Noach, hij behoort niet tot uw gezin omdat
     zijn daden niet goed zijn; daarom vraag Mij niet over hetgeen
     waarvan gij geen kennis bezit. Ik geef u raad om niet tot de
     onwetenden te behoren."

     47. Hij zeide: "Mijn Heer, ik zoek mijn toevlucht tot U om niet te
     vragen waar ik geen kennis van heb. En indien Gij mij niet vergeeft
     noch mij barmhartigheid betoont, zal ik onder de verliezers zijn."

     48. En er werd gezegd: "O Noach, daal dan af (uit de ark) met Onze
     vrede en met zegeningen over u en over de volkeren die met u zijn.
     En er zullen andere volkeren zijn wie Wij een (aardse) voorziening
     zullen schenken, daarna zal een pijnlijke straf van Ons hen raken."

     49. Dit zijn de mededelingen van het onzienlijke die Wij u
     openbaren, welke gij noch uw volk voorheen kende. Wees geduldig,
     waarlijk het einde is voor de godvrezenden."

     50. En tot de Aad zeide hun broeder Hoed: "O, mijn volk, aanbid
     Allah. Gij hebt geen God naast Hem. Gij verzint slechts leugens."

     51. "O, mijn volk, ik vraag van u geen beloning hiervoor; mijn
     beloning is alleen bij Hem, Die mij schiep. Wilt gij dan niet
     begrijpen?"

     52. "En o, mijn volk, vraag vergiffenis van uw Heer, wend u daarna
     tot Hem, Hij zal wolken die regelmatig regen nedergieten over u
     zenden en kracht bij uw kracht voegen. En wend u niet af als
     schuldigen."

     53. Zij zeiden: "O Hoed, gij hebt ons geen enkel duidelijk bewijs
     gebracht en wij zullen onze Goden niet in de steek laten, om
     hetgeen gij zegt noch zullen wij u geloven."

     54. "Wij kunnen alleen zeggen dat sommige onzer Goden u met kwaad
     hebben bezocht." Hij antwoordde: "Voorzeker, ik roep Allah tot
     getuige en getuigt gij ook, dat ik niets met uw afgoden uitstaande
     heb."

     55. "Smeedt daarom allen buiten Hem plannen tegen mij en geeft mij
     geen uitstel."

     56. "Ik heb voorzeker mijn vertrouwen in Allah gesteld, Die mijn
     Heer en uw Heer is. Er is geen schepsel, dat zich op aarde beweegt,
     of Hij houdt het in Zijn macht. Voorzeker, mijn Heer is op het
     rechte pad."

     57. "Indien gij u afwendt, dan heb ik u hetgeen waarmede ik tot u
     ben gezonden medegedeeld, en mijn Heer zal een ander volk uw plaats
     doen innemen. Gij kunt Hem in het geheel niet deren. Voorzeker,
     mijn Heer is Bewaker over alle dingen."

     58. En toen Ons gebod kwam, redden Wij Hoed en de gelovigen met
     hem, door Onze barmhartigheid. En Wij bevrijdden hen van een zware
     foltering.

     59. En dezen waren de Aad. Zij verloochenden de tekenen van hun
     Heer en gehoorzaamden Zijn boodschappers niet en volgden het bevel
     van elke opstandige vijand op.

     60. En er werd een vloek op hen gelegd in deze wereld en op de dag
     der Opstanding. Ziet! de Aad verwierpen hun Heer. Ziet! vervloekt
     zij de Aad, het volk van Hoed.

     61. En tot de Samoed zeide hun broeder Salih: "O, mijn volk, aanbid
     Allah; gij hebt geen God naast Hem. Hij wekte u op vanuit de aarde
     en vestigde u er. Vraagt vergiffenis aan Hem en bekeert u tot Hem.
     Voorwaar, mijn Heer is nabij, Verhorende."

     62. Zij zeiden: "O Salih, gij waart onze hoop. Verbiedt gij ons
     datgene te aanbidden wat onze vaderen aanbaden? En wij zijn
     voorzeker in verontrustende twijfel over hetgeen, waartoe gij ons
     roept."

     63. Hij zeide: "O, mijn volk, zeg mij, als ik een duidelijk bewijs
     van mijn Heer heb ontvangen en Hij mij barmhartigheid heeft
     geschonken, wie zal mij dan naast Allah helpen als ik Hem niet
     gehoorzaam? Gij zult slechts tot mijn ondergang bijdragen."

     64. "En o, mijn volk, dit is de kamelin van Allah als teken voor u;
     laat haar daarom met rust opdat zij zich (in vrijheid) op Allah's
     aarde moge voeden en doe haar geen kwaad, anders zal de eerste de
     beste straf u treffen."

     65. Maar zij verlamden haar; toen zeide hij (Salih): "Vermaakt u
     voor drie dagen in uw huizen. Dit is een belofte die niet
     geloochend kan worden."

     66. En toen Ons gebod kwam, redden Wij Salih en met hem de
     gelovigen door Onze barmhartigheid en Wij redden hen van de schande
     van die dag. Voorzeker, uw Heer is Sterk, Almachtig.

     67. De straf achterhaalde degenen die kwaad hadden gesticht en zij
     lagen uitgestrekt in hun huizen,

     68. Alsof zij er nooit in hadden gewoond. Ziet! de Samoed
     verwierpen hun Heer; ziet! vervloekt zij de Samoed.

     69. En voorzeker Onze boodschappers kwamen met blijde tijdingen tot
     Abraham. Zij zeiden: "Vrede zij met u." Hij antwoordde: "Vrede zij
     met u" en terstond bracht hij een gebraden kalf.

     70. Maar toen hij zag dat hun handen er zich niet naar uitstrekten,
     vond bij hen vreemd en vreesde hen. Zij zeiden: "Vrees niet, want
     wij zijn tot het volk van Lot gezonden."

     71. En zijn vrouw stond er bij en verwonderde zich, waarop Wij haar
     de blijde tijding van de geboorte van Izaak gaven en na Izaak van
     Jacob.

     72. Zij zeide: "O wonder! Zal ik een kind baren nu ik een oude
     vrouw ben en deze mijn echtgenoot een oude man is? Dit is inderdaad
     iets wonderbaarlijks."

     73. Zij zeiden: "Verwondert gij u over Allah's gebod? De
     barmhartigheid van Allah en Zijn zegeningen zijn over u, o bewoners
     van dit huis. Voorzeker, Hij is Geprezen, Glorierijk."

     74. En toen de vrees Abraham verliet en de blijde tijding tot hem
     kwam, begon hij met ons over het volk van Lot te redetwisten.

     75. Abraham was inderdaad verdraagzaam, zachtmoedig en wendde zich
     dikwijls (tot God).

     76. "O Abraham, wend u hiervan af. Het gebod van uw Heer is
     uitgegaan en een onafwendbare straf komt over hen."

     77. En toen Onze boodschappers tot Lot kwamen was hij verdrietig en
     voelde zich bezwaard om hen en zeide: "Dit is een moeilijke dag."

     78. Zijn volk kwam haastig naar hem toe. Ook voordien plachten zij
     kwaad te doen. Hij (Lot) zeide: "O, mijn volk, dit zijn mijn
     dochters, zij zijn te rein voor u. Vrees daarom Allah en onteer mij
     niet wegens mijn gasten. Is er onder u geen weldenkend man?"

     79. Zij antwoordden: "Gij weet wel, dat wij geen recht hebben op uw
     dochters en gij weet ook, wat wij wensen."

     80. Hij zeide: "Ach, had ik slechts de macht u weerstand te kunnen
     bieden of tot een machtige steun toevlucht te nemen."

     81. Zij (de boodschappers) zeiden: "O Lot, Wij zijn de
     boodschappers van uw Heer, zij zullen u stellig niet bereiken.
     Vertrek met uw familie gedurende de nacht, laat niemand uwer
     omkijken dan uw vrouw. Zeker zal haar overkomen wat hun gaat
     overkomen. Voorwaar, de vastgestelde tijd is de ochtendstond. Is de
     morgen niet nabij?"

     82. Toen Ons gebod kwam, keerden Wij die stad ondersteboven en Wij
     deden er brokken klei laag boven laag op regenen;

     83. Die volgens de verordening van uw Heer waren gemerkt. En zulk
     een straf is niet ver verwijderd van de onrechtvaardigen.

     84. En tot Midian zeide hun broeder Shoaib: "O mijn volk, aanbid
     Allah. Gij hebt geen andere God, dan Hem. En geef geen korte maat
     of licht gewicht. Ik zie u in voorspoed en ik vrees voor u de straf
     van een alles omvattende dag."

     85. "En o, mijn volk, geef volle maat en juist gewicht met
     rechtvaardigheid en bedrieg de mensen niet met hun goederen noch
     sticht onheil op aarde."

     86. "Hetgeen Allah u heeft toebedeeld, is beter voor u als gij
     gelovigen zijt. En ik ben geen bewaker over u."

     87. Zij antwoordden: "O Shoaib, beveelt uw gebed, dat wij hetgeen
     onze vaderen aanbaden, zouden verlaten of dat wij zouden ophouden
     met ons eigendom te doen wat wij willen? Gij zijt inderdaad
     verstandig, recht geleid."

     88. Hij zeide: "O mijn volk, wat meent gij indien ik een duidelijk
     bewijs van mijn Heer heb en Hij mij een goede voorziening heeft
     geschonken? En ik wil niet, in tegenstelling tot u, mijzelf
     veroorloven, hetgeen ik u verbied. Ik wil alleen, voor zover ik
     kan, een verbetering aanbrengen. Alleen door Allah ben ik hiertoe
     in staat. In Hem vertrouw ik en tot Hem wend ik mij."

     89. "O, mijn volk, laat vijandigheid jegens mij u niet er toe
     leiden, dat hetzelfde u overkome als hetgeen het volk van Noach of
     het volk van Hoed of het volk van Salih overkwam; en het volk van
     Lot is niet ver van u."

     90. "En zoek vergiffenis van uw Heer en bekeer u tot Hem. Voorwaar,
     mijn Heer is Genadig, Liefdevol."

     91. Zij antwoordden: "O, Shoaib, wij begrijpen niet veel van
     hetgeen gij zegt en wij zien voorzeker, dat gij zwak zijt tegenover
     ons. Was het niet, om uw gezin, wij zouden u zeker stenigen, want
     gij zijt niet in aanzien bij ons."

     92. Hij zeide: "O, mijn volk, is mijn gezin waardiger bij u dan
     Allah? En gij hebt Hem als waardeloos verworpen. Voorzeker, mijn
     Heer omvat al hetgeen gij doet."

     93. "En o, mijn volk, handel op uw wijze, ik handel op de mijne.
     Gij zult weldra te weten komen over wie een vernederende straf komt
     en wie een leugenaar is. En wacht af, ik wacht gewis met u."

     94. En toen Ons gebod kwam, redden Wij Shoaib en met hem de
     gelovigen door Onze barmhartigheid en kastijding greep de
     onrechtvaardigen zodat zij uitgestrekt in hun huizen lagen,

     95. Alsof zij er nooit hadden gewoond. Ziet! het volk van Midian is
     vervloekt, zoals Samoed was vervloekt.

     96. Wij zonden Mozes voorzeker met Onze tekenen en duidelijk gezag,

     97. Naar Pharao en zijn leiders, zij volgden het gebod van Pharao
     maar het gebod van Pharao was in het geheel niet verstandig.

     98. Hij zal op de Dag der Opstanding voor zijn volk uitgaan en hen
     naar het Vuur leiden. En slecht is de plaats die wordt bereikt.

     99. En er werd hun in dit leven en op de Dag der Opstanding een
     vloek opgelegd. Slecht is de gave, die zal worden gegeven.

     100. Dit zijn de tijdingen over de steden die Wij u verhalen.
     Sommige er van bleven staan en andere werden weggevaagd.

     101. En Wij deden hun geen onrecht maar zij deden zichzelf onrecht
     aan. En hun goden, die zij naast Allah aanriepen, baatten hen in
     het geheel niet toen het gebod van uw Heer kwam; zij voegden hun
     slechts verderf toe.

     102. Zo is de greep van uw Heer, wanneer Hij de steden grijpt,
     terwijl zij kwaad verrichten. Voorzeker, Zijn greep is smartelijk
     en hard.

     103. Hierin is gewis een teken voor hem die de straf van het
     Hiernamaals vreest. Dat is een dag waarop de mensheid zal worden
     verzameld en dat is een dag waarvan men getuige zal zijn.

     104. En Wij stellen het slechts voor een bepaalde tijd uit.

     105. De dag, waarop het komt, zal geen ziel zonder Zijn toestemming
     spreken; dan zullen sommigen hunner ongelukkig en anderen gelukkig
     zijn.

     106. Degenen dan, die ongelukkig zullen zijn, zullen in het Vuur
     zijn waarin zij zullen zuchten en steunen;

     107. En er, zolang de Hemelen en de Aarde bestaan in vertoeven, met
     uitzondering van hetgeen uw Heer moge behagen. Zeker, uw Heer
     brengt teweeg wat Hij wil.

     108. Maar degenen, die gelukkig zullen blijken te zijn, zullen in
     de Hemel vertoeven, zolang de Hemelen en de Aarde bestaan, met
     uitzondering van hetgeen uw Heer moge behagen, een gave, die niet
     zal worden afgesneden.

     109. Wees dus niet in twijfel, omtrent hetgeen deze mensen
     aanbidden: zij aanbidden slechts, zoals hun vaderen voorheen
     aanbaden en Wij zullen hun voorzeker hetgeen hen toekomt ten volle
     en onverminderd geven.

     110. En Wij gaven Mozes voorzeker het Boek, maar men werd er oneens
     over; en ware het niet door een woord dat reeds van uw Heer was
     uitgegaan de zaak zou voorzeker voor hen zijn beslist; en waarlijk
     zij zijn er in een verontrustende twijfel over.

     111. En uw Heer zal hen allen naar hun werken ten volle vergelden.
     Hij is wel op de hoogte van hetgeen zij doen.

     112. Blijf daarom standvastig zoals u is bevolen en ook degenen,
     die zich met u hebben bekeerd en overtreedt de grenzen niet, want
     Hij ziet voorzeker, wat gij doet.

     113. En neig u niet tot de onrechtvaardigen, anders zal het Vuur
     ook u aanraken en gij zult naast Allah geen vrienden hebben noch
     zult gij worden geholpen.

     114. Houd het gebed aan de twee uitersten van de dag en gedurende
     de eerste uren van de nacht. Voorzeker, goede werken verdrijven
     kwade werken. Dit is een aanmaning voor degenen die er lering uit
     trekken.

     115. En wees standvastig, voorzeker, Allah doet het loon der
     rechtvaardigen niet verloren gaan.

     116. Waarom waren er onder de geslachten die vóór u waren dan geen
     verstandige mensen, die het verderf op aarde konden verhinderen op
     enkelen na, die Wij uit hun midden redden? Maar de onrechtvaardigen
     volgden datgene waarin hun overvloed werd verleend en zij waren
     schuldig.

     117. Uw Heer zal de steden niet onrechtvaardig vernietigen, terwijl
     de bewoners er van oprecht zijn.

     118. En indien uw Heer had gewild, zou Hij het mensdom voorzeker
     tot één volk hebben gemaakt, maar zij zullen blijven verschillen.

     119. Met uitzondering van degenen, die uw Heer barmhartigheid heeft
     betoond - hiervoor heeft Hij hen geschapen - maar het woord van uw
     Heer: "Voorwaar Ik zal de hel met djinn en mensen allen tezamen
     vullen," is vervuld.

     120. En de tijdingen der boodschappers verhalen Wij u om daardoor
     uw hart te versterken. Hierdoor is de waarheid en een vermaning en
     een les voor de gelovigen tot u gekomen.

     121. En zeg tot degenen die niet geloven: "Handelt naar uw
     vermogen, wij handelen ook."

     122. "En wacht af, wij wachten ook."

     123. En aan Allah behoren de geheimen van de hemelen en de aarde en
     naar Hem zal het geheel worden teruggebracht. Aanbid Hem daarom en
     leg uw vertrouwen in Hem. En uw Heer is niet onachtzaam over
     hetgeen gij doet.


     -------------------------------------------------------------------
     -----

     12. Jozef (Joesof)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 111 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. Alif Laam Raa. Dit zijn de verzen van het Boek, dat alles
     verklaart:

     2. Wij hebben het geopenbaard - als de Arabische Koran- opdat gij
     moogt begrijpen.

     3. Wij verhalen u het schoonste verhaal door u deze Koran te
     openbaren, ofschoon gij voorheen onwetend waart.

     4. Toen Jozef tot zijn vader zeide: "O mijn vader, (in mijn droom)
     zag ik elf sterren en de zon en de maan en ik zag ze zich voor mij
     nederwerpen."

     5. Hij zeide: "O, mijn zoon, verhaal uw broedars uw droom niet,
     anders zullen zij plannen tegen u smeden, want Satan is een
     openlijke vijand der mensen."

     6. "En zo zal uw Heer u verkiezen en u de verklaring der dingen
     onderwijzen en Zijn gunst aan u en aan de familie van Jacob
     vervohnaken, zoals Hij die voordien aan twee uwer voorvaderen,
     Abraham en Izaak had voltooid. Voorwaar, uw Heer is Alwetend,
     Alwijs."

     7. Voorzeker, er zijn voor de zoekers (naar waarheid) tekenen in
     (de geschiedenis van) Jozef en zijn broeders.

     8. Toen zij zeiden: "Voorwaar, Jozef en zijn broeder zijn onze
     vader liever dan wij, ofschoon wij een sterke groep zijn.
     Voorzeker, onze vader dwaalt openlijk."

     9. "Doodt Jozef of verdrijft hem naar een (ver) land, zodat uw
     vaders gunst uitsluitend voor u moge zijn, waarna gij een
     rechtvaardig volk zult worden."

     10. Eén hunner zeide: "Doodt Jozef niet, maar als gij iets moet
     doen werpt hem dan op de bodem van een diepe put; iemand uit een
     karavaan zal hem opnemen."

     11. Zij zeiden: "O, onze vader, waarom vertrouwt gij ons niet
     aangaande Jozef, hoewel wij hem welgezind zijn?"

     12. "Zend hem morgen met ons mede, opdat hij zich moge vermaken en
     spelen en wij zullen voorzeker zijn bewakers zijn."

     13. Hij zeide: "Het verdriet mij, dat gij hem zoudt medenemen en ik
     vrees, dat de wolf hem zal verslinden terwijl gij niet op hem let."

     14. Zij zeiden: "Indien de wolf hem zou verslinden terwijl wij een
     sterke groep vormen, dan zijn wij inderdaad de verliezers."

     15. Toen zij hem medenamen, kwamen zij overeen hem op de bodem van
     een diepe put neer te laten en Wij zonden hem een openbaring: "Gij;
     zult hun van deze zaak vertellen zonder dat zij het beseffen."

     16. 's Avonds kwamen zij wenend tot hun vader.

     17. En zeiden: "O, onze vader, wij hielden een wedloop en lieten
     Jozef met onze goederen achter en de wolf verslond hem; maar zelfs
     al spreken wij de waarheid, zult gij ons niet geloven."

     18. En zij brachten zijn hemd met bloed, dat niet van hem was. Hij
     (Jacob) zeide: "Neen, gij hebt de zaak veel te licht opgevat.
     Daarom is geduld passend. En het is Allah Wiens hulp dient te
     worden gezocht over hetgeen gij beweert."

     19. Er kwam een karavaan langs en deze zond een waterputter, die
     zijn emmer nederliet. "O, goed nieuws," zeide hij. "Hier is een
     jongeling." En zij verborgen hem als een stuk koopwaar en Allah
     wist goed, wat zij deden.

     20. Zij verkochten hem voor een geringe prijs, een paar
     zilverstukken, want zij waren onverschillig jegens hem.

     21. En de Egyptenaar, die hem kocht, zeide tot zijn vrouw: "Maak
     zijn verblijf behoorlijk. Het is waarschijnlijk dat hij ons van nut
     kan zijn, of dat wij hem als zoon aannemen." En zo vestigden Wij
     Jozef in het land, opdat Wij hem in het verklaren der dingen
     mochten onderwijzen. Allah heeft macht over Zijn gebod, maar de
     meeste mensen weten het niet.

     22. Toen hij volwassen was, schonken Wij hem oordeel en kennis; zo
     belonen Wij de goeden.

     23. En zij, in wier huis hij was, zocht hem (tegen zijn wil) te
     verleiden. Zij grendelde de deuren en zeide: "Kom nu." Hij
     antwoordde: "Dat verhoede Allah, hij is mijn heer. Hij heeft mijn
     verblijf waardig gemaakt. Voorwaar, de boosdoeners slagen nooit."

     24. En zij nam een besluit betreffende hem en hij nam een besluit
     betreffende haar. Als hij geen duidelijk teken van zijn Heer had
     gezien, (kon hij zo'n vastberadenheid niet hebben getoond). Zo kwam
     het dat Wij het kwaad en de onbetamelijkheid van hem mochten
     afwenden. Voorzeker hij was een Onzer uitverkoren dienaren.

     25. En zij holden beiden naar de deur en zij scheurde zijn hemd van
     achteren en zij ontmoetten haar echtgenoot aan de deur. Zij zeide:
     "Wat zal de straf zijn voor iemand die kwade bedoelingen had met uw
     vrouw, anders dan gevangenneming of een pijnlijke kastijding?"

     26. Hij (Jozef) zeide: "Zij is het die mij tegen mijn wil zocht te
     verleiden." En een familielid van haar getuigde: "Als zijn hemd van
     voren is gescheurd, heeft zij de waarheid gesproken en behoort hij
     tot de leugenaars,

     27. Maar als zijn hemd van achteren is gescheurd, heeft zij gelogen
     en behoort hij tot de waarachtigen."

     28. Toen hij (haar man) zag dat zijn hemd van achteren was
     gescheurd, zeide hij: "Dit is zeker een list van u, vrouwen. Uw
     list is inderdaad sterk."

     29. "O, Jozef, wend u hiervan af en gij (vrouw), vraag vergiffenis
     voor uw zonde. Gij behoort zeker tot de schuldigen."

     30. En de vrouwen in de stad zeiden: "De vrouw van Aziez zoekt haar
     slaaf tegen zijn wil te verleiden. Hij heeft haar met verliefdheid
     vervuld. Wij zien haar inderdaad klaarblijkelijk dwalen."

     31. En toen zij van hun plannen hoorde, nodigde zij haar uit en
     bereidde haar een maaltijd en gaf ieder een mes en zeide dan (tot
     Jozef): "Ga naar hen toe." En toen zij hem zagen achtten zij hem
     grotelijks en zij sneden zich in de handen en zeiden: "Allah zij
     verheerlijkt. Dit is geen mens, dit is een edele engel."

     32. Zij zeide: "Dit is hij nu over wie gij mij beschuldigdet, ik
     zocht hem werkelijk tegen zijn wil te verleiden, maar hij redde
     zich. En als hij nu niet doet wat ik hem verzoek, zal hij zeker
     gevangen genomen en vernederd worden."

     33. Hij (Jozef) zeide: "O mijn Heer, ik zou de gevangenis verkiezen
     boven hetgeen waartoe zij mij roepen; tenzij Gij haar list van mij
     afwendt zal ik mij tot haar neigen en tot de onwetenden behoren."

     34. Daarom verhoorde zijn Heer zijn gebed en wendde hun list van
     hem af. Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alwetende.

     35. Dus kwam het hun (mannen) voor, nadat zij de tekenen van zijn
     onschuld hadden gezien, dat zij hem voor een tijd gevangen moesten
     nemen.

     36. En er gingen met hem twee jonge mannen de gevangenis binnen.
     Een hunner zeide: "Ik zag mij wijn persen." En de andere zeide: "Ik
     zag mij in een droom brood op mijn hoofd dragen waarvan de vogelen
     aten. Geef ons de verklaring er van, voorzeker, wij zien dat gij
     tot de goeden behoort."

     37. Hij antwoordde: "Het voedsel, dat u wordt gegeven, zal niet tot
     u komen, voordat ik u de verklaring er van heb gegeven. Dit is naar
     aanleiding van hetgeen mijn Heer mij heeft onderwezen. Ik heb van
     de godsdienst van het volk dat niet in Allah en in het Hiernamaals
     gelooft, afstand gedaan.

     38. "En ik volg de godsdienst van mijn vaderen, Abraham, Izaak en
     Jacob. Het betaamt ons niet dat wij iets met Allah vereenzelvigen.
     Dit behoort tot Allah's genade voor ons en de mensheid, maar de
     meeste mensen zijn niet dankbaar."

     39. "O, mijn twee medegevangenen, zijn verscheidene Heren beter of
     is Allah, de Ene, de Opperste beter?"

     40. "Gij aanbidt naast Allah niets, dan ijdele namen die gij hebt
     uitgedacht, gij en uw vaderen; Allah heeft daar geen gezag voor
     nedergezonden. De beslissing berust bij Allah alleen. Hij heeft
     bevolen dat gij naast Hem niets zult aanbidden. Dit is de juiste
     godsdienst, maar de meeste mensen beseffen het niet."

     41. "O mijn twee medegevangenen, wat één uwer betreft, hij zal wijn
     voor zijn Heer schenken en wat de ander betreft, hij zal worden
     gekruisigd, zodat de vogels van zijn hoofd zullen eten. De zaak
     waarover gij hebt gevraagd, is besloten."

     42. En hij zeide tot degene van hen, van wie hij wist dat hij
     bevrijd zou worden: "Vermeld mij bij uw heer." Maar Satan deed hem
     vergeten het aan zijn heer te zeggen daarom bleef hij voor enige
     jaren in de gevangenis.

     43. En de koring (van Egypte) zeide: "Ik zag zeven vette koeien,
     die door zeven magere koeien werden verslonden en zeven groene
     korenaren en zeven verwelkte aren. O gij leiders, legt mij de
     betekenis van mijn droom uit als gij een droom kunt verklaren."

     44. Zij antwoordden: "Het zijn verwarde dromen en wij kennen de
     verklaring van zulke dromen niet."

     45. En degene van de twee die bevrijd was, herinnerde zich na enige
     tijd Jozef, en zeide toen: "Ik zal u de verklaring er van laten
     weten, zend mij daarom."

     46. "O, Jozef! gij man der waarheid, leg ons de betekenis uit van
     zeven vette koeien die door zeven magere worden verslonden en van
     zeven groene korenaren en andere verwelkte aren opdat ik tot het
     volk moge terugkeren, zodat zij mogen weten."

     47. Hij antwoordde: "Gij zult zeven jaren lang voortdurend zaaien
     en wat gij maait in de aar laten, met uitzondering van een weinig,
     dat gij zult eten."

     48. "Dan zullen er nadien zeven harde jaren komen, die al hetgeen
     gij van te voren hebt opgeslagen zullen verteren, met uitzondering
     van een weinig dat gij zult bewaren."

     49. "Dan zal er nadien een jaar komen, waarin de mensen zullen
     worden geholpen en waarin zij (vruchten) zullen persen."

     50. En de koning zeide: "Brengt hem tot mij." Maar toen de
     boodschapper tot hem (Jozef) kwam, zeide hij: "Ga terug naar uw
     heer en vraag hem hoe het met de vrouwen is gesteld die zich in de
     handen sneden, voorzeker mijn Heer kent haar sluwe plan goed."

     51. Hij, (de koning) zeide tot de vrouwen: "Wat was het geval met u
     toen gij Jozef tegen zijn wil zocht te verleiden?" Zij zeiden:
     "Allah zij verheerlijkt. Wij hebben geen kwaad van hem geweten." De
     vrouw van de Aziez zeide: "Nu is de waarheid aan het licht gekomen.
     Ik was het die hem tegen zijn wil zocht te verleiden en hij behoort
     zeker tot de waarachtigen."

     52. "Dit is, opdat hij moge weten dat ik hem in zijn afwezigheid
     niet ontrouw was en dat Allah het plan van de ontrouwe mensen niet
     laat slagen."

     53. "En ik verklaar mijzelf niet vrij (van zwakheid) te zijn, want
     het menselijke, ik' spoort tot het kwade aan, uitgezonderd dat
     waarover mijn Heer barmhartigheid betoont. Voorzeker, mijn Heer is
     Vergevensgezind, Genadevol."

     54. En de koning zeide: "Brengt hem bij mij, ik wil hem voor
     mijzelf houden." En toen hij tot hem (Jozef) had gesproken, zeide
     hij: "Gij zijt van deze dag af een man van positie en vertrouwen
     bij ons."

     55. Hij antwoordde: "Stel mij aan over de schatten van het land
     want ik ben een deskundig bewaarder."

     56. En zo vestigden Wij Jozef in het land. Hij vertoefde er in,
     waar hij ook wilde. Wij schenken Onze barmhartigheid aan wie Ons
     behaagt en Wij laten het loon Aer rechtvaardigen niet te gronde
     gaan.

     57. En het loon van het Hiernamaals is zeker beter voor degenen die
     geloven en God vrezen.

     58. En Jozefs broeders kwamen en gingen bij hem binnen en hij
     herkende hen, maar zij herkenden hem niet.

     59. En toen hij hen van levensmiddelen had voorzien, zeide hij:
     "Brengt mij uw broeder van vaderskant. Ziet gij niet, dat ik u met
     volle maat geef en dat ik een goed gastheer ben?"

     60. "Maar indien gij hem niet tot mij brengt dan zal er van mij
     geen maat (koren) voor u zijn noch zult gij in mijn nabijheid
     komen."

     61. Zij antwoordden: "Wij zullen trachten zijn vader hiertoe over
     te halen, wij zullen het voorzeker kunnen doen."

     62. En hij (Jozef) zeide tot zijn dienaren: "Stopt hun geld in de
     zadeltassen, dat zij het mogen herkennen, wanneer zij tot hun
     familie terugkeren, opdat zij terug mogen komen."

     63. En toen zij tot hun vader terugkeerden, zeiden zij: "Onze
     vader, een (verdere) maat is ons ontzegd, zend daarom onze broeder
     met ons mede, opdat wij onze maat (koren) mogen verkrijgen en wij
     zullen zeker op hem passen."

     64. Hij (Jacob) antwoordde: "Zal ik u hem toevertrouwen, zoals ik u
     voorheen zijn broeder toevertrouwde? Maar Allah is de beste
     Beschermer en Hij is de Genadigste der genadigen.

     65. En toen zij hun reisgoederen openden, vonden zij hun geld aan
     hen teruggegeven. Zij riepen uit: "O, onze vader, wat kunnen wij
     meer wensen? Hier is ons geld aan ons teruggegeven. Wij zullen
     (nogmaals) koren voor onze familie halen en op onze broeder passen
     en wij zullen als toegift de maat van een kameellast ontvangen. Dat
     is een maat die gemakkelijk verkrijgbaar is."

     66. Hij (Jacob) zeide: "Ik zal hem niet met u medezenden voordat
     gij mij een ernstige belofte aflegt in de naam van Allah, dat gij
     hem zeker tot mij zult brengen tenzij gij allen omsingeld zoudt
     worden." En toen zij de belofte hadden afgelegd, zeide hij: "Allah
     waakt over hetgeen wij zeggen."

     67. En hij zeide: "O mijn zonen, gaat niet door één poort binnen
     maar gaat door verschillende poorten binnen; en ik kan u in niets
     tegen Allah helpen. De beslissing berust alleen bij Allah. In Hem
     stel ik mijn vertrouwen en laat allen die willen vertrouwen, alleen
     in Hem hun vertrouwen stellen."

     68. Maar toen zij (de stad) binnen gingen zoals hun vader hen had
     bevolen, kon hen dit tegen Allah toch niets baten; het was slechts
     dat Jacob zijn zin gedaan kreeg, want hij had voorzeker grote
     kennis, omdat Wij hem hadden onderwezen, maar de meeste mensen
     weten het niet.

     69. En toen zij Jozef bezochten, huisvestte deze zijn broeder bij
     zich. En hij zeide: "Ik ben uw broeder, treur daarom niet over
     hetgeen zij hebben gedaan."

     70. En toen hij hen van hun provisie had voorzien, legde hij een
     drinkbeker in zijn broeders zadeltas. Toen riep een omroeper: "O,
     karavaan, gij zijt waarlijk dieven."

     71. Zij vroegen, zich tot hem wendend: "Wat mist gij?"

     72. Men antwoordde: "Wij missen des konings maatkop en wie hem
     brengt zal een kameellast koren ontvangen en ik ben er borg voor."

     73. Zij antwoordden: "Bij Allah, gij weet goed, dat wij niet kwamen
     om slecht in het land te handelen en wij zijn geen dieven."

     74. Zij (de Egyptenaren) zeiden: "Wat zal er dan de straf voor zijn
     als gij leugenaars zijt?"

     75. Zij antwoordden: "De straf er voor zal zijn: hij, in wiens
     zadeltas ze wordt gevonden zal zelf de boete er voor zijn. Zo
     straffen wij de boosdoeners."

     76. Daarna begon hij met (het onderzoek van) hun tassen alvorens de
     tas van zijn broeder (te onderzoeken); dan nam men hem (drinkbeker)
     uit zijn broeders tas. Zo maakten Wij plannen voor Jozef. Hij kon
     zijn broeder volgens de wet van de koning (van Egypte) niet houden,
     tenzij Allah het zo had gewild. Wij bevorderen in graden (van
     kennis en eer) wie Wij willen. Boven elke wetende staat de
     Alwetende.

     77. Zij (zijn broeders) zeiden: "Als deze heeft gestolen, had zijn
     broeder voorheen ook diefstal gepleegd." Maar Jozef hield het in
     zijn hart geheim en onthulde het hun niet. Hij zeide: "Gij verkeert
     in een slechte toestand. Allah weet het beste wat gij beweert."

     78. Zij zeiden: "O Aziez, hij heeft een zeer oude vader, neem
     daarom één onzer in zijn plaats, want wij zien dat gij tot degenen
     behoort die goed doen."

     79. Hij (Jozef) zeide: "Allah verhoede, dat wij iemand anders dan
     hem zouden nemen bij wie wij ons eigendom vonden; want dan zouden
     wij zeker onrechtvaardig zijn."

     80. En toen zij wanhoopten trokken zij zich terug om in afzondering
     te beraadslagen. De oudste zeide: "Weet gij niet, dat uw vader een
     plechtige belofte in de naam van Allah van u heeft genomen en hoe
     gij voorheen in uw plicht tegenover Jozef hebt gefaald? Ik zal het
     land daarom niet verlaten voordat mijn vader het mij toestaat, of
     Allah voor mij beslist en Hij is de beste Beoordelaar."

     81. "Keert gij tot uw vader terug en zegt: 'Onze vader uw zoon
     heeft gestolen en wij hebben alleen hetgeen wij wisten vermeld en
     wij konden waarlijk over het ongeziene niet waken.'

     82. 'En vraag het volk der stad waarin wij waren en de karavaan
     waarmede wij reisden en wij spreken voorzeker de waarheid.'"

     83. Hij (hun vader) zeide: "Neen, uw ziel heeft een groot iets voor
     u gering gemaakt. Daarom is geduld passend. Het is mogelijk, dat
     Allah hen allen te zamen tot mij zal brengen; waarlijk Hij is de
     Alwetende, de Alwijze."

     84. En hij wendde zich van hen af en zeide: "O ik heb verdriet over
     Jozef." En zijn ogen werden gevuld met tranen van smart doch hij
     bedwong zich.

     85. Zij zeiden: "Bij Allah, gij zult niet ophouden over Jozef te
     praten, totdat gij zijt weggekwijnd of totdat gij te gronde gaat."

     86. Hij antwoordde: "Ik klaag alleen over mijn zorg en verdriet tot
     Allah en ik weet van Allah, wat gij niet weet."

     87. "O mijn zonen, gaat en zoekt naar Jozef en zijn broeder en
     wanhoopt niet aan de genade van Allah, want niemand wanhoopt aan
     Allah's barmhartigheid dan het ongelovige volk."

     88. En toen zij (opnieuw) voor hem (Jozef) kwamen, zeiden zij: "O,
     Aziez, armoede heeft ons en onze familie getroffen en wij hebben
     een armzalige geldsom meegebracht, geef ons daarvoor de volle maat
     en wees liefdadig. Voorzeker, Allah beloont de liefdadigen."

     89. Hij zeide: "Weet gij wat gij Jozef en zijn broeder aandeedt,
     toen gij onwetend waart?"

     90. Zij vroegen. "Zijt gij dan Jozef?" Hij zeide: "Ik ben Jozef en
     dit is mijn broeder. Allah is ons inderdaad genadig geweest.
     Voorwaar, wie godvrezend en geduldig is - Allah doet het loon der
     goeden nooit verloren gaan."

     91. Zij antwoordden: "Bij Allah, waarlijk Allah heeft u boven ons
     verkozen en wij zijn inderdaad zondaren geweest."

     92. Hij (Jozef) zeide: "Heden zij er geen verwijt tegen u: Moge
     Allah u vergeven, Hij is de Genadigste der genadigen."

     93. "Gaat met dit hemd van mij en legt het voor het aangezicht van
     mijn vader neder; hij zal het begrijpen. En brengt mij uw gehele
     familie."

     94. En toen de karavaan (uit Egypte) vertrok, zeide hun vader: "Ik
     bemerk voorzeker de geur van Jozef, zelfs al ziet gij mij voor
     zwakzinnig aan."

     95. Zij antwoordden: "Bij Allah, gij houdt zeker aan uw oude
     dwaling vast."

     96. En toen de drager van de blijde tijding kwam, legde hij het
     (hemd) voor hem (Jacob) neder zodat hij zekerheid verkreeg. Dan
     riep hij uit: "Zei ik u niet: 'Ik weet van Allah wat gij niet
     weet'?"

     97. Zij antwoordden: "O, onze vader, vraag voor ons vergiffenis
     voor onze zonden: wij zijn inderdaad zondaren geweest."

     98. Hij (Jacob) zeide: "Ik zal mijn Heer om vergiffenis voor u
     vragen. Voorzeker, Hij ls de Vergevensgezinde, de Genadevolle."

     99. En toen zij tot Jozef kwamen, huisvestte hij zijn ouders bij
     zich en zeide: "Komt zoals het Allah behaagt Egypte in vrede
     binnen."

     100. Hij hief zijn ouders op de troon en zij wierpen zich voor hem
     neder. En hij zeide: "O mijn vader, dit is de vervulling van mijn
     vroegere droom. Mijn Heer heeft deze verwezenlijkt. En Hij schonk
     mij een gunst toen Hij mij uit de gevangenis verloste en u uit de
     woestijn bracht, nadat Satan tweedracht tussen mij en mijn broeders
     had gezaaid. Voorzeker, mijn Heer is goedertieren voor wie Hij wil.
     Waarlijk, Hij is de Alwetende, de Alwijze."

     101. "O, mijn Heer, Gij hebt mij macht gegeven en de verklaring van
     dromen onderwezen. O, Schepper der hemelen en der aarde, Gij zijt
     mijn Beschermer in deze wereld en in het Hiernamaals. Doe mij
     sterven als Moslim en verenig mij met de rechtvaardigen."

     102. Dit behoort tot de tijdingen van het verborgene die Wij u (o
     Profeet ) openbaren. Gij waart niet bij hen, toen zij zich (tegen
     u) verenigden en plannen smeedden.

     103. En de meeste mensen willen niet geloven zelfs al wenst gij het
     vurig.

     104. Gij vraagt er hun geen beloning voor. Het is niets dan een
     vermaning aan alle werelden.

     105. En hoeveel tekenen zijn er niet in de hemelen en op aarde
     waaraan zij, zich afwendend, voorbijgaan!

     106. En de meesten hunner geloven niet in Allah, zonder medegoden
     aan Hem toe te schrijven.

     107. Voelen zij zich dan nu veilig voor het komen van een
     overweldigende straf over hen van Allah of voor het onverwacht
     komen van het Uur over hen, terwijl zij het niet bemerken?

     108. Zeg: "Dit is mijn weg: ik roep tot Allah in zeker weten, ik en
     mijn volgelingen. Heilig is Allah en ik behoor niet tot de
     afgodendienaren."

     109. En Wij zonden vóór u slechts mensen uit de inwoners der
     steden, die Wij inspireerden. Hebben zij dan niet op aarde gereisd
     en gezien wat het einde was dergenen die vóór hen waren? En het
     tehuis van het Hiernamaals is voorzeker beter voor degenen, die
     vrezen. Wilt gij dan niet begrijpen?

     110. Totdat, wanneer de boodschappers wanhoopten en zij dachten dat
     zij voor leugenaars verden gehouden, Onze hulp tot hen kwam en dan
     werd gered, wie Ons behaagde. En Onze kastijding wordt van een
     zondig volk niet afgewend.

     111. Er is in hun verhaal gewis een les voor mensen van begrip. Het
     is niet iets, dat is verzonnen, doch een vervulling van hetgeen er
     vóór is en een uiteenzetting van alle dingen en een leiding en een
     barmhartigheid voor een volk, dat gelooft.

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     13. De Donder (Ar-Ra'd)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 43 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. Alif Laam Miem Raa. Dit zijn de verzen van het Boek. En hetgeen
     u door uw Heer is geopenbaard is waar, maar de meeste mensen
     geloven niet.

     2. Allah is Hij, Die de hemelen heeft doen verrijzen zonder pilaren
     die gij kunt zien. Daarna zette Hij Zich op de troon. En Hij heeft
     de zon en de maan in dienst gesteld; elk volgt zijn baan tot een
     vastgestelde termijn. Hij regelt het al. Hij legt de tekenen
     duidelijk uit, opdat gij zeker zult zijn van de ontmoeting met uw
     Heer.

     3. En Hij is het, Die de aarde uitspreidde, er bergen op verhief en
     rivieren op vormde. En Hij maakte er elke vruchtensoort in twee
     geslachten op. Hij doet de nacht de dag bedekken. Voorwaar, daarin
     zijn tekenen voor een volk, dat nadenkt.

     4. En er zijn op aarde aan elkaar grenzende streken en tuinen van
     wijnstokken, en korenvelden en dadelpalmen, met één wortel of met
     verschillende wortels, zij worden met hetzelfde water besproeid en
     toch doen Wij sommigen er van in fruit boven anderen uitmunten.
     Daarin zijn tekenen voor een volk, dat begrijpt.

     5. En indien gij u verwondert, dan is hun zeggen verwonderlijker:
     "Wanneer wij stof zijn geworden, zullen wij dan opnieuw worden
     geschapen?" Deze zijn het, die hun Heer hebben verworpen, daarom
     zullen zij ketenen om hun hals hebben en de bewoners van het Vuur
     zijn; daarin zullen zij vertoeven.

     6. En zij vragen eerder het kwade van u dan het goede; hoewel er
     voor hen voorbeeldige straffen zijn voorgekomen. Voorwaar, uw Heer
     is vol van vergiffenis voor het mensdom, ondanks hun
     onrechtvaardigheid en voorwaar, uw Heer is streng in het vergelden.

     7. En de ongelovigen zeggen: "Waarom is hem (de profeet) geen teken
     van zijn Heer nedergezonden?" Gij zijt waarlijk een waarschuwer en
     er is voor elk volk een leidsman.

     8. Allah weet wat elke vrouw baart en wat de baarmoeders niet
     voldragen en wat zij doen groeien. En bij Hem heeft alles een eigen
     maat.

     9. Hij is de Kenner van het onzienlijke en het zienlijke, de Grote,
     de Verhevene.

     10. Voor Hem is hij gelijk die onder u het woord verbergt en hij
     die het openlijk uit; alsook hij, die zich 's nachts verbergt en
     hij, die overdag (openlijk) voortgaat.

     11. Er zijn voor hem (de Boodschapper) bewakers (engelen) vóór en
     achter hem; zij bewaken hem door het gebod van Allah. Voorzeker,
     Allah verandert de toestand van een volk niet voordat zij hetgeen
     in hun hart is veranderen. En wanneer Allah een volk wenst te
     straffen, is er geen afwenden mogelijk, noch hebben zij een helper
     naast Hem.

     12. Hij is het, Die u de bliksem toont vrees en hoop veroorzakende
     en Hij doet zware wolken ontstaan.

     13. En de donder verkondigt Zijn glorie met de lof die Hem toekomt,
     en de engelen doen het uit ontzag voor Hem en Hij zendt de bliksem
     en treft er mede, wie Hij wil; nog steeds redetwisten zij over
     Allah. terwijl Hij streng is in het straffen.

     14. Tot Hem is het ware gebed. En degenen, die zij buiten Hem
     aanroepen, verhoren hen in het geheel niet, doch zij zijn als
     iemand die zijn handen uitstrekt naar het water, opdat het zijn
     mond zal bereiken, maar het kan hem nooit bereiken. En het
     aanroepen der ongelovigen gaat slechts verloren.

     15. En wie in de hemelen en op aarde is, onderwerpt zich willens of
     onwillens aan Allah en hun schaduwen doen 's morgens en 's avonds
     hetzelfde.

     16. Zeg: "Wie is de Heer der hemelen en der aarde?" Zeg: "Allah."
     Zeg: "Hebt gij naast Hem dan helpers genomen, die voor zich over
     goed noch kwaad macht hebben?" Zeg: "Kunnen de blinde en de ziende
     gelijk zijn?" Of kan de duisternis gelijk zijn aan het licht? Of
     schrijven zij aan Allah medegoden toe die iets, op Zijn schepping
     lijkende hebben geschapen, zodat beide scheppingen hun gelijk
     voorkomen? Zeg: "Allah is de Schepper aller dingen en Hij is de
     Ene, de Opperste."

     17. Hij zendt water van de hemel neder, zodat stromen
     overeenkomstig hun afmeting vloeien en de vloed zwellend schuim
     draagt. En van hetgeen zij (de mensen) in het vuur verhitten om
     sieraden en gereedschappen te vervaardigen komt een soortgelijk
     schuim. Zo licht Allah de waarheid en de valsheid toe. Wat nu het
     schuim betreft, het gaat als uitschot weg, maar wat betreft hetgeen
     de mensen tot nut strekt, dit blijft op aarde. Zo geeft Allah de
     gelijkenissen.

     18. Er zal voor degenen die aan hun Heer gehoor geven het goede
     zijn, en degenen, die Hem geen gehoor geven - deze zouden, indien
     zij al hetgeen op aarde is en het gelijke er aan toegevoegd,
     bezaten, het gaarne als losprijs aanbieden. Dezen zijn het die een
     boze afrekening zullen ontvangen en hun tehuis is de hel. En dit is
     een slechte rustplaats.

     19. Is dan hij die weet, dat hetgeen u van uw Heer is geopenbaard
     de waarheid is, gelijk aan hem die blind is? Alleen degenen die met
     begrip zijn begiftigd trekken er lering uit,

     20. Degenen, die Allah's verbond vervullen en dit niet breken.

     21. En degenen, die verbinden, wat Allah bevolen heeft verbonden te
     worden en die hun Heer vrezen en de kwade afrekening duchten.

     22. En degenen, die volharden in het zoeken naar de gunst van hun
     Heer en het gebed houden en van hetgeen waarvan Wij hen hebben
     voorzien, heimelijk en openlijk weggeven en die het kwade met het
     goede afwenden, dezen zijn het die de beloning en het goede tehuis
     zullen ontvangen.

     23. Tuinen der eeuwigheid. Zij en degenen van hun vaderen en hun
     echtgenoten en hun kinderen rechtvaardig zijn zullen deze
     binnengaan. En engelen zullen van iedere poort tot hen komen,
     (zeggende):

     24. "Vrede zij over u, omdat gij geduldig waart; ziet, hoe
     uitstekend is het uiteindelijke tehuis."

     25. En degenen, die het verbond van Allah breken nadat zij het
     hadden bevestigd en hetgeen Allah heeft bevolen verenigd te zijn,
     afsnijden en op aarde wanorde stichten, hen treft de vloek en zij
     zullen een slecht tehuis hebben.

     26. Allah vergroot en vermindert de voorziening voor wie Hem
     behaagt. En zij (de mensen) verheugen zich in het tegenwoordige
     leven, terwijl het tegenwoordige leven slechts een (kortstondig)
     vermaak is vergeleken met het volgende.

     27. En degenen die niet geloven, zeggen: "Waarom is hem (de
     profeet) geen teken van zijn Heer nedergezonden?" Zeg: "Allah laat
     diegene dwalen die Hij wil en leidt tot Zichzelf degene die zich
     bekeert."

     28. Degenen die geloven, en wier hart rust vindt in de gedachtenis
     aan Allah. Ziet toe! in het gedenken van Allah kunnen de harten
     rust vinden.

     29. Degenen die geloven en goede werken doen - voor hen is geluk en
     een uitstekende plaats van terugkeer.

     30. Zo hebben Wij u tot een volk gezonden - aan hetwelk andere
     volkeren zijn voorafgegaan - opdat gij hun hetgeen Wij u hebben
     geopenbaard, moogt verkondigen doch zij verwerpen de Barmhartige.
     Zeg: "Hij is mijn Heer; er is geen God naast Hem. In Hem leg ik
     mijn vertrouwen en tot Hem is mijn terugkeer."

     31. En als er een Koran was, waarmede de bergen konden worden
     verzet, de aarde kon worden gespleten, of de doden tot spreken
     konden worden gebracht, (zouden zij er nog niet in geloven). "Neen,
     de zaak berust geheel bij Allah!" Zijn de gelovigen het niet te
     weten gekomen dat, indien Allah het wilde, Hij het gehele mensdom
     zou hebben geleid? En de ongelovigen zullen onophoudelijk door
     rampen getroffen worden wegens hun daden, of het zult bij hun
     huizen neerkomen, totdat de belofte van Allah tot stand komt.
     Voorzeker, Allah faalt niet in Zijn belofte.

     32. Voorzeker boodschappers werden vóór u ook bespot, maar Ik
     schonk uitstel aan de ongelovigen. Dan greep Ik hen en hoe
     (vreselijk) was Mijn straf.

     33. Zal Hij, Die over elke ziel waakt ten aanzien van hetgeen zij
     verdient (hen dan laten gaan)? Toch kennen zij medegoden aan Allah
     toe. Zeg: "Noemt hen." Zoudt gij Hem willen inlichten over hetgeen
     Hem op aarde onbekend was? Of is het slechts een ledig gezegde?
     Neen, maar het plan der ongelovigen is voor hen schoonschijnend
     gemaakt en zij worden van de juiste weg teruggehouden. En hij, die
     Allah laat dwalen zal geen helper vinden.

     34. Er is voor hen een straf in het tegenwoordige leven; doch de
     straf van het Hiernamaals is gewis zwaarder en zij zullen tegen
     Allah geen verdediger hebben.

     35. Het beeld van de Hemel die de godvrezenden is beloofd, is, dat
     er stromen in vloeien, en dat zijn fruit en schaduw eeuwigdurend
     zijn. Dit is het loon van de rechtvaardig en maar het loon van de
     ongelovigen is het Vuur.

     36. En degenen, wie Wij het Boek hebben gegeven, verheugen zich in
     hetgeen u is geopenbaard. En er zijn sommige der partijen die er
     een gedeelte van ontkennen. Zeg: "Het is mij bevolen, Allah te
     aanbidden en niets met Hem te vereenzelvigen. Tot Hem roep ik en
     tot Hem is mijn terugkeer."

     37. En zo hebben Wij het als een duidelijk oordeel geopenbaard. En
     als gij, nadat kennis tot u is gekomen hun boze wensen volgt, zult
     gij aan Allah vriend, noch beschermer hebben.

     38. En Wij zonden inderdaad boodschappers vóór u en Wij gaven hun
     vrouwen en kinderen. En het is een boodschapper niet mogelijk een
     teken te brengen dan door het gebod van Allah. Voor elke periode is
     er een (Goddelijk) besluit.

     39. Allah doet te niet wat Hij wil en bevestigt wat Hij wil en bij
     Hem is de oorsprong van het Boek.

     40. Of Wij u sommige der dingen doen zien waarmede Wij hen hebben
     bedreigd, of u doen sterven - op u rust (alleen) de verkondiging
     (der boodschap) en op Ons de verrekening.

     41. Zien zij niet dat Wij tot hun land komen, het van de buitenste
     zijden (grenzen) verminderend Allah besluit en niemand kan Zijn
     besluit omverwerpen. En Hij is vlug in het vergelden.

     42. En degenen, die vóór hen waren, verzonnen plannen, maar (het
     slagen van) alle plannen berust bij Allah. Hij weet wat elke ziel
     verdient en de ongelovigen zullen weldra weten voor wie de
     uiteindelijke woonplaats is.

     43. De ongelovigen zeggen: "Gij zijt geen gezant." Zeg: "Allah,
     alsmede hij die kennis van het Boek bezit zijn toereikend als
     getuigen tussen u en mij."


     -------------------------------------------------------------------
     -----

     14. Abraham (Ibrahiem)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 52 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. Alif Laam Raa. Dit is een Boek dat Wij u hebben geopenbaard,
     opdat gij de mensen door het gebod van hun Heer uit de duisternis
     tot het licht moogt brengen op het pad van de Almachtige, de
     Geprezene;

     2. Van Allah, aan Wie wat er ook in de hemelen en op aarde is,
     toebehoort. Maar wee de ongelovigen wegens een strenge straf.

     3. Die het tegenwoordige leven boven het Hiernamaals verkiezen en
     (anderen) van het pad van Allah afhouden het krom wensend - dezen
     zijn het die ver afgedwaald zijn.

     4. Wij zonden geen boodschapper dan met de taal van zijn volk,
     zodat hij (het) hun duidelijk moge maken. Dan laat Allah dwalen wie
     Hij wil en leidt wie Hij wil. Hij is de Almachtige, de Alwijze.

     5. En Wij zonden Mozes met Onze tekenen, zeggende: "Breng uw volk
     uit de duisternis tot het licht en herinner hen aan de dagen van
     Allah." Daarin zijn voorzeker tekenen voor ieder die geduldig en
     dankbaar is.

     6. En toen Mozes tot zijn volk zeide: "Gedenk Allah's gunst aan u
     toen Hij u van Pharao's volk redde, dat u met een smartelijke
     foltering kwelde, uw zonen doodde en uw vrouwen spaarde; daarin was
     een grote beproeving van uw Heer."

     7. En toen uw Heer verklaarde: "Als gij dankbaar zijt zal ik u
     rneer geven, maar als gij ondankbaar zijt is Mijn straf inderdaad
     streng."

     8. En Mozes zeide: "Als gij ondankbaar zijt, gij en al degenen die
     op aarde zijn, voorwaar, Allah is Zichzelf - genoeg, Geprezen."

     9. Zijn de tijdingen niet tot u gekomen van degenen die vóór u
     waren, het volk van Noach en van Aad en Samoed en degenen (die) na
     hen (kwamen)? Niemand behalve Allah kent ze. Hun boodschappers
     kwamen met duidelijke tekenen tot hen, maar zij deden hen zwijgen
     en zeiden: "Wij geloven niet in hetgeen, waarmede gij zijt gezonden
     en wij zijn zeker in twijfel over hetgeen, waartoe gij ons roept."

     10. Hun boodschappers antwoordden: "Bestaat er twijfel over Allah,
     Schepper der hemelen en der aarde? Hij roept u, opdat Hij uw zonden
     moge vergeven en u uitstel moge verlenen voor een vastgestelde
     periode." Zij zeiden: "Gij zijt slechts mensen als wij; gij wenst
     ons afkerig te maken van hetgeen onze vaderen aanbaden. Brengt ons
     daarom een duidelijk bewijs."

     11. Hun boodschappers zeiden tot hen: "Wij zijn inderdaad
     stervelingen zoals gij, maar Allah bewijst gunsten aan wie van Zijn
     dienaren Hij wil. Het is niet aan ons u een bewijs te brengen, dan
     door het gebod van Allah. En in Allah behoren de gelovigen te
     vertrouwen."

     12. "En waarom zouden wij niet in Allah vertrouwen wanneer Hij ons
     onze wegen heeft getoond? En wij zullen voorzeker al het kwaad dat
     gij ons doet met geduld dragen. Laat daarom allen die willen
     vertrouwen, in Allah hun vertrouwen stellen."

     13. En de ongelovigen zeiden tot hun boodschappers: "Wij zullen u
     voorzeker uit het land verdrijven, tenzij gij tot onze godsdienst
     wederkeert." Toen zond hun Heer hun de openbaring: "Wij zullen de
     onrechtvaardigen zeker vernietigen."

     14. "En Wij zullen u zeker na hen in het land vestigen. Dit is voor
     hem die vreest vóór Mij te staan en die Mijn waarschuwing vreest."

     15. Zij vroegen om een oordeel en (dientengevolge) ging elke
     hoogmoedige vijand te gronde.

     16. Voor hem is de hel en hij zal worden gedwongen kokend water te
     drinken.

     17. Hij zal het met kleine teugen drinken en zal het ternauwernood
     kunnen slikken. En de dood zal van elke kant tot hem komen en toch
     zal hij niet sterven. En daarnaast zal er een zware kastijding
     zijn.

     18. De toestand dergenen die in hun Heer niet geloven, is, dat hun
     werken als as zijn waarop de wind hevig waait op een stormachtige
     dag. Zij zullen over hetgeen zij verdienen geen macht bezitten. Dit
     is inderdaad de volstrekte ondergang.

     19. Ziet gij niet dat Allah de hemelen en de aarde in waarheid
     schiep? Als Hij het wil kan Hij u verdelgen en een nieuwe schepping
     voortbrengen.

     20. Dit is inderdaad niet moeilijk voor Allah.

     21. Zij zullen allen voor Allah verschijnen, dan zullen de zwakken
     tot de hoogmoedigen zeggen: "Wij waren voorzeker uw volgelingen;
     kunt gij ons dan tegen Allah's straf niet helpen?" Zij zullen
     zeggen: "Als Allah ons had geleid, hadden wij u zeker geleid. Het
     is voor ons gelijk of wij ongeduld tonen of wel geduldig blijven,
     want er is voor ons geen toevlucht."

     22. Wanneer de zaak is beslist zal Satan zeggen: "Allah deed u een
     ware belofte, ik echter beloofde u en faalde, maar ik had geen
     macht over u dan dat ik u riep en gij mij gehoorzaamdet. Verwijt
     mij daarom niet, maar beschuldigt uzelf. Ik kan u niet bijstaan
     noch kunt gij mij bijstaan. Ik verwerp dat gij mij voordien met
     Allah hebt vereenzelvigd. Er zal voor de onrechtvaardigen gewis een
     smartelijke straf zijn."

     23. En de gelovigen die goede werken doen, zullen in tuinen worden
     toegelaten waardoor rivieren stromen, daarin zullen zij vertoeven
     door het gebod van hun Heer. Hun groet daarin zal "Vrede" zijn.

     24. Ziet gij niet hoe Allah de gelijkenis van een goed woord geeft?
     Het is als een goede boom, waarvan de wortel hecht is en zijn
     takken reiken tot in de hemel.

     25. Deze brengt door het gebod van zijn Heer zijn vrucht voort in
     ieder jaargetijde. En Allah geeft de gelijkenissen voor de mensen,
     opdat zij lering mogen trekken.

     26. En een slecht woord is als een slechte boom die ontworteld ter
     aarde ligt en geen vaste grond meer heeft.

     27. Allah versterkt degenen, die geloven in het tegenwoordige leven
     en in het Hiernamaals met het bevestigende woord en Allah laat de
     onrechtvaardigen dwalen. En Allah doet, wat Hij wil.

     28. Ziet gij niet degenen, die Allah's gunst in ondankbaarheid
     veranderden en hun volk in het huis van verderf brachten?

     29. Dat is de hel. Daarin zullen zij branden en dit is een boze
     rustplaats.

     30. En zij hebben medegoden aan Allah toegekend om (de mensen) van
     Zijn weg af te leiden. Zeg: "Vermaakt u een poosje, daarna is uw
     terugkeer voorzeker naar het Vuur."

     31. Zeg tot mijn gelovige dienaren dat zij het gebed behoren te
     onderhouden en van hetgeen Wij hun hebben gegeven heimelijk en
     openlijk besteden, voordat er een dag komt, waarop er handel noch
     vriendschap zal zijn.

     32. Allah is Hij, Die de hemelen en de aarde schiep en water uit
     die wolken doet nederkomen en er vruchten voor uw onderhoud mee
     voortbrengt en Hij heeft de schepen in uw dienst gesteld, opdat zij
     door Zijn gebod over de zee mogen varen en Hij heeft de rivieren
     eveneens in uw dienst gesteld.

     33. En Hij heeft ook de zon en de maan, die beiden hun werk
     voortdurend verrichten alsmede de nacht en de dag in uw dienst
     gesteld.

     34. En Hij gaf u al hetgeen gij van Hem vraagt en als gij de
     gunsten van Allah telt, zult gij ze stellig niet kunnen opsommen.
     Voorwaar, de mens is zeer onrechtvaardig, zeer ondankbaar.

     35. En toen Abraham zeide: "Mijn Heer maak deze stad (oord van)
     vrede en weerhoud mij en mijn kinderen van het aanbidden van
     afgoden."

     36. Mijn Heer, zij hebben inderdaad vele van de mensen op een
     dwaalspoor gebracht. Wie mij daarom ook volgt hij is stellig van
     mij en wat betreft hem die mij niet gehoorzaamt - Gij zijt
     voorzeker Vergevensgezind, Genadevol."

     37. "Onze Heer, ik heb sommige van mijn kinderen in een
     onvruchtbaar dal dicht bij Uw heilig huis (de Kabah) gevestigd,
     onze Heer, opdat zij het gebed mogen houden. Stem het hart der
     mensen gunstig voor hen en voorzie hen van vruchten opdat zij
     dankbaar mogen zijn."

     38. "Onze Heer, Gij weet voorzeker hetgeen wij verbergen en hetgeen
     wij bekend maken. Er is niets op aarde of in de hemel voor Allah
     verborgen."

     39. "Alle lof behoort aan Allah, Die mij in weerwil van ouderdom
     Ismaël en Izaak heeft gegeven Waarlijk mijn Heer is de Verhoorder
     van het gebed."

     40. "Mijn Heer maak mij en mijn kinderen onderhouders van het
     gebed. Onze Heer, aanvaard mijn gebed."

     41. "Onze Heer, vergeef mij en mijn ouders en de gelovigen op de
     Dag waarop de afrekening zal plaatsvinden."

     42. Denk niet dat Allah achteloos is omtrent hetgeen de
     onrechtvaardigen doen. Hij geeft hun slechts uitstel tot de Dag
     waarop zij zullen staren,

     43. Met opgeheven hoofd zich voorthaastend, terwijl zij hun blik
     niet kunnen afwenden en hun hart ledig is.

     44. En waarschuw de mensen voor de Dag waarop kastijding over hen
     zal komen; dan zullen de onrechtvaardigen zeggen: "Onze Heer,
     schenk ons uitstel voor een korte periode. Wij zullen Uw roep
     beantwoorden en de boodschappers volgen." "Hebt gij voorheen niet
     gezworen, dat er voor u geen ondergang was?"

     45. En gij vertoeft thans in de woonplaatsen van degenen die
     zichzelf onrecht aandeden en het was u duidelijk geworden hoe Wij
     met hen handelden terwijl Wij de voorbeelden voor u hadden
     gegeven."

     46. En zij hadden hun plannen reeds gesmeed maar hun plannen zijn
     bij Allah, al waren hun plannen zó dat er bergen door zouden worden
     verzet.

     47. Denk derhalve niet dat Allah zal falen Zijn belofte aan Zijn
     boodschappers te houden: Allah is voorzeker Almachtig, Heer der
     Vergelding.

     48. De dag (zal komen) waarop de aarde en de hemel door een andere
     aarde en hemel zullen worden vervangen; en zij (de mensen) allen
     voor Allah, de Ene, de Opperste zullen verschijnen.

     49. En op die Dag zult gij de schuldigen in kettingen geklonken
     zien.

     50. Hun kleren zullen van pek zijn en het Vuur zal hun gezicht
     omhullen.

     51. Opdat Allah elke ziel moge vergelden voor hetgeen zij heeft
     gedaan. Voorzeker, Allah is snel in het vergelden.

     52. Dit is een aankondiging voor de mensen opdat zij er door mogen
     worden gewaarschuwd en opdat zij mogen weten dat Hij de Enige God
     is en opdat degenen die begrip hebben er lering uit mogen trekken.


     -------------------------------------------------------------------
     -----

     15. Het Rotsachtige Pad (Al-Hidjr)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 99 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. Alif Laam Raa. Dit zijn de verzen van het Boek, de duidelijke
     Koran.

     2. De ongelovigen zullen dikwijls wensen, dat zij Moslims waren.

     3. Laat hen eten en zich vermaken en laat hun ijdele hoop hen
     achteloos maken; zij zullen het weldra te weten komen.

     4. En Wij hebben nooit een stad verwoest of het besluit er toe was
     bekend gemaakt.

     5. Geen volk kan zijn vastgestelde tijd vooruitlopen noch kunnen
     zij daarbij achterblijven.

     6. En dezen zeggen: "O, gij, tot wie de vermaning is nedergezonden,
     gij zijt voorzeker bezeten."

     7. "Waarom brengt gij ons geen engelen indien gij tot de
     waarachtigen behoort?"

     8. Wij zenden alleen engelen neder met de werkelijkheid en dan
     wordt hun (de ongelovigen) geen uitstel geschonken.

     9. Voorwaar, Wij hebben deze vermaning (de Koran) nedergezonden en
     voorzeker Wij zullen er de Waker over zijn.

     10. En vóór u zonden Wij reeds (boodschappers) onder de oude
     stammen.

     11. Maar er kwam nooit een boodschapper tot hen of zij bespotten
     hem.

     12. Zo doen Wij dat in het hart der schuldigen binnendringen.

     13. Zij geloven er niet in, hoewel er het voorbeeld der vroegere
     volkeren is geweest.

     14. En indien Wij een deur van de hemel voor hen zouden openen waar
     zij door zouden klimmen,

     15. Dan zouden zij zeker zeggen: "Onze ogen zijn slechts beneveld;
     neen wij zijn veeleer een betoverd volk."

     16. En Wij hebben aan de hemel voorzeker banen (van sterren)
     gemaakt en hem voor aanschouwers versierd.

     17. En Wij hebben hem tegen elke vervloekte Satan beschermd.

     18. Maar indien iemand steelsgewijze luistert, vervolgt hem een
     heldere vlam.

     19. En Wij hebben de aarde uitgespreid, er hechte bergen op
     geplaatst en Wij doen er allerlei noodzakelijke dingen in de juiste
     maat op groeien.

     20. Waarvan Wij voor u en degenen die gij niet onderhoudt
     bestaansmiddelen verstrekken.

     21. Er is niets of de schatten er van zijn bij Ons en Wij zenden
     deze slechts in bepaalde mate neder.

     22. En Wij zenden bestuivende winden, daarna zenden Wij water uit
     de wolken neder en geven het u dan te drinken en gij zijt niet
     degenen die het vergaart.

     23. En voorwaar, Wij zijn het, die leven geven en doen sterven en
     Wij zijn de Erfgenaam.

     24. En Wij kennen degenen die onder u vooruitgaan en Wij kennen
     degenen die achterblijven.

     25. Voorzeker uw Heer zal hen allen verzamelen. Voorwaar, Hij is
     Alwijs, Alwetend.

     26. Waarlijk Wij schiepen de mens uit droge, klinkende klei, uit
     zwarte modder in vorm gewrocht.

     27. En Wij hadden voorheen de djinn uit vlammend vuur geschapen.

     28. Toen uw Heer tot de engelen zeide: "Ik ga de mens uit droge,
     klinkende klei scheppen, uit leem gewrocht."

     29. "Wanneer Ik hem daaruit heb gevormd en hem Mijn geest heb
     ingeblazen, valt dan in onderdanigheid voor hem neder."

     30. De engelen onderwierpen zich allen tezamen.

     31. Maar Iblies weigerde tot degenen te behoren die zich
     onderwierpen.

     32. Hij zeide: "O Iblies, wat hapert u dat gij niet onder degenen
     zijt die zich onderwerpen?"

     33. Hij antwoordde: "Ik ga mij niet onderwerpen aan de mens, die
     Gij uit droge, klinkende klei hebt geschapen, uit leem gemaakt."

     34. God zeide: "Ga dan heen, gij zijt voorzeker verworpen."

     35. "Mijn vloek zal tot de Dag des Oordeels op u rusten."

     36. Hij zeide: "Mijn Heer, schenk mij dan uitstel tot de Dag waarop
     zij zullen worden opgewekt."

     37. God zeide: "U wordt uitstel verleend."

     38. "Tot de Dag van de bekende tijd."

     39. Hij antwoordde: "Mijn Heer, daar Gij mij verloren hebt geacht,
     zal ik voor hen (de dingen) op aarde schoonschijnend maken en hen
     allen doen dwalen."

     40. "Met uitzondering van Uw oprechte dienaren onder hen."

     41. God zeide: "Dit is een pad, rechtstreeks tot Mij."

     42. "Gij zult over Mijn dienaren zeker geen macht hebben, met
     uitzondering van de dwalenden die u volgen."

     43. "En de hel is zeker de beloofde plaats voor hen allen."

     44. "Zij heeft zeven poorten en elke poort heeft een gedeelte
     hunner toegewezen gekregen."

     45. Voorwaar, de rechtschapenen zullen te midden van tuinen met
     bronnen zijn.

     46. "Gaat er met vlede en veiligheid binnen."

     47. En Wij zullen alle wrok uit hun hart uitroeien, op tronen
     zullen zij als broeders tegenover elkander zitten.

     48. Vermoeidheid zal hen daar niet raken noch zullen zij er van
     worden verdreven.

     49. Zeg tot Mijn dienaren dat Ik voorzeker Vergevensgezind,
     Genadevol ben.

     50. En dat Mijn straf de pijnlijke straf is.

     51. En vertel hun van Abrahams gasten.

     52. Toen zij bij hem binnentraden zeiden zij "Vrede", hij
     antwoordde: "Voorwaar, wij vrezen u."

     53. Zij zeiden: "Vreest niet, wij geven u blijde tijding over een
     zoon, die met kennis zal zijn begiftigd."

     54. Hij zeide: "Geeft gij mij blijde tijding hoewel de ouderdom mij
     heeft achterhaald? Wat is het dan, waarover gij mij blijde tijding
     geeft?"

     55. Zij zeiden: "Wij hebben u inderdaad in waarheid blijde tijding
     gegeven, behoor dus niet tot hen die wanhopen."

     56. Hij zeide: "Wie kunnen aan de genade van hun Heer wanhopen, dan
     de dwalenden?"

     57. Hij zeide: "Wat is uw taak, o gij boodschappers?"

     58. Zij zeiden: "Wij zijn naar een schuldig volk gezonden."

     59. Doch wat de familie van Lot betreft, hen zullen Wij allen
     redden."

     60. "Behalve zijn vrouw. Wij hebben besloten, dat zij tot degenen
     zal behoren die achterblijven."

     61. Toen de boodschappers tot de familie van Lot kwamen,

     62. Zeide hij: "Voorwaar, gij zijt een groep vreemdelingen."

     63. Zij zeiden: "Neen, wij zijn met hetgeen waarover zij (de
     ongelovigen) twijfelden tot u gekomen."

     64. "En wij zijn met de waarheid tot u gekomen en wij spreken zeker
     de waarheid.

     65. Ga daarom gedurende de nacht met uw familie weg en volg achter
     hen. En laat niemand uwer omkijken en gaat waarheen u is bevolen."

     66. En Wij deelden hem dit gebod mede dat hun levenswortel tegen de
     morgen zou worden afgesneden.

     67. En de mensen der stad kwamen verheugd.

     68. Hij zeide: "Dit zijn mijn gasten maakt mij daarom niet te
     schande."

     69. "En vreest Allah en onteert mij niet."

     70. Zij zeiden; "Hebben wij u niet verboden de mensen (te
     ontvangen)?"

     71. Hij zeide: "Dit zijn mijn dochters als gij iets wilt doen."

     72. Bij uw leven, dezen zwerven in hun bedwelming blindelings rond.

     73. Dus overviel de straf hen bij zonsopgang.

     74. En Wij keerden de stad ondersteboven en Wij deden brokken klei
     over hen regenen.

     75. Hierin zijn voorzeker tekenen voor hen die onderzoeken.

     76. En zij ligt aan een bestaande weg.

     77. Hierin is voorzeker een teken voor hen die (willen) geloven.

     78. En de mensen van het Woud waren eveneens onrechtvaardig.

     79. Wij straften hen daarom. En zij liggen beiden aan een open
     hoofdweg.

     80. En ook het volk van de Hidjr verloochende de boodschappers.

     81. En Wij gaven hun Onze tekenen, maar zij keerden er zich van af.

     82. En zij hieuwen tot veiligheid huizen in de bergen uit.

     83. Toch greep de straf hen in de morgen.

     84. En al hetgeen zij hadden vervaardigd baatte hen niet.

     85. En Wij hebben de hemelen en de aarde en al hetgeen er tussen is
     in waarheid geschapen en het Uur zal zeker komen. Wend u daarom op
     passende wijze (van hen) af.

     86. Voorwaar, uw Heer is de Schepper, de Alwetende.

     87. En Wij hebben u inderdaad de zeven dikwijls herhaalde verzen en
     de grote Koran gegeven.

     88. Richt uw ogen niet naar hetgeen Wij sommige groepen hunner (aan
     goeds) hebben geschonken noch treur over hen en wees zachtmoedig
     jegens de gelovigen.

     89. En zeg: "Ik ben inderdaad een duidelijk waarschuwer."

     90. Want wij hebben besloten (de straf) tegen de samenzweerders te
     zenden.

     91. Die de Koran verloochenen.

     92. Bij uw Heer, Wij zullen hen voorzeker allen ondervragen

     93. Over hetgeen zij deden.

     94. Verkondig daarom openlijk hetgeen u is bevolen en wend u van de
     afgodendienaren af.

     95. Wij zijn u zeker toereikend tegen degenen die bespotten,

     96. Die andere goden met Allah vereenzelvigen; maar zij zullen het
     weldra te weten komen.

     97. En Wij weten inderdaad dat uw boezem benauwd wordt vanwege
     hetgeen zij zeggen.

     98. Maar verheerlijk uw Heer met de lof die Hem toekomt en behoor
     tot degenen die zich ter aarde werpen.

     99. En aanbid uw Heer totdat de dood u bereikt.


     -------------------------------------------------------------------
     -----

     16. De Bij (An-Nahl)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 128 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. Het gebod van Allah is komende, verhaast het daarom niet. Heilig
     is Hij en verheven boven al hetgeen zij met Hem vereenzelvigen.

     2. Hij zendt door Zijn gebod engelen met een Openbaring neder tot
     wie van Zijn dienaren Hij wil (zeggende): "Waarschuwt, dat er
     buiten Mij geen God is, vreest daarom Mij alleen."

     3. Hij heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen. Verheven
     is Hij boven al hetgeen zij met Hem vereenzelvigen.

     4. En Hij heeft de mens uit een levenskiem geschapen, maar ziet
     deze is een openlijke redetwister.

     5. En het vee heeft Hij geschapen, waarvan gij warmte en nut hebt
     terwijl gij er ook van als voedsel gebruikt.

     6. En er is schoonheid in voor u wanneer gij het 's avonds naar
     huis drijft en wanneer gij het 's morgens laat weiden.

     7. En zij dragen uw lasten naar een land, dat gij niet zonder grote
     moeilijkheid (voor uzelf) zoudt kunnen bereiken. Voorzeker, uw Heer
     is Liefderijk, Genadevol.

     8. En paarden en muildieren en ezels (heeft Hij) geschapen opdat
     gij er op moogt rijden en tot sieraad (voor u). En Hij zal ook wat
     gij nog niet kent, scheppen.

     9. En bij Allah berust het, de rechte weg (te tonen) en er zijn
     wegen die afwijken. En als Hij wilde, zou Hij u allen hebben
     geleid.

     10. Hij is het, Die water voor u uit de wolken zendt, gij hebt er
     drank van en het doet bomen groeien, waarmede gij uw vee voedert.

     11. En Hij doet daarmede koren voor u groeien, de olijf, de
     dadelpalm, de druiven en allerlei andere vruchten. Daarin is
     voorzeker een teken voor een volk dat nadenkt.

     12. Hij heeft door Zijn gebod de nacht, de dag, de zon, de maan en
     de sterren in uw dienst gesteld. Voorzeker daarin zijn tekenen voor
     een volk dat overweegt.

     13. En in de dingen, die Hij in verscheidene kleuren op aarde voor
     u heeft geschapen is voorzeker een teken voor een volk dat er
     lering uit wil trekken.

     14. En Hij is het, Die de zee tot uw beschikking heeft gesteld
     opdat gij er vers vlees van moogt eten en er sieraden uit moogt
     nemen die gij draagt. En gij ziet er de schepen over varen opdat
     gij van Zijn overvloed moogt zoeken en dankbaar moogt zijn.

     15. En Hij heeft hechte bergen op de aarde geplaatst opdat gij niet
     geschokt zult worden en rivieren en paden opdat gij de juiste weg
     moogt inslaan.

     16. En merktekenen en door de sterren vinden zij (de mensen) de
     juiste richting.

     17. Is dan Hij, Die schept gelijk aan iemand die niet schept? Wilt
     gij dan er geen lering uit trekken?

     18. En indien gij de gunsten Van Allah wilt opsommen, kunt gij dat
     stellig niet doen. Voorzeker, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.

     19. En Allah weet wat gij verbergt en wat gij openbaart.

     20. Maar degenen, die zij naast Allah aanroepen, scheppon niets,
     want zij zijn zelf geschapen,

     21. Dood en niet levend, en zij weten niet wanneer zij zullen
     worden opgewekt.

     22. Uw God is Eén God. En zij die in het Hiernamaals niet geloven
     hun hart is vervreemd (van waarheid) en zij zijn hoogmoedig.

     23. Allah weet ongetwijfeld wat zij verbergen en wat zij openbaren.
     Hij heeft de hovaardigen voorzeker niet lief.

     24. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Wat heeft uw Heer
     geopenbaard?", zeggen zij: "Het zijn slechts fabelen der ouden."

     25. Dat zij op de Dag der Opstanding hun last ten volle mogen
     dragen en een gedeelte der last van degenen die zij zonder kennis
     doen dwalen. Ziet! slecht is hetgeen zij dragen.

     26. Degenen, die vóór hen waren, smeedden ook plannen, maar Allah
     vernietigde hun gebouw tot in de grondvesten zodat het dak van
     boven op hen viel; en de straf kwam over hen vanwraar zij het niet
     vermoedden.

     27. Dan zal Hij hen op de Dag der Opstanding vernederen en Hij zal
     zeggen: "Waar zijn Mijn medegoden, ter wille van wie gij placht te
     strijden?" Degenen, die met kennis zign begiftigd zullen
     antwoorden: "Schande en kwelling zullen deze Dag voorzeker over de
     ongelovigen zijn."

     28. "Degenen, die de engelen doen sterven terwijl zij hun ziel
     onrecht aandoen zullen onderdanigheid aanbieden (en zeggen): "Wij
     deden geen kwaad." Neen, Allah weet, wat gij deedt.

     29. Gaat daarom de poorten der hel binnen en vertoeft er in. Het
     tehuis der hovaardigen is slecht.

     30. En wordt er tot degenen, die rechtvaardig handelden gezegd:
     "Wat heeft uw Heer geopenbaard?", dan zullen zij zeggen: "Het
     beste." Er is voor degenen, die goed doen, goeds in deze wereld
     doch het tehuis van het Hiernamaals is nog beter. Het tehuis der
     godvrezenden is inderdaad uitstekend.

     31. Tuinen der eeuwigheid zullen zij binnengaan, waardoor rivieren
     vloeien. Zij zullen er in ontvangen wat zij wensen. Zo beloont
     Allah de rechtvaardigen.

     32. Tot degenen, die de engelen doen sterven terwijl zij rein zijn,
     wordt gezegd: "Vrede zij u. Gaat de hemel binnen voor hetgeen gij
     deedt."

     33. Zij (de ongelovigen) wachten op niets anders dan dat de engelen
     over hen komen of dat het gebod van uw Heer zal worden uitgevoerd.
     Degenen, die vóór hen waren deden dat evenzo. Allah deed hun geen
     onrecht aan, maar zij deden zichzelf onrecht aan.

     34. Het boze dat zij deden trof hen en wat zij bespotten overviel
     hen.

     35. De afgodendienaren zeggen: "Als Allah het zo had gewild zouden
     wij niets buiten Hem hebben aanbeden, wij noch onze vaderen; noch
     zouden wij iets buiten Zijn wil hebben verboden." Degenen, die vóór
     hen waren handelden evenzo. Maar zijn de boodschappers voor iets
     anders verantwoordelijk dan voor de duidelijke verkondiging?

     36. En voorzeker Wij wekten onder elk volk een boodschapper op,
     "Aanbidt Allah en vermijdt de boze." Toen waren er sommigen onder
     hen die Allah leidde en er waren sommigen die bleven dwalen. Reist
     daarom op aarde rond en ziet wat het einde was der loochenaars.

     37. Als gij (profeet) begerig zijt dat zij geleid zullen worden,
     weet dan dat Allah voorzeker degenen niet leidt, die (zich zelve)
     doen dwalen. Voor dezulken zijn er geen helpers.

     38. En zij zweren bij Allah hun sterkste eden, dat Allah de doden
     niet zal doen herrijzen. Waarlijk het is een ware belofte maar de
     meeste mensen weten het niet.

     39. Opdat Hij het hun duidelijk moge maken waarover zij verschilden
     en dat de ongelovigen mogen weten dat zij leugenaars waren.

     40. Wanneer Wij iets willen, dan zeggen Wij slechts: "Wees", en het
     wordt.

     41. En degenen, die (hun) huizen ter wille van Allah hebben
     verlaten, nadat hun onrecht was aangedaan, Wij zullen hun voorzeker
     een goed tehuis in de wereld geven; waarlijk de beloning van het
     Hiernamaals is groter; wisten zij het slechts!

     42. (Voor) hen, die geduldig zijn en hun vertrouwen in hun Heer
     stellen.

     43. En Wij zonden vóór u, slechts mannen aan wie Wij een openbaring
     gaven - vraagt daarom aan degenen, die de vermaning bezitten als
     gij het niet weet - met duidelijke tekenen en geschriften.

     44. En Wij hebben de vermaning tot u gezonden, opdat gij aan het
     mensdom moogt uitleggen hetgeen tot hen werd nedergezonden, zodat
     zij mogen nadenken.

     45. Voelen degenen die boze plannen verzinnen, zich er dan veilig
     tegen dat Allah hen in de grond zal doen verzinken, of dat de straf
     over hen zal komen vanwaar zij het niet bemerken?

     46. Of dat Hij hen in hun handel en wandel zal treffen, zonder dat
     zij het kunnen verijdelen?

     47. Of dat Hij hen geleidelijk ten onder zal brengen? Uw Heer is
     inderdaad Medelijdend, Genadevol.

     48. Hebben zij niet gezien dat de schaduwen van al hetgeen Allah
     heeft geschapen zich van rechts en links bewegen en zich voor Allah
     nederwerpen terwijl zij nederig zijn.

     49. En wat ook in de Hemelen is en welk schepsel ook op aarde
     bestaat onderwerpt zich aan Allah alsmede de engelen, en zij
     (allen) tonen geen hoogmoed.

     50. Zij vrezen hun Heer boven hen en doen wat hun bevolen wordt.

     51. Allah heeft gezegd: "Neemt geen twee goden. Er is slechts Eén
     God. Vreest daarom Mij alleen."

     52. En aan Hem behoort hetgeen in de hemelen en op aarde is en Hem
     is voortdurende gehoorzaamheid verschuldigd. Wilt gij dan iets
     buiten Allah vrezen?

     53. Welke zegeningen gij ook ontvangt, zij komen van Allah. En
     wanneer een kwelling over u komt, is het tot Hem dat gij om hulp
     roept.

     54. Wanneer Hij dan uw kwelling van u verwijdert, ziet, dan
     vereenzelvigt een deel uwer andere (Goden) met hun Heer.

     55. Zodat zij ondankbaar zijn voor hetgeen Wij hun hebben
     geschonken. Geniet dan en weldra zult gij te weten komen.

     56. En zij bestemmen een gedeelte van wat Wij hun hebben geschonken
     voor datgene, waarvan zij geen kennis hebben. Bij Allah, gij zult
     zeker ondervraagd worden over al hetgeen gij hebt verzonnen.

     57. En zij schrijven dochters aan Allah toe - Heilig is Hij - en
     zichzelf wat zij wensen (zonen).

     58. En wanneer aan één hunner (de geboorte) van een meisje wordt
     gemeld, verduistert zijn gezicht en hij is vol toorn.

     59. Hij verbergt zich voor het volk vanwege het slechte nieuws dat
     hem is aangekondigd; zal hij haar in weerwil van schande behouden
     of haar in het stof begraven? Voorwaar, slecht is hetgeen zij
     besluiten.

     60. Het kenteken van degenen die niet in het Hiernamaals geloven is
     slecht, terwijl Allah's kenteken het beste is, Hij is de
     Almachtige, de Alwijze.

     61. En indien Allah de mensen voor hun onrechtvaardigheid zou
     straffen, zou Hij geen levend schepsel op aarde achterlaten, maar
     Hij geeft hun uitstel tot een vastgestelde termijn, en wanneer hun
     tijd is gekomen kunnen zij deze niet voor een enkel uur uitstellen
     of vervroegen.

     62. En zij schrijven aan Allah toe waar zij niet van houden
     (dochters); hun tong spreekt leugen, nl. dat hun het beste gewordt.
     Ongetwijfeld komt het vuur hun toe waaraan zij zullen worden
     overgeleverd.

     63. Bij Allah, Wij zonden (boodschappers) tot de volkeren die vóór
     u waren; maar Satan deed hun werken voor hen schoon schijnen.
     Daarom is hij nu (in deze wereld) hun vriend en (in het
     Hiernamaals) zullen zij een smartelijke straf ontvangen.

     64. En Wij hebben alleen dit Boek tot u nedergezonden, opdat gij
     hun hetgeen waarover zij verschillen moogt uitleggen en tevens als
     leiding en barmhartigheid voor de mensen die geloven.

     65. En Allah heeft water uit de hemel nedergezonden en er de aarde
     na haar dood mee opgewekt. Daarin is voorzeker een teken voor een
     volk, dat wil luisteren,

     66. Ook het vee bevat voorzeker een les voor u. Wij geven u van
     hetgeen in hun buik is, van tussen het uitwerpsel en het bloed,
     n.l. melk, zuiver en aangenaam voor degenen die drinken,

     67. En van de vrucht der dadelpalmen en druiven maakt gij een
     bedwelmende drank en een goed voedsel. Voorwaar, daarin is een
     teken voor een volk dat zijn verstand gebruikt.

     68. En uw Heer heeft de bij bezield, (zeggende): "Maakt huizen in
     de heuvels en in de bomen en in hetgeen men bouwt."

     69. "Eet dan van alle soorten vruchten en volgt onderdanig de wegen
     van uw Heer." Er komt uit hun buik een vloeistof (honing) van
     verschillende tinten voort waarin genezing is voor de mens.
     Voorzeker, daarin is een teken voor een volk dat nadenkt.

     70. En Allah schept u, dan doet Hij u sterven, en er zijn sommigen
     onder u die een hoge ouderdom bereiken, waardoor zij na kennis te
     hebben vergaard, niets meer weten. Voorzeker, Allah is Alwetend,
     Almachtig.

     71. En Allah heeft sommigen uwer boven anderen in levensonderhoud
     bevoorrecht. Maar degenen die Hij bevoordeelde geven hun bezit niet
     aan hun ondergeschikten, zodat deze er gelijk in zullen worden.
     Willen zij de gunst van Allah dan verloochenen?

     72. En Allah heeft uit uw midden echtgenoten voor u gemaakt en
     heeft u van uw echtgenoten kinderen en kleinkinderen geschonken en
     u van goede dingen voorzien. Willen zij dan in valse dingen geloven
     en de gunst van Allah verloochenen?

     73. En zij aanbidden naast Allah dingen (afgoden) die over hun
     levensonderhoud van de hemelen of van de aarde in het geheel niet
     beschikken, noch enige macht bezitten.

     74. Sehrijf daarom geen gelijken aan Allah toe. Voorzeker Allah
     weet (alles), en gij weet niets.

     75. Allah geeft de gelijkenis van een slaaf, die nergens macht over
     heeft; en van iemand die Wij van een ruim levensonderhnud hebben
     voorzien, die er heimelijk en openlijk van besteedt. Zijn zij
     gelijk? Alle lof komt Allah toe! Maar de meesten hunner weten het
     niet.

     76. En Allah geeft een gelijkenis van twee mannen: een hunner is
     stom, heeft nergens macht over en is een last voor zijn meester;
     waar hij hem ook heenzendt, hij brengt (hem) niets goeds mee. Kan
     deze gelijk zijn aan hem die rechtvaardigheid gelast en die zelf op
     het rechte pad is?

     77. En aan Allah behoort het Onzichtbare van de hemelen en van de
     aarde. En het geval van het Uur is als een oogwenk, neen, het is
     nog sneller. Voorzeker, Allah heeft macht over alle dingen.

     78. En Allah bracht u terwijl gij niets wist, uit de baarmoeder van
     uw moeder voort en gaf u oren, ogen en hart, opdat gij dankbaar
     moogt zijn.

     79. Zien zij niet, dat de vogelen in het gewelf van de hemel in
     onderdanigheid worden gehouden? Niemand houdt ze tegen dan Allah.
     Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat wil geloven.

     80. En Allah heeft van uw huizen een rustplaats voor u gemaakt, ook
     heeft Hij van de huiden van het vee woonplaatsen voor u gemaakt die
     gij licht vindt, op de tijd waarop gij reist en op de tijd waarop
     gij halt maakt; en van hun wol, hun vachten en hun haar maakt gij
     meubelen en gebruiksartikelen, voor een (bepaalde) tijd.

     81. En Allah heeft van hetgeen Hij heeft geschapen dingen voor u
     gemaakt die schaduw geven, en Hij heeft in de bergen schuilplaatsen
     voor u gemaakt; Hij heeft klederen voor u gemaakt die u tegen hitte
     beschermen en harnassen die u in uw oorlogen beschermen. Zo
     volmaakt Hij Zijn gunsten aan u, opdat gij u moogt onderwerpen.

     82. Maar indien zij zich afwenden zijt gij (de profeet) alleen voor
     de duidelijke verkondiging verantwoordelijk.

     83. Zij erkennen de gunst van Allah en toch verloochenen zij deze;
     de meesten hunner zijn ongelovigen.

     84. En de dag, waarop Wij uit elk volk een getuige zullen opwekken
     zal het degenen die niet geloven, niet worden toegestaan (zich te
     verontschuldigen), noch zal hun worden toegestaan naar Gods gunst
     te dingen.

     85. En wanneer degenen die kwaad verrichten de straf in
     werkelijkheid zien, zal deze voor hen niet worden verlicht noch zal
     hun uitstel worden verleend.

     86. En wanneer de afgodendienaren hun afgoden zullen zien, zullen
     zij zeggen: "Onze Heer, dezen zijn onze goden, die wij buiten u
     aanbaden." Maar zij (afgoden) zullen tegenwerpen: "Gij zijt
     voorzeker leugenaars."

     87. En op die dag zullen zij aan Allah onderwerping aanbieden en al
     hetgeen zij verzinnen zal hun falen.

     88. Degenen die verwerpen en anderen van de weg van Allah afhouden
     - Wij zullen straf bij hun straf voegen omdat zij onheil stichtten.

     89. En (gedenk) de dag waarop Wij onder elk volk een getuige tegen
     hen uit hun midden zullen verwekken en u (profeet) als getuige
     tegen dezen zullen brengen. Wij hebben u het Boek nedergezonden,
     alles verklarend, als leiding, barmhartigheid en blijde tijding
     voor hen die zich onderwerpen.

     90. Voorwaar, Allah gelast u goed met goed (te vergelden) en wel te
     doen aan anderen en te geven als aan verwanten; en verbiedt
     onbetamelijkheid, kwaad en opstand. Hij raadt u aan dat gij er
     lering uit trekt.

     91. En vervult het verbond met Allah, wanneer gij een verbond
     sluit; en breekt geen eden na hun bekrachtiging, terwijl gij Allah
     tot uw Borg hebt gemaakt. Voorzeker, Allah weet wat gij doet.

     92. En weest niet zoals zij die haar garen in stukken breekt nadat
     zij het sterk heeft gemaakt. Gij maakt uw eden onderling tot een
     middel van bedrog, uit vrees dat het ene volk machtiger dan het
     andere zou worden. Voorzeker, Allah beproeft u daarmee en op de Dag
     der Opstanding zal Hij het u duidelijk maken waarover gij
     verschildet.

     93. En als Allah had gewild, zou Hij u voorzeker tot één volk
     hebben gemaakt; maar Hij laat hem die wil, dwalen en leidt hem die
     dit wenst, en gij zult zeker worden ondervraagd betreffende hetgeen
     gij doet.

     94. En maakt uw eden niet tot een middel van bedrog onder elkander;
     anders zal uw voet uitglijden nadat hij stevig heeft gestaan en gij
     zult het kwade ondergaan omdat gij ook anderen van het pad van
     Allah hebt afgehouden; en er zal voor U een strenge straf zijn.

     95. En verkoopt het verbond van Allah niet voor een geringe prijs.
     Hetgeen bij Allah is, is voorzeker beter voor u, wist gij het
     slechts.

     96. Hetgeen gij hebt, zal voorbijgaan maar hetgeen bij Allah is, is
     blijvend. En Wij zullen degenen die standvastig zijn, voorzeker hun
     beloning geven naar het beste van wat zij doen.

     97. Die juist handelt, hetzij man of vrouw en een gelovige is, hun
     zullen Wij voorzeker een goed leven schenken; en gewis zullen Wij
     hen belonen naar hun beste werken.

     98. En wanneer gij de Koran voordraagt, zoekt dan uw toevlucht tot
     Allah tegen Satan de verworpene.

     99. Voorzeker hij heeft geen macht over degenen die geloven en die
     vertrouwen in hun Heer stellen.

     100. Zijn macht heerst alleen over degenen die met hem vriendschap
     aanknopen en die anderen met God vereenzelvigen.

     101. En wanneer Wij het ene teken in plaats van het andere brengen
     - en Allah weet het beste wat Hij openbaart - zeggen zij: "Gij
     verzint slechts." Neen de meesten hunner weten het niet.

     102. Zeg: "De Geest van heiligheid heeft het van uw Heer met
     waarheid nedergebracht, opdat Hij degenen die geloven, moge
     versterken en als leiding en blijde tijding voor hen die zich
     onderwerpen."

     103. En Wij weten inderdaad dat zij zeggen dat het slechts een man
     is, die hem (de profeet) onderwijst. De taal van hem die zij
     bedoelen is vreemd, terwijl dit de duidelijke Arabische taal is.

     104. Degenen die in de tekenen van Allah niet geloven, Allah zal
     hen voorzeker niet leiden en er zal voor hen een smartelijke straf
     zijn.

     105. Voorzeker slechts zij verzinnen leugens die in de tekenen van
     Allah niet geloven; zij zijn de leugenaars.

     106. Wie Allah verwerpt, na te hebben geloofd - behalve hij die
     wordt gedwongen terwijl zijn hart in het geloof vrede blijft vinden
     - en zijn hart voor het ongeloof opent, op hem rust Allah's toorn;
     en er zal een grote straf voor hem zijn.

     107. Dit komt doordat zij het tegenwoordige leven boven het
     Hiernamaals hebben verkozen, en omdat Allah het ongelovige volk
     niet leidt.

     108. Dezen zijn het op wier hart, oren en ogen Allah een zegel
     heeft gelegd. En dezen zijn de achtelozen.

     109. Dit zullen ongetwijfeld in het Hiernamaals de verliezers zijn.

     110. Dan is uw Heer voorzeker voor degenen die ontvluchten, nadat
     zij worden vervolgd en ter wille van Allah hun best doen en geduld
     tonen, Vergevensgezind, Genadevol.

     111. De dag waarop elke ziel voor zichzelf komt pleiten, dan zal
     elke ziel ten volle worden vergoed voor hetgeen zij deed en haar
     zal geen onrecht worden aangedaan.

     112. En Allah geeft de gelijkenis van een stad, die in rust en
     vrede was en wier voorziening in overvloed van alle kanten tot haar
     kwam; maar zij was ondankbaar voor de gunsten van Allah en daarom
     deed Allah honger en vrees over haar komen voor hetgeen zij deed.

     113. En er was inderdaad een boodschapper uit hun midden tot hen
     gekomen maar zij verloochenden hem, en daarom achterhaalde hen de
     straf, terwijl zij onrecht begingen.

     114. Eet daarom van de wettige goede dingen waarvan Allah u heeft
     voorzien; en weest dankbaar voor de gunst van Allah, indien gij Hem
     alleen aanbidt.

     115. Hij heeft alleen het gestorvene, bloed, varkensvlees en
     hetgeen waarover de naam van een ander dan Allah is aangeroepen
     voor u verboden. Maar voor hem, die door noodzaak wordt gedreven
     (om te eten) terwijl hij niet wil, noch de grens wil overschrijden,
     is Allah voorzeker Vergevensgezind, Genadevol.

     116. En zegt niet - vanwege de leugens die uw tong spreekt - "Dit
     is wettig en dat is onwettig.", om een leugen tegen Allah te
     verzinnen. Degenen, die een leugen tegen Allah verzinnen, slagen
     nooit.

     117. Een kort vermaak, maar er zal een smartelijke straf voor hen
     zijn.

     118. En Wij verboden voordien de Joden al hetgeen Wij u hebben
     vermeld. En Wij deden hun geen onrecht aan doch zij handelden
     onrechtvaardig jegens zichzelf.

     119. Uw Heer is voorzeker - voor degenen die in onwetendheid kwaad
     doen, en daarna berouw hebben en goed maken - Vergevensgezind,
     Genadevol.

     120. Abraham was inderdaad een voorbeeld van deugd, oprecht,
     gehoorzaam aan Allah en hij behoorde niet tot de afgodendienaren.

     121. Dankbaar voor Zijn gunsten; Hij verkoos hem en leidde hem naar
     het rechte pad.

     122. En Wij schonken hem het goede in deze wereld en in het
     Hiernamaals zal hij zeker tot de rechtvaardigen behoren.

     123. Dan hebben Wij u (Mohammed) geopenbaard, "Volg de weg van
     Abraham, de oprechte, die geen afgodendienaar was."

     124. De Sabbat was alleen aan degenen opgelegd, die daaromtrent van
     mening verschilden; en op de Dag der Opstanding zal uw Heer
     voorzeker onder hen rechten omtrent hetgeen waarover zij
     verschillen.

     125. Roep tot de weg van uw Heer met wijsheid en goede raad en
     redetwist met hen op een gepaste wijze. Voorzeker uw Heer weet het
     beste wie van Zijn weg is afgedwaald; en Hij kent degenen goed die
     juist geleid zijn.

     126. En indien gij vergeldt, doe dit dan naar mate u onrecht werd
     aangedaan; maar als gij geduld toont dan is dat voorzeker het beste
     voor degenen die geduldig zign.

     127. En wees geduldig, voorwaar uw geduld is alleen met de hulp van
     Allah (mogelijk). En treur niet over hen (de ongelovigen), noch
     maak u ongerust over hun plannen.

     128. Voorwaar, Allah is met degenen, die (God) vrezen en goeddoen.


     -------------------------------------------------------------------
     -----

     17. De Nachtelijke Tocht, De Kinderen van Israël (Al-Israa, Banie
     Israa'iel)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     < Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 111 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. Heilig is Hij Die Zijn dienaar bij nacht voerde van de Heilige
     Moskee naar de Verre Moskee welker omgeving Wij hebben gezegend,
     opdat Wij hem enkele Onzer tekenen zouden tonen. Voorwaar, Hij is
     de Alhorende, de Alziende.

     2. Wij gaven Mozes het Boek en maakten het tot een richtsnoer voor
     de kinderen van Israël, zeggende: "Neemt niemand buiten Mij als
     Voogd."

     3. "O, nageslacht dergenen die Wij met Noach (in de Ark) droegen!
     Hij was inderdaad een dankbare dienaar."

     4. En Wij maakten aan de kinderen van Israël in het Boek bekend:
     "Voorwaar, tweemaal zult gij op de aarde verderf teweeg brengen en
     voorzeker zult gij uitermate aanmatigend worden."

     5. Toen dan ook de tijd voor de eerste van de twee bedreigingen
     kwam, zonden Wij Onze dienaren, toegerust met grote macht tegen u
     uit, die de huizen binnendrongen; dit was een belofte die in
     vervulling ging.

     6. Nadien gaven Wij u macht over hen en Wij hielpen u met
     rijkdommen en kinderen, en maakten u groter in getal.

     7. (Zeggende) "Indien gij goed doet, doet gij goed voor uzelf; en
     indien gij kwaad doet, is het tegen uzelf. En toen de tijd was
     gekomen voor de tweede (bedreiging), zonden Wij (andere volkeren)
     om u met schande te treffen zodat zij de Moskee zouden
     binnendringen zoals zij er de eerste keer binnen gingen om alles
     wat zij veroverd hadden te verwoesten."

     8. "Het kan zijn dat uw Heer u barmhartigheid zal tonen; doch
     indien gij terugkeert, zullen Wij ook terugkeren en Wij hebben de
     hel tot een kerker voor de ongelovigen gemaakt."

     9. Voorzeker, deze Koran voert tot datgene wat juist is; en geeft
     aan gelovigen die goede werken verrichten de blijde tijding, dat
     zij een grote beloning zullen ontvangen.

     10. En dat Wij voor degenen die niet geloven in het Hiernamaals een
     smartelijke straf zullen bereiden.

     11. De mens vraagt om het kwade gelijk hij om het goede vraagt; en
     de mens is haastig.

     12. En Wij hebben de nacht en de dag gemaakt tot twee tekenen, het
     teken van de nacht hebben Wij donker en het teken van de dag hebben
     Wij licht gemaakt, opdat gij overvloed moogt zoeken van uw Heer en
     opdat gij de jaren kunt tellen en (de tijd kunt) berekenen. En Wij
     hebben alles duidelijk verklaard.

     13. En de werken van ieder mens hebben Wij om zijn hals gehangen;
     en op de Dag der Verrijzenis zullen Wij voor hem een boek brengen
     en hij zal het opengeslagen zien.

     14. "Lees het boek. Uw eigen ziel is op deze dag als rekenaar tegen
     uzelf voldoende."

     15. Degene die de rechte weg volgt, volgt deze slechts voor zijn
     eigen heil en hij die dwaalt, dwaalt alleen tegen zichzelf. En geen
     lastdrager zal de last dragen van een ander. En Wij straffen nimmer
     voordat Wij een boodschapper hebben gezonden.

     16. En wanneer Wij Ons voornemen een stad te verwoesten, zenden Wij
     Ons gebod tot haar machthebbers, maar zij overtreden dit, derhalve
     wordt de verordening tegen haar van kracht, en verwoesten Wij haar
     geheel.

     17. Hoevele geslachten hebben Wij niet verdelgd na Noach! Voldoende
     kent en ziet uw Heer de zonden van Zijn dienaren.

     18. Voor een ieder die het wereldse verkiest haasten Wij ons het te
     verschaffen aan wie Wij willen en wat Wij willen, daarna kennen Wij
     hem de hel toe waarin hij zal branden, vernederd en verworpen.

     19. En een ieder die het Hiernamaals begeert en er naar streeft
     zoals er naar gestreefd behoort te worden terwijl hij een gelovige
     is, deze is het wiens streven zal worden beloond.

     20. Aan iedereen - zowel aan dezen als genen - verstrekken Wij onze
     gaven. De gaven van uw Heer zijn niet beperkt.

     21. Zie, hoe Wij sommigen hunner hebben doen uitblinken boven
     anderen; voorwaar, het Hiernamaals is groter in waardigheid en
     uitmuntendheid.

     22. Stel geen andere god naast Allah, anders zult gij vernederd en
     verlaten nederzitten.

     23. Uw Heer heeft u bevolen, zeggende: "Aanbidt niemand anders dan
     Mij en betoont vriendelijkheid jegens de ouders. Indien één hunner
     bij u een hoge leeftijd bereikt of beiden doen dit, zeg dan nimmer
     tot hen "Foei" noch stoot hen af, doch spreek tot hen een
     welgevallig woord.

     24. En wees teder voor hen in erbarming. En zeg: "Mijn Heer,
     ontferm u over hen daar zij mij opvoedden toen ik jong was."

     25. Uw Heer weet het best, wat in uw gedachten is; indien gij goed
     zijt dan voorwaar is Hij Vergevensgezind jegens degenen die zich
     bekeren.

     26. Geef de verwanten, de armen en de reiziger het hun toekomende,
     maar verkwist niet.

     27. Voorwaar, de verkwisters zijn de broeders der duivelen en de
     duivel is ondankbaar jegens zijn Heer.

     28. En indien gij u van hen afwendt zoekende de barmhartigheid van
     uw Heer waarop gij hoopt, spreek tot hen een vriendelijk woord.

     29. En houd uw hand niet op uw zak, noch open haar al te wijd,
     anders zult gij nederzitten in zelfverwijt en spijt.

     30. Voorwaar, uw Heer vergroot en beperkt het levensonderhoud voor
     wie het Hem behaagt. Voorzeker Hij kent en ziet Zijn dienaren goed.

     31. En doodt uw kinderen niet uit vrees voor armoede. Wij zijn het
     die in hun behoeften en in de uwe voorzien. Voorwaar, hen te doden
     is een grote zonde.

     32. En houdt u verre van overspel; want het is een afschuwelijke
     zaak en een slechte weg.

     33. En doodt niemand die Allah heilig heeft verklaard, tenzij het
     met recht geschiedt. En wie onrechtvaardig is gedood, aan diens
     erfgenaam hebben Wij zeker gezag verleend, doch laat hem bij het
     doden niet buitensporig zijn, want hij wordt (door de wet)
     gesteund.

     34. En raakt het eigendom van de wees niet aan dan op de beste
     wijze tot hij zijn meerderjarigheid heeft bereikt. En vervult het
     verbond; want gij zult omtrent het verbond worden ondervraagd.

     35. En geeft volle maat wanneer gij meet en weegt met een zuivere
     weegschaal; dat is goed en uiteindelijk het beste.

     36. En volgt niet datgene waarvan gij geen kennis bezit. Voorwaar,
     het oor, oog en het hart - al deze zullen worden ondervraagd.

     37. En wandel niet hoogmoedig op aarde rond want gij kunt de aarde
     niet doen splijten, noch kunt gij de bergen in hoogte evenaren.

     38. Het kwade van dit alles is verwerpelijk in de ogen van uw Heer.

     39. Dit is hetgeen uw Heer u van de wijsheid heeft geopenbaard. En
     stel naast Allah geen andere god aan, anders zult gij in
     zelfverwijt verworpen in de Hel terechtkomen.

     40. Heeft dan uw Heer u bevoorrecht met zonen en Zelf dochters
     gekozen uit het midden der engelen? Voorzeker gij spreekt een groot
     woord.

     41. Wij hebben het in deze Koran herhaaldelijk uiteengezet, opdat
     zij er lering uit zouden trekken, doch dit doet hen slechts in
     afkeer toenemen.

     42. Zeg: "Waren er zoals gij zegt andere goden met Hem geweest, dan
     zouden dezen ongetwijfeld een weg hebben gezocht naar de Heer van
     de Troon.

     43. Heilig is Hij, hoog verheven, boven hetgeen zij zeggen.

     44. De zeven hemelen en de aarde en degenen die daarin vertoeven
     prijzen Zijn heerlijkheid. En daar is niets dat Hem niet met de lof
     die Hem toekomt verheerlijkt; doch gij begrijpt hun verheerlijking
     niet. Voorwaar, Hij is Verdraagzaam, Vergevensgezind.

     45. En wanneer gij de Koran voorleest, plaatsen Wij tussen u en
     degenen die niet in het Hiernamaals geloven een verborgen sluier;

     46. En Wij leggen een bedekking over hun hart en doofheid in hun
     oren zodat zij het niet kunnen begrijpen. En wanneer gij in de
     Koran uw Heer - de Enige - noemt, wenden zij u in afkeer de rug
     toe.

     47. Wij weten het best waar zij op letten terwijl zij naar u
     luisteren, en wanneer zij in het geheim beraadslagen en wanneer de
     onrechtvaardigen zeggen: "Gij volgt slechts een betoverd man."

     48. Zie, wat voor gelijkenissen zij over u vertellen; zij zijn zelf
     afgedwaald en kunnen de weg niet meer vinden.

     49. En zij zeggen: "Zullen wij, wanneer wij tot beenderen en stof
     vergaan zijn, werkelijk als een nieuwe schepping worden opgewekt?"

     50. Zeg: "Weest steen of ijzer,"

     51. "Of een andere schepping die naar uw gedachte het moeilijkst,
     is." Dan zullen zij zeggen: "Zeg, wie zal ons dan doen herleven?"
     Zeg: "Hij Die u de eerste maal heeft geschapen." Dan zullen zij het
     hoofd schudden tegen u en vragen: "Wanneer zal dit geschieden?"
     Zeg, "Waarschijnlijk is het nabij."

     52. De Dag waarop Hij u zal roepen zult gij Hem met de lof die Hem
     toekomt antwoorden en gij zult denken dat gij slechts een korte
     wijle hebt vertoefd.

     53. En zeg tot Mijn dienaren dat zij spreken wat het beste is.
     Voorwaar, Satan sticht onenigheid onder hen. Voorwaar, Satan is de
     mens een verklaarde vijand.

     54. Uw Heer kent u het best. Indien het Hem behaagt zal Hij u
     barmhartigheid tonen of straffen, maar Wij hebben U niet als voogd
     over hen gezonden.

     55. En uw Heer kent het best al hetgeen in de hemelen en op aarde
     is. En Wij hebben sommige profeten boven de anderen doen uitmunten
     en aan David hebben Wij Zaboer (de Psalmen) geschonken.

     56. Zeg, "Roept degenen aan die gij u naast Hem inbeeldt; maar
     dezen hebben geen macht om het kwaad van u te verwijderen, of het
     te veranderen."

     57. Zij roepen zelf hun Heer aan, Zijn nabijheid zoekend, zelfs de
     meest nabijzijnden, op Zijn barmhartigheid hopend en Zijn straf
     vrezend. Voorwaar, de straf van uw Heer dient te worden gevrees??.

     58. Er is geen stad of Wij zullen die voor de Dag der Opstanding
     verdelgen of streng straffen. Dit staat in het Boek geschreven.

     59. En niets weerhoudt Ons van het zenden van tekenen, behalve dat
     de vroegere volkeren ze hebben verloochend. En Wij gaven aan de
     Samoed de kamelin als een zichtbaar teken doch zij deden haar
     kwaad; Wij zenden slechts tekenen om te waarschuwen.

     60. En toen Wij tot u zeiden: "Voorzeker, uw Heer heeft het volk in
     Zijn hand." Wij gaven het visioen dat Wij u toonden slechts als een
     beproeving voor de mensen, evenals de gevloekte boom in de Koran.
     En Wij waarschuwen hen, doch het doet hen slechts in grotere
     overtreding toenemen.

     61. En toen Wij tot de engelen zeiden: "Betuigt eer aan Adam,"
     betuigden zij eer, behalve Iblies. Hij zeide: "Moet ik mij ter
     aarde werpen voor iemand die Gij geschapen hebt uit klei?"

     62. En hij zeide: "Hebt Gij hem boven mij geëerd? Indien Gij mij
     tot de Dag der Opstanding uitstel verleent, zal ik voorzeker zijn
     nakomelingen mij doen volgen, op enkelen na."

     63. Hij zeide: "Ga heen! en wie onder hen u zal volgen, de hel zal
     voorwaar een ruime vergelding voor u allen zijn."

     64. "En bekoor met uw stem wie gij kunt en spoor uw ruiterij en uw
     voetvolk tegen hen aan en wees hun deelgenoot in hun weelde en hun
     kinderen, en doe hun beloften," - maar Satan geeft slechts
     bedriegelijk beloften -

     65. Voorzeker over Mijn dienaren zult gij geen macht hebben. En
     voldoende is uw Heer als Beschermer.

     66. Uw Heer is Hij Die de schepen voor u over de zee stuwt, opdat
     gij Zijn overvloed moogt zoeken. Voorwaar, Hij is Genadig jegens u.

     67. En indien een ongeluk op zee u treft, verdwijnen u degenen die
     gij aanroept, behalve Hij. Doch wanneer Hij u veilig aan land
     brengt wendt gij u af. Want de mens is zeer ondankbaar.

     68. Gevoelt gij u er dan veilig voor, dat Hij u zal verdelgen op
     het land of dat Hij een hevige storm tegen u zal doen opkomen? Gij
     zult dan voor u geen beschermer vinden.

     69. Of weet gij dan zo zeker dat Hij u daarin niet voor de tweede
     maal zal terugzenden en dan een stormwind tegen u doen opkomen en u
     verdrinken wegens uw ongeloof, zodat gij daarin geen helper voor u
     tegen Ons zult vinden?

     70. En inderdaad hebben Wij de kinderen van Adam geëerd en hen
     gedragen over land en zee, en hun van het goede gegeven en hen
     verheven boven velen dergenen die Wij hebben geschapen.

     71. (Gedenk) de Dag waarop Wij elk volk met zijn leider zullen
     oproepen. Zij die hun boek in de rechter hand ontvangen, zullen hun
     boek lezen en hen zal geen onrecht worden aangedaan.

     72. Maar wie blind is geweest in deze wereld zal blind zijn in het
     Hiernamaals; hij is ver afgedwaald van de rechte weg.

     73. En voorzeker zij zouden u (de profeet) willen afleiden van
     hetgeen Wij u hebben geopenbaard, opdat gij iets anders over Ons
     mocht verzinnen; dan zouden zij u zeker tot vriend hebben genomen.

     74. En indien Wij u niet hadden gesterkt zoudt gij aan hen een
     weinig gehoor gegeven hebben.

     75. Dan zouden Wij u een dubbele straf in dit leven en in het
     Hiernamaals hebben doen ondergaan en gij zoudt voor u geen helper
     tegen Ons hebben kunnen vinden.

     76. Zij trachten u, door u vrees in te boezemen, uit het land te
     verdrijven; dan zullen zij daarna (na uw vertrek) nog slechts korte
     tijd in rust blijven.

     77. (Dit was Onze) handelwijze met Onze boodschappers die Wij vóór
     u zonden; en gij zult geen verandering vinden in Onze wijze van
     handelen.

     78. Houd het gebed bij het verbleken van de zon tot aan het donker
     van de nacht; en het reciteren bij de dageraad. Voorwaar, van het
     reciteren bij de dageraad wordt getuigd.

     79. Blijf gedurende een deel van de nacht vrijwillig wakker (voor
     het gebed). Waarschijnlijk zal uw Heer u een verheven rang
     verschaffen.

     80. En zeg: "O mijn Heer, laat mijn intrede een goede intrede en
     mijn uitgang een goede uitgang zijn. En schenk,mij van U een gezag
     dat tot hulp zou kunnen strekken."

     81. En zeg: "Waarheid is gekomen en leugen is verdwenen. En de
     leugen is inderdaad onderhevig om te verdwijnen.

     82. En van de Koran openbaren Wij hetgeen een geneesmiddel en een
     genade is voor de gelovigen; doch voor de onrechtvaardigen vergroot
     het slechts het verlies.

     83. En wanneer Wij de mens gunsten bewijzen wendt hij zich af en
     gaat terzijde en wanneer kwaad hem achterhaalt wordt hij wanhopig.

     84. Zeg: "Ieder handelt op zijn eigen wijze maar uw Heer weet het
     goed, wie op het rechte pad het best zijn geleid."

     85. En zij stellen u vragen betreffende de Geest. Zeg: "De Geest is
     op bevel van mijn Heer: en er is u slechts een weinig kennis van
     gegeven."

     86. En als Wij wilden, zouden Wij hetgeen Wij u hebben geopenbaard
     zeker weg kunnen nemen, dan zoudt gij daarin tegen Ons geen helper
     vinden;

     87. Doch (dit is) een barmhartigheid van uw Heer, voorwaar, Zijn
     genade jegens u is groot.

     88. Zeg: "Indien de mens en de djinn samenspannen, teneinde het
     gelijke van deze Koran voort te brengen, zullen zij het gelijke
     daarvan niet kunnen voortbrengen ook al zouden zij elkanders
     helpers zijn."

     89. En voorzeker Wij hebben voor de mensen in deze Koran allerlei
     gelijkenissen herhaaldelijk vermeld, doch de meeste mensen tonen
     slechts ondankbaarheid.

     90. En zij zeggen: "Wij zullen in u stellig niet geloven voordat
     gij voor ons een bron doet ontspringen aan de aarde."

     91. "Of tenzij gij een tuin hebt met dadelpalmen en wijnranken en
     in het midden daarvan stromen doet vloeien."

     92. "Of tenzij gij de hemel in stukken op ons doet nedervallen
     zoals gij hebt beweerd of tenzij gij Allah en de engelen vóór ons
     brengt."

     93. "Of tenzij gij een huis hebt van goud, of tenzij gij ten hemel
     stijgt, maar wij zullen in uw hemelvaart niet geloven tenzij gij
     ons een boek nederzendt dat wij kunnen lezen." Zeg: "Glorie zij
     mijn Heer: ik ben slechts mens en boodschapper!"

     94. En niets heeft de mensen belet te geloven toen de leiding tot
     hen kwam dan het feit dat zij zeiden: "Heeft Allah een mens als
     boodschapper gezonden?"

     95. Zeg: "Hadden er op aarde engelen in vrede en rust rondgelopen
     dan zouden Wij ongetwijfeld uit de hemel een engel als boodschapper
     tot hen hebben gezonden."

     96. Zeg: "Voldoende is Allah als getuige tussen u en mij; voorwaar
     Hij weet en ziet alles betreffende Zijn dienaren."

     97. En hij die Allah leidt, is goed geleid, doch voor hem die Hij
     laat dwalen zult gij buiten Hem geen helper vinden. En Wij zullen
     hen verzamelen op de Dag der Opstanding, op hun aangezicht, blind,
     stom en doof voorover liggend. Hun verblijfplaats zal de hel zijn;
     telkenmale als het Vuur afneemt, zullen Wij de vlam voor hen
     aanwakkeren.

     98. Dat is hun vergelding, daar zij Onze woorden verwierpen en
     zeiden: "Zullen wij indien wij beenderen en stof zijn geworden
     werkelijk worden opgewekt in een nieuwe schepping?"

     99. Zien zij niet in, dat Allah, Die de hemelen en de aarde schiep,
     bij machte is hun evenbeeld te scheppen? Hij heeft voor hen een
     termijn vastgesteld waaromtrent geen twijfel bestaat. Doch de
     onrechtvaardigen tonen slechts ondankbaarheid.

     100. Zeg: "Indien gij de schatten der barmhartigheid van mijn Heer
     bezat zoudt gij ze zeker terughouden uit vrees dat ze uitgeput
     zouden worden. Waarlijk, de mens is vrekkig."

     101. En voorwaar, wij schonken Mozes negen duidelijke tekenen.
     Vraag dit aan de kinderen van Israël. Toen hij tot hen kwam, zeide
     Pharao tot hem: "Ik geloof, O Mozes, dat gij een betoverd mens
     zijt."

     102. Hij zeide: "Voorzeker gij weet dat niemand anders dan de Heer
     der Hemelen en der aarde deze tekenen heeft gezonden; en ik ben
     zeker dat gij, o Pharao, te gronde gaat."

     103. Derhalve besloot hij hem uit het land te verwijderen; doch Wij
     deden hem en die met hem waren allen tezamen verdrinken.

     104. En Wij zeiden na hem tot de kinderen van Israël: "Blijft gij
     in het land en wanneer de laatste belofte komt zullen Wij u allen
     tezamen brengen."

     105. En voorwaar, Wij hebben dit geopenbaard en met waarheid is hij
     (de Koran) nedergedaald. En Wij hebben u slechts als een brenger
     van blijde tijdingen en als waarschuwer gezonden.

     106. En Wij hebben u de Koran verduidelijkt opdat gij hem
     geleidelijk aan de mensheid mocht verkondigen en Wij hebben hem in
     gedeelten gezonden.

     107. Zeg: "Hetzij gij er wel of niet in gelooft, degenen aan wie
     voordien kennis was geschonken werpen zich met hun aangezicht ter
     aarde wanneer deze hun wordt voorgelezen;

     108. En zeggen: "Glorie zij onze Heer. De belofte van onze Heer
     moest worden vervuld."

     109. Wenend vallen zij op hun aangezicht neder en het vermeerdert
     hun nederigheid.

     110. Zeg: "Roept Allah aan of roept Rahmaan aan, bij welke naam gij
     Hem ook noemt, Hij heeft de schoonste namen." En zeg uw gebed niet
     te luid en evenmin te zacht, doch zoek een middenweg.

     111. Zeg: "Alle lof komt Allah toe Die Zich geen zoon heeft genomen
     en Die geen mededinger heeft in Zijn Koninkrijk noch heeft Hij
     enige helper wegens zwakheid." En verkondig Zijn Grootheid.


     -------------------------------------------------------------------
     -----

     18. De Spelonk (Al-Kahf)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 110 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. Alle lof behoort aan Allah, Die het Boek aan Zijn dienaar heeft
     geopenbaard, gaaf en volmaakt.

     2. Volmaakt (in leiding), om te waarschuwen voor Zijn gestrenge
     kastijding en de gelovigen die goede werken verrichten de blijde
     tijding te brengen dat zij een uitstekende beloning zullen
     ontvangen,

     3. Die zij zullen smaken in eeuwigheid.

     4. En om diegenen te waarschuwen, die zeggen: "Allah heeft Zich een
     zoon genomen."

     5. Zij hebben er geen kennis van en hun vaderen evenmin. Erg is het
     woord, dat uit hun mond komt. Zij zeggen slechts onwaarheid.

     6. Misschien zult gij uit droefheid over hen sterven, omdat zij
     niet in deze Boodschap geloven.

     7. Voorwaar, Wij hebben al hetgeen op aarde is tot haar sieraad
     gemaakt om te beproeven, wie van hen van goede werken is.

     8. En zie! al hetgeen daarop is, zullen Wij tot dode stof
     veranderen.

     9. Denkt gij dat de lieden van de Spelonk en van de Inscriptie geen
     wonder onder Onze tekenen waren?

     10. Toen de jongelingen hun toevlucht zochten in de Spelonk, zeiden
     zij: "Onze Heer, verleen ons Uw genade en bereid ons een weg naar
     vrede en voorspoed uit onze beproeving."

     11. Derhalve zonderden Wij hen in de Spelonk af voor een aantal
     jaren.

     12. Daarna wekten Wij hen op, om te beproeven welke der twee
     partijen wijzer was, naar de tijd dat zij daar hadden vertoefd.

     13. Wij zullen u hun geschiedenis in waarheid verhalen. Zij waren
     jongelingen die in hun Heer geloofden en Wij gaven hun meer
     leiding.

     14. En Wij versterkten hun hart toen zij opstonden en zeiden: "Onze
     Heer is de Heer der hemelen en der aarde. Nimmer zullen wij een
     andere god aanroepen naast Hem, anders zouden wij inderdaad een
     grote dwaasheid begaan."

     15. "Dit ons volk heeft goden genomen naast Hem. Waarom brengen zij
     voor hen geen duidelijk bewijs? En wie is onrechtvaardiger, dan hij
     die een leugen over Allah verzint?"

     16. "Wanneer gij u van hen en van hetgeen zij nevens Allah
     aanbidden verwijdert, neemt dan uw toevlucht tot de Spelonk en uw
     Heer zal Zijn barmhartigheid jegens u vermeerderen en uw
     aangelegenheden gunstig doen verlopen."

     17. En wanneer de zon opgaat zult gij haar zich zien verwijderen
     rechts van de Spelonk en wanneer zij ondergaat, ziet gij haar zich
     naar links afwenden, daartussen in de holte van (de Spelonk)
     bevonden zij zich. Dit zijn de tekenen van Allah. Hij die door
     Allah wordt geleid, wordt juist geleid doch degene, die Hij laat
     dwalen, voor hem zult gij stellig geen vriend en leidsman vinden.

     18. Gij denkt dat zij wakker zijn, terwijl zij slapen en Wij zullen
     hen zich naar links en rechts doen wenden, terwijl hun hond met
     zijn voorpoten uitgestrekt op de drempel ligt. Indien gij een blik
     op hen werpt, zult gij U zeker van hen afwenden en vluchten, met
     ontzag vervuld.

     19. En Wij deden hen ontwaken, zodat zij elkander konden
     ondervragen. Een van hen zeide: "Hoelang hebt gij hier vertoefd?"
     Anderen zeiden: "Wij zijn een dag of een gedeelte van een dag
     gebleven." Nog anderen zeiden: "Uw God weet het best, hoe lang gij
     hier gebleven zijt. (Het is beter) één van ons met deze zilveren
     munt naar de stad te zenden en laat hij zien, wat het beste voedsel
     is en hiervan levensmiddelen meebrengen en laat hij zich
     vriendelijk gedragen en niemand omtrent ons inlichten."

     20. "Want indien zij over jullie te weten komen, zullen zij jullie
     stenigen, of trachten jullie te bekeren tot hun godsdienst en
     jullie zullen nimmer kunnen slagen."

     21. Dit hebben wij hun bekend gemaakt, opdat zij zouden weten, dat
     de belofte van Allah waarheid is en dat er omtrent het Uur geen
     twijfel bestaat. Alsdan redetwisten de mensen over hen, zeggende:
     "Richt een gedenkteken voor hen op." Hun Heer weet wat het beste
     is. Degenen, die de overhand behielden, zeiden: "Wij zullen
     voorzeker een bedehuis boven hen (boven hun graf) oprichten."

     22. Sommigen zullen zeggen: "Er waren er drie en de vierde was hun
     hond." En sommigen zullen zeggen: "Er waren er vijf en de zesde was
     hun hond," gissende in het wilde weg en sommigen zullen zeggen: "Er
     waren er zeven, de achtste was hun hond." Zeg: "Mijn Heer kent hun
     getal het beste. Niemand kent hen, enkelen uitgezonderd." Redetwist
     dus niet over hen er diep op ingaande en vraag evenmin van één
     hunner inlichtingen over hen.

     23. En zeg niet over iets: "Ik zal het morgen doen,"

     24. Zonder (er bij te zeggen): "Indien het Allah behaagt." En
     wanneer gij het vergeet, gedenk dan uw Heer en zeg: "Ik hoop, dat
     mijn Heer mij nog dichter dan thans naar de rechte weg zal leiden."

     25. En zij bleven driehonderd jaar in hun Spelonk en voegden er
     negen aan toe.

     26. Zeg: "Allah weet het best, hoelang zij daar vertoefden." Hem
     behoren de geheimen der hemelen en der aarde, hoe Ziende is Hij en
     hoe Horende! Zij hebben geen vriend buiten Hem en aan Zijn
     koninkrijk laat Hij niemand deelnemen.

     27. En verkondig hetgeen u door Uw Heer is geopenbaard in het Boek.
     Er is niemand, die Zijn woorden kan veranderen en gij zult geen
     toevlucht vinden buiten Hem.

     28. Blijf bij degenen die hun Heer 's morgens en 's avonds
     aanroepen en die Zijn welbehagen zoeken en laat uw ogen niet van
     hen afdwalen door het zoeken van de praal dezer wereld en
     gehoorzaam niet aan hem, wiens hart Wij achteloos hebben gemaakt
     voor de gedachte aan Ons, noch degene die zijn begeerte volgt en
     wiens geval het ergste is.

     29. Zeg: "Het is de waarheid van uw Heer: laat daarom geloven die
     geloven wil en niet geloven, die niet wil." Voorwaar, wij hebben de
     boosdoeners een Vuur bereid, welks omheining hen zal insluiten.
     Indien zij om hulp roepen, zullen zij worden begoten met water als
     gesmolten lood, dat hun gezicht zal verbranden. Hoe verschrikkelijk
     is de drank en hoe vreselijk de rustbank.

     30. Wat betreft degenen die geloven en goede werken doen, voorwaar,
     wij doen de beloning der goeden niet verloren gaan.

     31. Voor dezulken zijn de Tuinen der eeuwigheid, waardoor beken
     vloeien. Zij zullen daarin worden getooid met armbanden van goud en
     zullen groene gewaden van fijne zijde en zwaar brocaat dragen,
     terwijl zij op tronen zullen liggen. Hoe goed is de beloning en hoe
     schoon is de rustplaats.

     32. En geef hun de gelijkenis der twee mannen. Voor een hunner
     maakten Wij twee wijngaarden, omgeven met dadelpalmen en daartussen
     legden Wij korenvelden.

     33. Elk der tuinen bracht vruchten voort en bleef niet in gebreke.
     En door beide deden Wij rivieren stromen.

     34. En hij had overvloed,en zeide tijdens een gesprek tot zijn
     gezel: "Ik ben rijker dan gij, aan bezit en in getal."

     35. En hij ging zijn tuin binnen, terwijl hij onrechtvaardig was
     tegenover zichzelf. Hij zeide: "Ik denk niet, dat dit ooit zal
     vergaan."

     36. "Noch denk ik dat het Uur zal komen. Indien ik tot mijn Heer
     word teruggebracht, zal ik voorzeker een betere plaats vinden dan
     dit."

     37. Zijn gezel redetwistte en zeide: "Gelooft gij niet in Hem, Die
     u schiep uit stof, daarna uit een levenskiem en u dan vormde tot
     een volledig mens?"

     38. "Wat mij betreft, het is Allah Die mijn Heer is, ik zal niemand
     met mijn Heer vereenzelvigen."

     39. "Waarom zeidet gij niet, toen gij de tuin binnentraadt: 'Het is
     zoals het Allah behaagt, er is geen God dan Allah?' indien gij mij
     als uw mindere in rijkdom en nakomelingen ziet,"

     40. "Waarschijnlijk zal mijn Heer mij iets beters geven dan uw tuin
     en bliksemstralen uit de hemel doen nederdalen op de uwe, waardoor
     deze grond kaal wordt."

     41. "Of het water er van in de grond doen zinken, waardoor gij niet
     in staat zult zijn, het te bereiken."

     42. En zijn fruit werd vernietigd en hij begon zijn handen te
     wringen wegens hetgeen hij aan de tuin had besteed, terwijl het
     latwerk eveneens was neergestort en hij zeide: "Had ik maar niemand
     met mijn Heer vereenzelvigd."

     43. En hij had geen leger om hem tegen Allah te helpen, noch kon
     hij zich verdedigen.

     44. De bescherming komt alleen van Allah, de Ware. Hij is de Beste
     in het belonen en de Beste in het verrekenen.

     45. Geef hun de gelijkenis van het leven dezer wereld: het is als
     Wij water uit de hemel nederzenden, waardoor de planten der aarde
     volop groeien en daarna verdrogen zij en breken in stukken die de
     wind verspreidt. Allah heeft macht over alle dingen.

     46. Rijkdom en kinderen zijn een sieraad van het leven dezer
     wereld, maar blijvende goede werken, zijn beter bij uw Heer tot
     beloning en hoop.

     47. En (gedenk) de dag waarop Wij de bergen zullen verzetten en gij
     de aarde zult zien oprijzen en Wij hen (de mensen) zullen
     verzamelen en niemand hunner zullen Wij achterlaten.

     48. En zij zullen in rijen tot uw Heer worden gebracht. (Hij zal
     zeggen) Nu zijt gij tot Ons gekomen zoals Wij u in den beginne
     hebben geschapen. Doch gij dacht dat Wij nimmer een Uur voor u
     zouden vaststellen.

     49. En het Boek zal worden voorgelegd; dan zult gij de schuldigen
     zien vrezen wegens hetgeen daarin staat en zij zullen zeggen: "Wee
     ons! Wat voor een boek is dit! Het slaat klein noch groot over,
     doch het somt alles op." En zij zullen al hetgeen zij deden voor
     zich zien en uw Heer zal niemand onrecht aandoen.

     50. (Gedenk de tijd) toen Wij tot de engelen zeiden: "Buigt voor
     Adam", zij bogen, doch Iblies niet. Hij was één der djinn, derhalve
     was hij ongehoorzaam aan het gebod van zijn Heer. Zult gij hem en
     zijn nageslacht tot vrienden nemen, terwijl zij uw vijanden zijn?
     Slecht is het loon der onrechtvaardigen.

     51. Ik riep hen niet om te getuigen van de schepping der hemelen en
     der aarde, noch van hun eigen schepping noch neem Ik degenen die
     misleiden ooit tot helpers.

     52. (Gedenk) de dag waarop Hij zal zeggen: "Roept degenen waarvan
     gij beweerdet dat zij Mijn deelgenoten waren." Dan zullen zij hen
     (de afgoden) aanroepen, doch dezen zullen hun niet antwoorden; en
     Wij zullen een scheiding tussen hen maken.

     53. En de schuldigen zullen het Vuur zien en weten dat zij daarin
     zullen vallen; zij zullen daar niet aan ontkomen!

     54. Voorwaar, Wij hebben in deze Koran voor de mensen allerlei
     gelijkenissen vermeld, doch de mens is in vele dingen zeer
     twistziek.

     55. En niets belet de mensen te geloven wanneer de leiding tot hen
     komt en hun Heer vergiffenis te vragen, dan (dat zij vragen) dat de
     weg der voorvaderen over hen kome of dat de straf voor hun ogen
     kome.

     56. Wij zenden de boodschappers slechts als dragers van de blijde
     tijding en als waarschuwers. De ongelovigen twisten met leugens om
     daardoor de Waarheid te niet te doen. En zij houden Mijn tekenen en
     al hetgeen waarmee zij zijn bedreigd, voor scherts.

     57. En wie is onrechtvaardiger dan hij die herinnerd wordt aan de
     tekenen van zijn Heer, doch zich er van afwendt en vergeet, hetgeen
     zijn handen hebben verricht? Voorwaars Wij hebben sluiers over hun
     hart gelegd zodat zij niet begrijpen en doofheid in hun oren.
     Indien gij hen derhalve tot de leiding roept, willen zij de rechte
     weg niet volgen.

     58. Doch uw Heer is Vergevensgezind, Barmhartig. Indien Hij hen ter
     verantwoording zou roepen voor hetgeen zij hebben verdiend, dan zou
     Hij ongetwijfeld hun straf hebben verhaast. Neen, voor hen is een
     vastgestelde tijd waaraan zij niet kunnen ontkomen.

     59. En deze steden! Wij vernietigden ze toen zij ongerechtigheden
     bedreven. En Wij stelden een bepaalde tijd vast voor hun
     verdelging.

     60. En (gedenk de tijd) toen Mozes zeide tot zijn dienaar: "Ik zal
     het niet opgeven voordat ik de samenvloeiing van twee zeeën heb
     bereikt, al moet ik eeuwenlang voortgaan;"

     61. En toen zij de plek bereikten waar de beide (zeeën)
     samenkwamen, vergaten zij hun vis en deze zwom snel weg in de zee.

     62. En toen zij verder gingen, zeide hij tot zijn dienaar: "Breng
     ons het ochtendmaal. Waarlijk, vermoeidheid heeft ons bevangen,
     vanwege onze reis."

     63. Hij antwoordde: "Zie, toen wij ons op de rots begaven vergat ik
     de vis - en slechts Satan deed mij vergeten er over te spreken - en
     de vis vond op bewonderenswaardige wijze zijn weg naar de zee."

     64. Hij zeide: "Dat is waarnaar wij hebben gezocht." Derhalve
     keerden beiden op hun schreden terug.

     65. Daar vonden zij een Onzer dienaren, aan wie Wij Onze
     barmhartigheid hadden bewezen en wie Wij van Onze kennis hadden
     geschonken.

     66. Mozes zeide tot hem: "Mag ik u volgen dat gij mij onderwijst in
     de leiding, die u is gegeven?"

     67. Hij antwoordde: "Gij kunt geen geduld hebben met mij."

     68. "Want hoe kunt gij geduldig zijn over dingen die uw begrip te
     boven gaan?"

     69. Hij zeide: "Indien het Gode behaagt, zult gij mij geduldig
     vinden en ik zal aan uw bevel niet ongehoorzaam zijn."

     70. Hij zeide: "Welaan dan, indien gij mij wenst te volgen stel mij
     nergens vragen over eer ik zelf daaromtrent tot u spreek."

     71. Aldus vertrokken beiden totdat zij in een boot stapten en hij
     maakte er een gat in. Waarop Mozes uitriep: "Hebt gij er een gat in
     gemaakt teneinde de opvarenden er van te doen verdrinken? Voorwaar,
     gij hebt iets gruwelijks bedreven."

     72. Hij antwoordde: "Had ik u niet gezegd dat gij stellig geen
     geduld met mij zoudt kunnen tonen?"

     73. Mozes zeide: "Maak mij geen verwijt omdat ik het vergeten ben
     en maak het mij niet moeilijk."

     74. Zij reisden dus verder tot dat zij een knaap ontmoetten en hij
     deze doodsloeg. Mozes zeide: "Hebt gij een onschuldige gedood die
     niemand had vermoord? Voorwaar, gij hebt een afkeurenswaardige daad
     begaan."

     75. Hij antwoordde: "Zei ik u niet dat gij nimmer in staat zoudt
     zijn mij met geduld te vergezellen?"

     76. Mozes zeide: "Indien ik u wederom iets vraag houd mij dan niet
     in uw gezelschap, dan hebt gij zeker een verontschuldiging van mijn
     kant."

     77. Aldus vervolgden zij hun weg totdat zij bij de inwoners ener
     stad kwamen aan wie zij om eten vroegen, doch dezen weigerden hun
     gastvrijheid te betonen. Nu vonden zij daar een muur, die op het
     punt stond in te storten en hij herstelde deze. Mozes zeide:
     "Indien gij wildet, hadt gij er loon voor kunnen vragen."

     78. Hij zeide: "Dit is de scheiding tussen u en mij. Ik zal u thans
     de verklaring geven van datgene waarvoor gij geen geduld kondet
     tonen."

     79. "Wat de boot betreft, deze behoorde aan arme lieden die op de
     rivier werkten, en ik verkoos haar onbruikbaar te maken want achter
     hen was een koning die alle (goede) schepen met geweld in beslag
     wilde nemen."

     80. "En wat de jongeling betreft, zijn ouders waren gelovigen en
     wij vreesden dat hij schande over hen zou brengen door zijn
     opstandigheid en ongeloof."

     81. "Derhalve wensten wij dat hun Heer hun in zijn plaats een ander
     kind zou schenken dat reiner en zachtmoediger zou zijn (dan hij)."

     82. "En wat de muur betreft, deze behoorde aan twee weesjongens in
     de stad en daaronder lag hun schat (begraven), hun vader was een
     rechtvaardig man derhalve behaagde het uw Heer dat zij volwassen
     zouden worden en dan hun schat zouden opgraven als een genade van
     uw Heer, en dit alles deed ik niet uit mezelf. Dit is de verklaring
     van datgene waarvoor gij geen geduld kondet tonen."

     83. Men vraagt u betreffende Zol-Qarnain. Zeg: "Ik zal u zijn
     verhaal vertellen."

     84. Wij vestigden zijn macht op aarde en schonken hem de middelen
     (en het vermogen) alles te volbrengen.

     85. En hij volgde een weg,

     86. totdat hij het verste punt in de richting van de ondergaande
     zon bereikte, en deze in een bron van modderig water zag ondergaan,
     waarbij hij een (ongelovig) volk aantrof. Wij zeiden: "O,
     Zol-Qarnain, bestraf hen of behandel hen met vriendelijkheid."

     87. Hij zeide: "Wat betreft degene die kwaad doet, hem zullen wij
     straffen; daarna zal hij worden teruggebracht tot zijn Heer die hem
     straffen zal met een gestrengere straf."

     88. "Doch wat hem betreft die gelooft en oprecht handelt, hij zal
     een goede beloning ontvangen, en Wij zullen hem op Ons bevel alle
     gemakken verschaffen."

     89. Vervolgens ging hij een andere weg.

     90. Totdat hij het land van de rijzende zon bereikte, en ontdekte
     dat zij over een volk opging voor hetwelk Wij geen beschutting er
     tegen hadden verschaft.

     91. Zo was het, en Wij hadden volledig kennis van wat hij bezat.

     92. Vervolgens ging hij weer een andere weg.

     93. Totdat hij tussen twee bergen kwam, waar hij een volk aantrof
     dat amper een woord verstond.

     94. Zij zeiden: "O Zol-Qarnain, Gog en Magog stichten onheil op
     aarde, mogen wij u dan schatting betalen mits gij een afscheiding
     tussen hen en ons opricht?"

     95. Hij antwoordde: "De macht waarmee mijn Heer mij heeft bekleed
     is beter, doch gij kunt mij met lichamelijke kracht helpen. Ik zal
     tussen u en hen een sterke afscheiding oprichten."

     96. "Brengt mij blokken ijzer." (Zij deden dit) totdat hij de
     ruimte tussen de beide rotsen had opgevuld; toen zeide hij:
     "Blaast." totdat (het ijzer) wit gloeiend werd, nu zeide hij:
     "Brengt mij gesmolten koper, opdat ik het er overheen giete."

     97. Derhalve waren zij (Gog en Magog) niet (meer) in staat er
     overheen te klimmen, noch waren zij bij machte er doorheen te
     graven.

     98. Hij zeide: "Dit is een genade van mijn Heer. Maar wanneer de
     belofte van mijn Heer vervuld zal worden, zal Hij dit uiteen doen
     vallen. En de belofte van mijn Heer is werkelijkheid,

     99. En op die Dag zullen Wij sommigen hunner tegen anderen laten
     opstaan en de bazuin zal worden geblazen. Dan zullen Wij hen allen
     tezamen verzamelen.

     100. En Wij zullen op die dag de hel aan de ongelovigen tonen.

     101. Wier ogen gesluierd waren voor de herinnering aan Mij, en die
     zelfs niet konden horen.

     102. Denken de ongelovigen dat zij Mijn dienaren tot beschermers
     kunnen nemen buiten Mij? Voorwaar Wij hebben de hel bereid tot een
     onthaal voor de ongelovigen.

     103. Zeg: "Zullen wij u verhalen omtrent degenen die het grootste
     verlies in hun werken zullen lijden?"

     104. Diegenen, wier streven gericht is op het leven dezer wereld en
     denken dat zij een bijzonder goed werk verrichten,

     105. Dezen zijn het die de tekenen van hun Heer en de ontmoeting
     met Hem verwerpen. Derhalve zijn hun werken verloren gegaan en op
     de Dag der Verrijzenis zullen Wij geen weegschaal voor hen
     oprichten.

     106. De hel is hun beloning wegens hun ongeloof en de spot die zij
     met Mijn Tekenen en Mijn boodschappers bedreven.

     107. Voorwaar, de gelovigen die goede werken doen, zullen de tuinen
     van het Paradijs tot onthaal hebben.

     108. Daarin zullen zij vertoeven en zij zullen niet wensen daaruit
     weg te gaan.

     109. Zeg: "Al ware de oceaan inkt voor de Woorden van mijn Heer, zo
     zou de oceaan zijn uitgeput eer de Woorden van mijn Heer ten einde
     komen - zelfs al zouden Wij er evenveel ter aanvulling toevoegen."

     110. Zeg: "Ik ben slechts een mens gelijk gij, doch mij wordt
     geopenbaard dat uw God slechts één God is. Laat daarom degene, die
     op de ontmoeting met zijn Heer hoopt, goede daden verrichten en bij
     de aanbidding van zijn Heer niemand anders met Hem vereenzelvigen."


     -------------------------------------------------------------------
     -----

     19. Maria (Marjam)

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 98 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. Kaaf, Haa, Jaa, 'Ain, Saad.

     2. Dit is een vermelding van de barmhartigheid van uw Heer, betoond
     aan Zijn dienaar, Zacharia.

     3. Toen hij zijn Heer in het verborgene aanriep,

     4. Zeide hij: "Mijn Heer, het gebeente in mij is zwak geworden en
     mijn hoofd glanst met grijze haren, niettemin ben ik niet wanhopig,
     mijn Heer, bij mijn aanroep tot U."

     5. "Maar ik vrees mijn bloedverwanten na mij; mijn vrouw is
     onvruchtbaar, geef mij een opvolger van U."

     6. "Opdat hij mij en het Huis van Jacob tot erfgenaam moge zijn. En
     maak hem, mijn Heer, U welgevallig."

     7. (God antwoordde) "O Zacharia, Wij brengen u blijde tijding
     omtrent een zoon wiens naam Jahja (Johannes) zal zijn. Wij hebben
     voordien niemand aan hem gelijk gemaakt."

     8. Hij zeide: "Mijn Heer, hoe kan mij een zoon geworden, terwijl
     mijn vrouw onvruchtbaar is en ik de uiterste grens des ouderdoms
     heb bereikt?"

     9. Hij zeide: "Het zij zo, Uw Heer zegt: 'Het is gemakkelijk voor
     Mij, Ik heb u voordien geschapen toen gij niets waart.'"

     10. Hij zeide: "Mijn Heer, geef mij een teken." (God) zei: "Uw
     teken is dat gij voor drie opeenvolgende dagen en nachten tot
     niemand zult spreken."

     11. Aldus kwam hij uit de kamer tot zijn volk en beduidde hen God
     in de morgen en in de avond te verheerlijken.

     12. "O Jahja (Johannes), houd u krachtig aan het Boek." Wij
     schonken hem wijsheid, terwijl hij nog een kind was,

     13. En zachtmoedigheid van Ons en reinheid. En hij was vroom,

     14. Vriendelijk en goed voor zijn ouders. En hij was trots noch
     opstandig.

     15. Vrede was met hem op de dag zijner geboorte, en op zijn
     sterfdag, en zal eveneens met hem zijn op de dag waarop hij weer
     tot leven zal worden gewekt.

     16. En vermeld Maria in het Boek. Toen zij zich van haar volk
     terugtrok in een op het Oosten uitziende plaats,

     17. En zich aan hlm blikken onttrok, zonden Wij Onze Geest tot haar
     en hij verscheen aan haar in de gestalte van een volmaakte man.

     18. Zij zeide: "Ik neem mijn toevlucht tot de Barmhartige tegen u,
     laat mij met rust, indien gij (God) vreest."

     19. Hij antwoordde: "Ik ben slechts een boodschapper van uw Heer
     opdat ik u een reine zoon moge schenken."

     20. Zij zeide: "Hoe kan ik een zoon ontvangen terwijl geen man mij
     heeft aangeraakt en ik evenmin onkuisheid heb bedreven?"

     21. Hij zeide: "Het is zo naar uw Heer zegt, 'het is gemakkelijk
     voor Mij,'" opdat Wij hem tot een teken voor de mensen maken, een
     genade Onzerzijds; het is een besloten zaak."

     22. En zij ontving hem en trok zich met hem terug in een ver
     afgelegen oord.

     23. En de smarten der bevalling dreven haar naar de voet van een
     palmboom. Zij zeide: "O, liever zou ik vóór dit geschiedde
     gestorven en in de vergetelheid geraakt zijn."

     24. Dan riep (Gods boodschapper) haar van beneden toe, zeggende:
     "Treur niet. Uw Heer heeft een beekje aan uw voet doen ontstaan;"

     25. "En schud de stam van de palmboom naar u toe, deze zal verse,
     rijpe dadels op u doen neervallen;"

     26. "Eet en drink en koel uw oog. En indien gij iemand ziet, beduid
     hem dan: 'Ik heb de Barmhartige gelofte gedaan te vasten; derhalve
     zal ik heden met niemand spreken.'"

     27. Alsdan bracht zij het kind tot haar volk. Dit zeide: "O Maria,
     gij hebt iets vreemds gedaan."

     28. "O Zuster van Aäron, uw vader was geen verdorven man noch was
     uw moeder een onkuise vrouw."

     29. Dan wees zij naar het kind. Zij zeiden: "Hoe kunnen wij tot een
     wiegekind spreken?"

     30. Hij (Jezus) zeide: "Ik ben een dienaar van Allah. Hij heeft mij
     het Boek gegeven en mij tot een profeet gemaakt;"

     31. "Hij heeft mij gezegend waar ik mij ook moge bevinden; en heeft
     mij het gebed en het geven van aalmoezen zolang ik leef opgelegd."

     32. "En dat ik gehoorzaam zou zijn jegens mijn moeder. Hij heeft
     mij noch een onderdrukker, noch een slecht mens gemaakt."

     33. "Vrede was met mij op de dag mijner geboorte en zal met mij
     zijn op de dag van mijn dood en evenzo op de dag dat ik ten leven
     zal worden opgewekt."

     34. Aldus was Jezus, de zoon van Maria. En (dit is) het ware woord
     waaraan zij twijfelen.

     35. Het past niet bij Allah Zich een zoon te verwekken, Heilig is
     Hij. Wanneer Hij een beslissing neemt, zegt Hij daartoe slechts:
     "Wees", en het wordt.

     36. "Voorwaar, Allah is mijn Heer en uw Heer. Aanbidt Hem derhalve,
     dit is de rechte weg."

     37. Doch (sommige) partijen verschillen (hierover) onderling van
     mening; maar wee de ongelovigen bij hun aanwezigheid op de grote
     Dag.

     38. Hoe helder zal hun horen en hun zien zijn op die Dag wanneer
     zij tot Ons zullen komen. Waarlijk, de onrechtvaardigen zijn in
     duidelijke dwaling.

     39. En waarschuw hen voor de Dag der Smart wanneer het oordeel zal
     worden geveld. Thans zijn zij achteloos en geloven niet.

     40. Wij zijn het, Die de aarde en alles wat zich daarop bevindt
     zullen erven en tot Ons zullen zij worden teruggebracht.

     41. En vermeld Abraham in het Boek. Hij was een waarheidslievend
     profeet.

     42. Toen hij tot zijn vader zeide: "O mijn vader, waarom aanbidt
     gij hetgeen hoort noch ziet, noch u op enigerlei wijze kan baten?"

     43. "O mijn vader, er is inderdaad kennis tot mij gekomen die niet
     tot u is gekomen, volg mij daarom, ik zal u naar een pad leiden dat
     effen en recht is."

     44. "O mijn vader, dien Satan niet want Satan is weerspannig tegen
     de Barmhartige;"

     45. "O mijn vader, ik vrees dat de straf van de Barmhartige u zal
     treffen en dat gij dan een gezel van Satan zult worden,"

     46. Antwoordde hij: "Verzaakt gij mijn goden, o Abraham? Indien gij
     niet ophoudt, zal ik u zeker uitbannen. Laat mij een tijd met
     rust."

     47. Abraham zeide: "Vrede zij met u. Ik zal mijn Heer om
     vergiffenis voor u smeken. Hij is mij inderdaad genadig."

     48. "En ik zal mij verre houden van u en van hetgeen gij nevens
     Allah aanroept, en ik zal tot mijn Heer bidden; waarschijnlijk zal
     ik in mijn gebed tot mijn Heer niet worden teleurgesteld."

     49. Toen hij zich van hen en van hetgeen zij nevens Allah aanbaden,
     had losgemaakt, schonken Wij hem Isaäc en Jacob en maakten elk
     hunner profeet.

     50. En Wij schonken hun Onze barmhartigheid en een verheven en
     goede naam.

     51. En vermeld Mozes in het Boek. Voorwaar hij was een
     uitverkorene, boodschapper en profeet.

     52. Wij riepen hem van de rechter zijde van de Berg (Sinaï), en
     deden hem tot Ons naderen om met hem te spreken.

     53. En Wij schonken hem, door Onze barmhartigheid zijn broeder
     Aäron als profeet en helper.

     54. En gedenk Ismaël in het Boek. Hij was getrouw aan zijn belofte
     En hij was (eveneens) een boodschapper - profeet.

     55. Hij placht zijn volk gebeden en aalmoezen aan te bevelen en
     zijn Heer had welbehagen in hem.

     56. En vermeld Idries in het Boek Hij was een waarheidslievend
     profeet.

     57. En Wij verhieven hem tot een hoge plaats.

     58. Dezen zijn het over wie Allah Zijn zegeningen heeft uitgestort;
     namelijk de profeten van het nageslacht van Adam en van degenen die
     Wij met Noach droegen (in de ark) en van het nageslacht van Abraham
     en Israël; en zij behoren tot degenen die Wij leidden en
     uitverkoren. Toen de tekenen van de Weldadige hun werden
     voorgelezen vielen zij buigend en wenend neder.

     59. Hen volgden de bozen op, die het gebed verwaarloosden, en hun
     hartstochten gehoor gaven. Weldra zullen zij hun ondergang tegemoet
     gaan.

     60. Maar zij die berouw hebben en geloven en goede werken
     verrichten, zullen het paradijs binnengaan en zij zullen geenszins
     schade lijden.

     61. Tuinen der eeuwigheid, dat is een belofte van het Onzienlijke,
     welke de Barmhartige aan Zijn dienaren heeft gedaan. Voorwaar, Zijn
     belofte zal zeker worden vervuld.

     62. Zij zullen daarin geen ijdel gesprek horen: slechts "vrede", en
     's morgens en 's avonds zullen zij hun levensonderhoud ontvangen.

     63. Aldus is het paradijs dat Wij als erfenis geven aan Onze
     dienaren, die rechtvaardig zijn.

     64. "Wij (engelen) dalen slechts neder op bevel van uw Heer. Aan
     Hem behoort al hetgeen vóór ons is en al hetgeen achter ons is en
     al hetgeen er tussen ligt; en uw Heer vergeet nimmer."

     65. Hij is de Heer der hemelen en der aarde en al hetgeen hier
     tussen is. Dien Hem derhalve en wees volhardend in Zijn aanbidding.
     Kent gij Zijn gelijke?

     66. En de mens zegt: "Zal ik wanneer ik dood ben, dan tot leven
     worden terug gebracht?"

     67. Herinnert de mens zich dan niet dat Wij hem voorheen hebben
     geschapen toen hij nog niets was?

     68. En bij uw Heer, Wij zullen hen en de duivelen zeker verzamelen:
     dan zullen Wij hen op de knieën rondom de hel plaatsen.

     69. Dan zullen Wij zeker uit elke groep diegenen onder hen
     uitkiezen die het opstandigst waren tegen de Weldadige.

     70. En voorzeker, Wij weten het best wie onder hen het meest
     verdienen daarin te branden.

     71. Er is niemand onder u of hij zal er toe komen - dit is een door
     uw Heer vastgesteld besluit.

     72. Dan zullen Wij de rechtvaardigen redden en de bozen op hun
     knieën daarin achterlaten.

     73. En wanneer Onze duidelijke tekenen aan hen worden voorgehouden
     zeggen de ongelovigen tot de gelovigen: "Welke van de twee partijen
     neemt de beste plaats in en welke is beter als kring?"

     74. Hoevele geslachten hebben Wij niet vóór hen verdelgd, die een
     groter bezit hadden en een beter uiterlijk!

     75. Zeg: "De Weldadige geeft degenen die dwalen uitstel totdat zij
     zullen zien hetgeen waarmee zij worden bedreigd, - zij het de
     kastijding of het Uur - daarna zullen zij weten wie de slechtste
     plaats inneemt en wie zwakkere strijdkrachten heeft.

     76. En Allah vermeerdert leiding voor degenen die leiding volgen.
     De blijvende goede werken geven een betere beloning en (vormen) de
     beste toevlucht bij uw Heer.

     77. Hebt gij hem dan gezien die Onze tekenen verwerpt en zegt: "Mij
     zullen zeker rijkdommen en kinderen worden geschonken?"

     78. Heeft hij toegang tot het Onzienlijke gehad of heeft hij een
     belofte uit de hand van de Weldadige ontvangen?

     79. Neen, hetgeen hij zegt tekenen Wij aan en Wij zullen de straf
     voor hem vermeerderen.

     80. En Wij zullen al hetgeen waarover hij spreekt erven en hij zal
     alleen tot Ons komen.

     81. Zij hebben andere goden naast Allah genomen, opdat dezen een
     bron van macht voor hen mogen zijn.

     82. Stellig niet! Integendeel zij (de afgoden) zullen hun
     aanbidding ontkennen en hun tegenstanders blijken te zijn.

     83. Ziet gij niet dat Wij duivelen over de ongelovigen hebben
     losgelaten om hen aan te sporen?

     84. Wees daarom niet gehaast tegenover hen, Wij zullen voor hen de
     juiste (vergelding) voorbereiden.

     85. Ten dage waarop Wij de godvrezenden in groepen zullen
     verzamelen tot de Barmhartige.

     86. Zullen Wij de schuldigen als een dorstige kudde naar de hel
     drijven.

     87. Zij zullen geen voorspraak hebben behalve degenen die van de
     Weldadige een belofte hebben ontvangen.

     88. En zij zeggen: "De Barmhartige heeft zich een zoon genomen."

     89. Gij hebt voorzeker een lastering uitgesproken.

     90. De hemelen dreigen vaneen te scheuren, en de aarde te splijten
     en de bergen in stukken te vallen.

     91. Daar zij aan de Barmhartige een zoon hebben toegekend.

     92. Terwijl de Barmhartige te verheven is om een zoon te hebben.

     93. Er is niemand in de hemelen en op de aarde die niet als een
     dienaar tot de Barmhartige zal komen.

     94. Voorwaar, Hij kent hen en heeft hen allen precies geteld.

     95. En op de Dag der Opstanding zal elk hunner alleen tot Hem
     komen.

     96. Degenen die geloven en goede daden doen - aan hen zal de
     Barmhartige liefde betonen.

     97. Aldus hebben Wij hem (de Koran) gemakkelijk voor uw tong
     gemaakt, opdat gij er mede goede tijdingen aan de godvruchtigen
     moogt geven en een twistziek volk er door moogt waarschuwen.

     98. En hoevele geslachten hebben Wij vóór hen niet vernietigd? Kunt
     gij een enkeling hunner zien of een voetstap van hen horen?


     -------------------------------------------------------------------
     -----

     20. Taa Haa

     -------------------------------------------------------------------
     -----

     Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 135 strofen.

     In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

     1. Taa Haa.

     2. Wij hebben u de Koran niet geopenbaard opdat gij (er door)
     ongelukkig zoudt worden.

     3. Doch als een vermaning voor hem die (God) vreest.

     4. Een openbaring van Hem, Die de aarde en de verheven hemelen
     heeft geschapen.

     5. De Barmhartige, Die Zich nederzette op de Troon.

     6. Hem behoort al hetgeen in de hemelen en op aarde is, eveneens
     hetgeen er tussen ligt en hetgeen zich onder de grond bevindt.

     7. Of gij het woord luide verkondigt (of fluistert), Hij kent het
     geheime en verborgene.

     8. Allah, - er is geen God dan Hij. Hij heeft de schoonste
     eigenschappen.

     9. Hebt gij de geschiedenis van Mozes gehoord?

     10. Toen hij een vuur zag, zeide hij tot de zijnen: "Blijft hier,
     ik bespeur een vuur; misschien zal ik u daarvan een vuurbrand
     kunnen brengen of door het vuur de weg vinden."

     11. En toen hij het (vuur) naderde werd hij aangeroepen: "O Mozes".

     12. "Voorwaar, Ik ben uw Heer, ontdoe u van uw schoeisel; want gij
     zijt in de heilige vallei van Towa."

     13. "Ik heb u uitverkoren; luister dus naar hetgeen wordt
     geopenbaard."

     14. "Voorwaar, Ik ben Allah; er is geen God behalve Ik, aanbid Mij
     derhalve en verricht het gebed tot Mijn gedachtenis."

     15. "Zie, het Uur komt. Ik zal het onthullen opdat elke ziel de
     beloning zal ontvangen waarnaar zij streeft."

     16. "Laat degene die er niet in gelooft en zijn eigen neigingen
     volgt, u er niet van afwenden; anders zoudt gij verloren gaan."

     17. "En wat hebt gij in uw rechter hand, O Mozes?"

     18. Hij antwoordde: "Dit is mijn staf waarop ik leun, en waarmee ik
     bladeren afsla voor mijn kudde; ik gebruik hem ook voor andere
     doeleinden."

     19. Hij zeide: "Werp hem neer o Mozes."

     20. Dus wierp hij hem neer, en zie, het was een kronkelende slang.

     21. God zeide: "Raap hem op en vrees niet. Wij zullen hem in zijn
     vroegere staat herstellen."

     22. "En leg uw hand onder uw arm, zij zal wit worden zonder ziekte.
     Nog een teken (is dit)!"

     23. "Opdat Wij u Onze grotere tekenen mogen tonen."

     24. "Ga naar Pharao; hij heeft inderdaad de perken overschreden."

     25. Hij zeide: "Mijn Heer, verruim mijn borst,"

     26. "En maak mij mijn taak lichter,"

     27. "En ontdoe de knoop in mijn tong,"

     28. "Opdat zij (de mensen) mijn woorden mogen verstaan,"

     29. "Geef mij een helper uit mijn familie,"

     30. "Aäron, mijn broeder;"

     31. "Vergroot mijn kracht door hem,"

     32. "En laat hem mijn arbeid delen,"

     33. "Opdat wij U veel mogen verheerlijken,"

     34. "En U zeer indachtig mogen zijn."

     35. "Voorzeker Gij doorziet ons."

     36. God zeide: "Uw verzoek is ingewilligd, o Mozes."

     37. "En bij een andere gelegenheid bewezen Wij u ook een gunst."

     38. "Toen Wij uw moeder openbaarden:"

     39. "'Plaats hem in het kistje en werp dit in de rivier, dan zal de
     rivier het op de oever werpen, zodat een vijand van Mij en van hem,
     hem zal opnemen'. En Ik omhulde u met Mijn liefde; opdat gij zoudt
     worden grootgebracht voor Mijn oog."

     40. "Toen uw zuster voorbijkwam en zeide: 'Zal ik u iemand noemen
     die hem zal verzorgen?' Aldus schonken Wij u terug aan uw moeder
     opdat haar oog zou worden verfrist en zij niet zou treuren. En gij
     dooddet een man, doch Wij verlosten u van smart. En Wij beproefden
     u op verschillende manieren. En gij vertoefdet jaren te midden van
     het volk van Midian. Dan zijt gij, o Mozes, herwaarts gekomen zoals
     besloten was."

     41. "En Ik heb u uitverkoren voor Mijzelf."

     42. "Gaat, gij en uw broeder, met Mijn tekenen, en verwaarloost
     niet Mijner indachtig te zijn."

     43. "Gaat gij beiden tot Pharao, want hij is alle perken te buiten
     gegaan."

     44. Doch spreekt tot hem op welwillende wijze, opdat hij er lering
     uit moge trekken, of vrezen."

     45. Zij antwoordden: "Onze Heer, wij vrezen dat hij tegenover ons
     gewelddadig zal zijn of opstandig zal worden."

     46. Hij (Allah) zei: "Vreest niet, want Ik ben met u. Ik hoor en Ik
     zie."

     47. "Gaat dus naar hem toe en zegt: 'Wij zijn de boodschappers van
     uw Heer; laat derhalve de kinderen van Israël met ons weggaan, en
     doe hun geen leed aan. Wij hebben u, voorwaar, een teken gebracht
     van uw Heer; vrede rust op hem die de leiding volgt;'"

     48. "'Het is ons geopenbaard dat kastijding zal komen over hem, die
     loochent en zich afwendt.'"

     49. Pharao zeide: "Wie is uw Heer, o Mozes?"

     50. Hij antwoordde: "Onze Heer is Hij, Die aan alles een eigen vorm
     gaf en het daarna leidde."

     51. Hij (Pharao) zeide: "Hoe staat het met vroegere geslachten?"

     52. "De kennis daarvan is bij mijn Heer in een Boek. Mijn Heer
     dwaalt, noch vergeet," zeide Mozes.

     53. Hij is het Die u de aarde heeft gegeven tot een wieg en wegen
     voor u heeft doen ontstaan en Die regen doet nederdalen uit de
     hemel, waardoor Hij allerlei planten voortbrengt.

     54. (Zeggende): "eet hiervan en weidt uw vee." Voorwaar, hierin
     liggen tekenen voor degenen die verstand bezitten.

     55. Uit de aarde hebben Wij u geschapen en daarin zullen Wij u doen
     terugkeren en daaruit zullen Wij u weer opwekken."

     56. En Wij toonden (Pharao) Onze tekenen, doch hij loochende deze
     en weigerde deze (te geloven).

     57. Hij zeide: "Zijt gij tot mij gekomen, o Mozes, om ons door uw
     toverkunst uit ons land te verdrijven?"

     58. "Voorzeker, wij zullen gelijkwaardige toverkunst tegenover (de
     uwe) stellen; maak derhalve een afspraak met ons die wij noch gij
     zullen verzuimen na te komen op een plaats (voor beiden) gelijk."

     59. Hij zeide: "Uw afspraak zal plaats vinden op de dag van het
     feest en laat het volk bijeenkomen in de voormiddag."

     60. Daarop trok Pharao zich terug en stelde zijn plan vast en kwam
     vervolgens (op de bijeenkomst).

     61. Mozes zeide tot hen: "Wee u; verzint geen leugen over Allah,
     anders zal Hij u door een kastijding verdelgen. Hij die een leugen
     verzint, slaagt nimmer."

     62. Vervolgens redetwistten zij (de tegenstanders) onder elkander
     over hun aangelegenheden en pleegden geheim overleg.

     63. Zij zeiden: "Deze twee zijn zeker tovenaars die u met behulp
     van hun toverkunst uit uw land wensen te verdrijven en uw schone
     kultuur te vernietigen."

     64. "Beraamt derhalve uw plan en treedt dan eensgezind naar voren.
     En voorwaar hij die op deze dag zegeviert, zal zeker slagen."

     65. Zij zeiden: "O Mozes, werpt gij, of zullen wij de eersten zijn
     om te werpen?"

     66. Hij zeide: "Neen, werpt gij." Dan ziet, het scheen hem wegens
     hun toverkunst toe, dat hun koorden en staven zich voortbewogen.

     67. En Mozes sloeg de angst om het hart.

     68. Wij zeiden: "Vrees niet, want gij zijt de overwinnaar."

     69. "Werp hetgeen in uw rechter hand is; het zal wat zij hebben
     voortgebracht verslinden, want hetgeen zij hebben gemaakt is
     slechts toverkunst. En een tovenaar slaagt nooit waar hij ook moge
     komen."

     70. En de tovenaars werden plat ter aarde geworpen, zich
     nederbuigend. Zij zeiden: "Wij geloven in de Heer van Aäron en
     Mozes."

     71. Pharao zeide tot hen: "Gelooft gij in Hem eer ik u daartoe
     verlof geef? Hij moet uw meester zijn die u in de toverkunst heeft
     onderwezen. Daarom zal ik uw handen en voeten aan de
     tegenovergestelde kant afhakken en ik zal u voorzeker aan de
     stammen van palmbomen kruisigen; en gij zult met zekerheid weten
     wie van ons gestrenger en langduriger is in het straffen."

     72. Zij zeiden: "In geen geval zullen wij u verkiezen boven de
     duidelijke tekenen die tot ons zijn gekomen, en boven Hem Die ons
     geschapen heeft. Doet derhalve wat gij wilt; gij kunt alleen over
     het leven dezer wereld beslissen."

     73. "Voorzeker, wij hebben geloofd in onze Heer opdat Hij ons onze
     zonden en de tovenarij die gij ons hebt gedwongen te bedrijven,
     moge vergeven. Allah is de Beste, de Bestendigste."

     74. Voorwaar hij die tot zijn Heer komt als schuldige, hem wacht de
     (straf der) hel: hij zal daarin sterven noch leven.

     75. Doch die als gelovigen tot Hem komen en goede werken hebben
     verricht, zullen de hoogste graden der gelukzaligheid ontvangen.

     76. Tuinen der eeuwigheid waar doorheen rivieren stromen en waarin
     zij voor eeuwig zullen vertoeven. En dat is de beloning dergenen
     die zich louteren.

     77. Wij openbaarden Mozes: "Voer Mijn dienaren weg in de nacht en
     baan voor hen een droge weg door de zee. Gij behoeft niet te
     vrezen, dat gij zult worden ingehaald, noch zult gij angstig zijn."

     78. Alsdan achtervolgde hen Pharao met zijn leger en toen
     overspoelde de zee hen allen.

     79. En Pharao voerde zijn volk op een dwaalspoor, hij leidde hen
     niet op de rechte weg.

     80. "O kinderen van Israël, Wij bevrijdden u van uw vijand en Wij
     gingen met u een verbond aan, aan de rechter zijde van de Berg
     (Sinaï) en zonden manna en kwartels op u neder."

     81. "Eet van de goede dingen die Wij u hebben verschaft en
     overtreedt niet hier in, anders zal Mijn toorn op u nederdalen en
     degene op wie Mijn toorn nederdaalt gaat ten onder."

     82. "Maar voorzeker, Ik ben Vergevensgezind jegens hem die berouw
     heeft en gelooft en het goede doet en het richtsnoer volgt."

     83. "En wat heeft u van uw volk haastig doen weggaan, o Mozes?"

     84. Hij zeide: "Zij volgen in mijn spoor, en ik heb mij tot U
     gehaast, Mijn Heer, opdat Gij welbehagen in mij moogt hebben."

     85. (Allah) zeide: "Wij hebben uw volk in uw afwezigheid beproefd
     en Saamiri heeft hen misleid."

     86. Mozes keerde daarop verontwaardigd en bedroefd tot zijn volk
     terug. Hij zeide: "O mijn volk, heeft uw Heer u dan geen schone
     belofte gedaan? Kwam de vastgestelde tijd u dan te lang voor, of
     verlangdet gij dat de toorn van uw Heer op u zou nederdalen dat gij
     uw belofte aan mij hebt gebroken?"

     87. Zij antwoordden: "Wij hebben niet uit eigen beweging onze
     belofte aan u gebroken, doch wij waren belast met een lading
     sieraden van het volk, derhalve wierpen wij deze weg, en dat heeft
     Saamiri voorgesteld."

     88. Dan maakte deze voor het volk een kalf - een beeld, dat een
     loeiend geluid voortbracht. En men zeide: "Dit is uw God en de God
     van Mozes," doch hij is hem vergeten.

     89. Konden zij dan niet zien dat het (kalf) hun geen antwoord gaf
     en geen macht had om hun kwaad of goed te doen?

     90. En inderdaad had Aäron reeds tot hen gezegd: "O mijn volk,
     voorzeker gij zijt daarmee op de proef gesteld. Voorwaar uw Heer is
     de Barmhartige; volgt mij derhalve en gehoorzaamt mijn bevel."

     91. Zij antwoordden: "Wij zullen in geen geval ophouden het (kalf)
     te aanbidden voordat Mozes tot ons is teruggekeerd."

     92. Hij (Mozes) zeide: "O Aäron, wat belette u, toen gij hen zaagt
     dwalen,"

     93. Mij te volgen? Hebt gij dan mijn gebod veronachtzaamd?"

     94. Hij antwoordde: "O zoon van mijn moeder, grijp mij niet bij
     mijn baard noch bij mijn hoofd." Ik was beducht dat gij zoudt
     zeggen: 'Gij hebt een scheuring teweeg gebracht onder de kinderen
     van Israël en hebt niet op mijn woord gewacht.'"

     95. Hij (Mozes) zeide: "En wat hebt gij te zeggen, o Saamiri?"

     96. Hij zeide: "Ik zag wat zij niet konden zien. Ik volgde de
     voetstappen van de boodschapper naar mijn beste vermogen, doch dat
     heb ik thans opgegeven. Aldus heeft. mijn ziel het voor mij
     vergemakkelijkt."

     97. Mozes zeide: "Ga dan heen, gedurende heel uw leven zult gij
     zeggen: 'Raak mij niet aan,' en bovendien is er voor u een straf
     (bereid) waaraan gij niet zult ontkomen. Aanschouw thans uw god
     waarvan gij een toegewijd aanbidder zijt geworden. Wij zullen hem
     verbranden en daarna in zee strooien."

     98. Uw God is slechts Allah, naast Wie er geen God is. Hij omvat
     alle dingen in Zijn kennis.

     99. Zo vermeldden Wij u (Mohammed) de tijdingen van het
     voorafgaande, waarin Wij u een vermaning Onzerzijds hebben gegeven.

     100. Wie zich er van zal afwenden zal op de Dag der Opstanding de
     last hiervan dragen.

     101. Daaronder zullen zij blijven en deze last zal voor hen op de
     Dag der Herrijzenis ondraaglijk worden.

     102. De Dag waarop de bazuin zal worden geblazen zullen Wij de
     zondigen bijeenverzamelen en hun ogen zullen zonder licht zijn.

     103. Zij zullen met elkander op zachte toon spreken en zeggen: "Gij
     zijt slechts tien (dagen) gebleven."

     104. Wij weten wat zij zullen zeggen wanneer de beste hunner
     beweert: "Gij zijt slechts één dag gebleven."

     105. Zij (de ongelovigen) vragen u betreffende de bergen. Zeg:
     "Mijn Heer zal ze verpulveren."

     106. "En Hij zal haar (de aarde) als een lege vlakte laten."

     107. "Waarop gij generlei inzinking of verhoging zult zien."

     108. Op die Dag zullen zij de oproeper volgen, die recht op zijn
     doel afgaat; alle stemmen zullen voor de Barmhartige worden
     verzacht en gij zult een gedempt geluid gefluistere horen.

     109. Op die Dag zal voorspraak niet van nut zijn behalve van hem
     aan wie de Barrnhartige verlof geeft en wiens woord Hem welgevallig
     is.

     110. Hij weet al hetgeen vóór hen en al hetgeen achter hen is, maar
     zij kunnen het met hun kennis niet omvatten.

     111. Alle gezichten zullen zich verootmoedigen in tegenwoordigheid
     van de Levende, de Uitzichzelf - Bestaande. Voorzeker, hij die
     ongerechtigheid begaat zal verloren gaan.

     112. Maar hij die goede werken verricht en gelovig is, behoeft geen
     ongerechtigheid of verlies te vrezen.

     113. Aldus hebben Wij het (Boek) als een duidelijke Koran
     nedergezonden en Wij hebben daarin duidelijk waarschuwingen
     herhaaldelijk uiteengezet, opdat men (God) moge vrezen en opdat het
     hen tot nadenken moge brengen.

     114. Verheven zij Allah, de Ware Koning. En haast u niet met de
     Koran eer de openbaring er van aan u voltooid is en zeg: "O mijn
     Heer, doe mij toenemen in kennis."

     115. En waarlijk wij gaven voorheen Adam een bevel, doch hij vergat
     het en Wij vonden in hem geen voornemen daartoe.

     116. En toen Wij tot de engelen zeiden: "Bewijst Adam eer," bewezen
     zij allen eer, doch niet Iblies. Hij weigerde.

     117. Daarom zeiden Wij: "O Adam, deze is voor u en uw vrouw een
     vijand; laat hij u derhalve niet uit de tuin verdrijven, anders
     zult gij ongelukkig worden."

     118. "(Daarin is voorraad voor u) opdat gij er niet zult hongeren
     noch naakt zult zijn."

     119. "En dat gij er geen dorst zult lijden noch zult blootgesteld
     zijn aan de hitte van de zon."

     120. Doch Satan fluisterde hem kwaad in, hij zeide: "O Adam, zal ik
     u voeren tot de Boom der Eeuwigheid, en een koninkrijk dat nimmer
     zal vergaan?"

     121. Zo aten beiden er van, waardoor hun schaamte hun duidelijk
     werd en zij zich begonnen te bekleden met bladeren uit de tuin. En
     Adam was ongehoorzaam aan het gebod van zijn Heer, derhalve leed
     hij.

     122. Alsdan verkoos zijn Heer hem, vergaf hem en leidde hem.

     123. Hij (God) zeide: "Gaat allen tezamen hier vandaan, want gij
     zult elkander tot vijanden zijn. En indien er leiding van Mij tot u
     komt dan zal een ieder die Mijn leiding volgt, noch dwalen noch
     ongelukkig zijn."

     124. Doch degene die zich van Mijn gedachtenis zal afwenden, zal in
     benarde omstandigheden leven en op de Dag der Opstanding zullen Wij
     hem blind doen opstaan."

     125. Hij zal zeggen: "Mijn Heer waarom hebt Gij mij blind doen
     opstaan, terwijl ik kon zien?"

     126. God zal zeggen: "Aldus kwamen Onze tekenen tot u en gij hebt
     er geen acht op geslagen en insgelijks zal op deze Dag op u geen
     acht worden geslagen."

     127. Op deze wijze vergelden Wij hem die buitensporig is en niet
     gelooft in de tekenen van zijn Heer; en de straf van het
     Hiernamaals is zeker gestrenger en langer van duur.

     128. Is het hun (bewoners van Mekka) dan niet duidelijk hoevele
     geslachten Wij vóór hen hebben verdelgd, in wier woonplaatsen zij
     wandelen? Voorwaar, daarin liggen tekenen voor degenen die met rede
     zijn begaafd.

     129. En ware het niet om een woord dat reeds van uw Heer was
     uit